Essay: Polemiek over Europa

De crisis brengt Europa verder

Waarom moeten we ‘meer Europa’? Hoe kan er een Europese identiteit ontstaan? Staat Europa niet te ver van de burger? Vragen en antwoorden door de Oostenrijkse auteur Robert Menasse.

De crisis van de euro leidde ook tot een bestaanscrisis van de gehele Europese Unie. Waarom twijfelen de mensen na een lange periode van succes nu sterker dan ooit aan de Europese integratie?

Ze beschouwen de successen, voorzover ze die economisch en sociaal opmerken, als het resultaat van hun eigen inzet, van hun vlijt en gezond verstand. En de crisis zien ze als product van het falen van anderen, van het falen van ‘Brussel’ of ‘de Grieken’ of van wie dan ook. Dat is diep menselijk: gaat het me aardig goed, dan denk ik niet dat de condities gunstig waren, maar dat ik ijverig was, ik heb het goed gedaan. Maar gaat het plotseling minder goed, dan zijn opeens de condities slecht, dan klopt er iets niet in het grote geheel, dan moeten er ergens schuldigen zijn. Vrede en welvaart bevorderen het ik-gevoel, crises bevorderen collectieve woede, een wij-gevoel tegen anderen. Dat is het uur van het nationalisme, de meest perfide vorm van het wij-tegen-anderen-gevoel: een sociale ziekte die als een verkoudheid begint, met zijn valse euforie van de verslaafde, en als dodelijke kanker eindigt. Het weer oplevende nationalisme dat wij in de huidige EU-crisis als tegenkracht beleven, is logisch omdat de EU een uitgesproken postnationaal project is. Maar dat het groeiende verlangen naar nationale soevereiniteit logisch en menselijk begrijpelijk is, betekent natuurlijk niet dat het verstandig is.

Is de vlucht terug naar de natiestaat, naar het kleine en overzienbare, niet ook een natuurlijke reflex als het grote voor de enkeling niet meer te volgen en te doorzien is?

De wereld, het grote geheel, was voor de enkeling al nooit te doorzien, niet eens in het Neolithicum. Daarom boetseert ieder zich een wereldbeeld waarin hij de weg kent en thuis weet te komen. Het nationalisme is zo’n primitieve navigator: je zwalkt door het leven, een gebiedende stem zegt ‘Na honderd meter rechts afslaan!’ – en je denkt, eindelijk weet ik de weg. In feite is ‘natie’ net zo complex en moeilijk te doorzien als elk ander model van maatschappelijke en politieke organisatie. Het verschil is alleen dat we de historische ervaring ter harte zouden moeten nemen dat de natie criminele energie produceert omdat ze zonder innerlijke en uiterlijke vijanden of concurrenten geen gemeenschap kan stichten. Het Europese project was de consequentie die uit deze ervaring werd getrokken. Het verlangen om terug te keren naar soevereine natiestaten is daarom geen natuurlijke, maar een geestloze reflex die aan de geschiedenis voorbijgaat. En nu is geest, respectievelijk bewustzijn, bestanddeel van de menselijke natuur. Tenminste als opdracht.

Leidt instemming met de natie werkelijk automatisch tot nationalisme? Kunnen we de natie en alles wat daarbij hoort alleen maar met een blik op de dwaalwegen en verwoestende oorlogen van de negentiende en twintigste eeuw bezien?

Natuurlijk kunnen we het ook anders zien. Dat doen genoeg mensen. Er is niets tegen – behalve nu juist onze historische ervaringen. Kun je een varkenskarbonade hebben zonder varken? Hoe verantwoord je een varken ook houdt, aan het eind heb je karbonades – hoe verantwoorder, hoe meer! Een natie kan nog zo gelukkig en vreedzaam zijn, op enig moment staat het nationalisme op tafel. Vooral in tijden van economische crisis ontwikkelen naties agressieve dynamieken. Ze zeggen bondgenootschappen op, herzien internationale verdragen of stellen ze buiten werking – we zien dat nu bijzonder duidelijk in de politiek van Groot-Brittannië. En aan het eind van de dynamiek, als zogenaamde ‘nationale belangen’ niet meer politiek verdedigd kunnen worden, wordt getracht ze militair door te drukken. De historische ervaring leert dat dit achteraf nooit lukt, maar hoe dan ook grote ellende met zich meebrengt, de vernietiging van levens, infrastructuur en productiemiddelen. En bij de huidige, almaar toenemende globalisering is het idee dat een natie als even agressieve als solipsistische monade haar ‘geluk’ vindt volkomen absurd. Ook als bij ‘mooi weer’ het nationalisme zich stralend als patriottisme of liefde voor de Heimat voordoet – nationalisme is in het licht van de geschiedenis niet meer onschuldig en zal het nooit meer zijn. Het is politiek misbruik van Heimatliebe.

Welk ideaal van Europa hadden de oprichters van de EU, Jean Monnet en Robert Schuman, voor ogen? Wat was hun visie? Het ging toch vooral om vrede.

Dat is juist, maar in deze formulering maar de halve waarheid. Monnet heeft geschreven dat vredesverdragen tussen naties het papier niet waard zijn waarop ze worden bezegeld. Hij had tijdens zijn leven vier oorlogen meegemaakt, en alle vier waren veroveringsoorlogen. Aan al die oorlogen zijn vredesverdragen voorafgegaan. Zijn streven was een werkelijke, duurzame vrede te stichten door de oorzaak van de conflicten en oorlogen te overwinnen, namelijk het nationalisme, en uiteindelijk ook de natie als politieke realiteit en als idee, de natie dus die haar belangen – of liever: de belangen van haar elites – tegen alle anderen verdedigt. En hoe bereik je dat? Zijn idee was de naties gaandeweg steeds meer soevereiniteitsrechten aan supranationale instellingen te laten overdragen tot ze op enig moment afsterven. Dat is een gedurfd, fascinerend, radicaal verlicht idee, en we moeten dat altijd in gedachten houden als we over de EU discussiëren, we zouden niet altijd alleen maar ‘vredesproject’ moeten zeggen. Want bij ‘vredesproject’ denkt niemand meer aan het streven de natiestaat te overwinnen. Dit idee heeft een verreikende invloed gehad.

Maar niet ver genoeg, zoals we nu zien. Kan het niet zijn dat we op een punt zijn beland dat aantoont dat het idee toch geen succes is?

Onthouden we: niet ver genoeg. Dat klopt. Dat is nu eenmaal zo met historische processen. Een proces is nooit een opeenvolging van momenten die op zichzelf al perfect en geslaagd zijn. De postnationale ontwikkeling is in Europa zo ver voortgeschreden, en de economieën van de lidstaten zijn zozeer verstrengeld en van elkaar afhankelijk geraakt, dat geen natiestaat een probleem meer alleen kan oplossen. En wie toch probeert zijn belangen alleen, tegen anderen door te zetten, schaadt zichzelf. Dat is goed. Dat is volgens het idee. Dat is een les in solidariteit. Maar tegelijk is de ontwikkeling nog niet zo ver dat grotere problemen werkelijk gemeenschappelijk kunnen worden opgelost.

Dit niet-meer-nog-niet waarin we zitten is wat we nu de crisis noemen. De crisis is geen financiële en monetaire crisis, maar een politieke crisis. Nationale belangen van afzonderlijke lidstaten van de EU hebben verhinderd dat mét de gemeenschappelijke munt, die een grote stap richting integratie was, ook de politieke instrumenten werden ingezet die daartoe vereist waren: een gemeenschappelijke financiële, fiscale en economische politiek. Zoveel soevereiniteit wilden afzonderlijke natiestaten dan toch niet afstaan. Nu leren ze met veel pijn dat ze zichzelf door deze verdediging van hun soevereiniteit o zo soeverein zware schade hebben toegebracht. En nu zien we plotseling besluiten die ver uitgaan boven wat drie jaar geleden voor maximaal mogelijk werd gehouden. En daar zal het niet bij blijven. Men kan het dus ook zo zien: de crisis is geen bedreiging voor Europa, de crisis brengt het Europese project verder.

Wat betekent het nu dat de voorzitter van de Europese Commissie (= regering) Barroso het hervormingsdebat over Europa startte met te zeggen dat hij geen superstaat Europa wil, maar een federatie van natiestaten? Men mocht, zei hij, de verdediging van de natie niet aan de nationalisten en populisten overlaten.

Dat is typisch Barroso. Federatie van natiestaten in plaats van het overwinnen van natiestaten is fantasieloos, en pijnlijk onderworpen tegenover de Europese Raad (= de nationale staats- en regeringshoofden tezamen). Barroso ziet het waarschijnlijk als een compromis, ik beschouw de erkenning van de bijzondere belangen van sommige natiestaten als een verraad aan de gemeenschapsidee. De natuurlijke bondgenoot van de Commissie-voorzitter zou het Europese Parlement moeten zijn, en niet de Raad.

Is ‘meer Europa’ het recept om in een geglobaliseerde wereld stand te kunnen houden, zoals nu zo vaak wordt beweerd?

Wat ‘meer Europa’ concreet ook betekent: deze vraag zal onderwerp van een stevige discussie moeten zijn. Naast de vraag van de democratisering der Europese structuren is dat de discussie van de toekomst. En men zal daarbij alles ter discussie moeten stellen: iedereen knikt bij de woorden ‘concurrentievermogen in de geglobaliseerde wereld’! Ik vind dat je in plaats van te knikken ook eens je hoofd kunt schudden, en nadenken. Bijvoorbeeld: de Europese binnenmarkt is zo groot – moet dan werkelijk de export de maat van alle dingen zijn? Of: de maatschappelijk geproduceerde rijkdom is nu zo groot – zouden we niet even halthouden en nadenken over verdelende rechtvaardigheid in plaats van over nog meer groei? En is groei wel groei als ze met schulden wordt gekocht?

Eindigt het overwinnen van de natiestaat onvermijdelijk met de Verenigde Staten van Europa of, beter gezegd, de Verenigde Regio’s van Europa? Of moet men ten slotte een dergelijke constructie op mondiale schaal als in de VS, China of Brazilië niet ter discussie stellen? Ontstaat daarmee niet alleen een nieuwe super-natiestaat?

Een super-natiestaat was nooit het idee. Verenigde Staten van Europa naar het voorbeeld van de VS – dat is als perspectief volkomen retro. De VS zijn het oude Europese project. Wat hebben de Europese immigranten in de Nieuwe Wereld gedaan? Klassiek oud-Europees: territorium met geweld veroverd, het door burgeroorlog verenigd en toen een natie gevormd. De EU is het nieuwe project, op elk punt het tegendeel: toetreding op basis van vrijwilligheid, harmonisering door verdragen en economische vervlechting, oplossing van de naties. De VS waren avant-garde in de negentiende eeuw, de EU is het in de 21ste eeuw.

Waarom is het kleine Zwitserland zo succesvol?

Omdat het de EU in het klein is, als het ware een langlopend historisch onderzoek in het lab. Een vrije associatie van regio’s (kantons), meertalig, multi-etnisch, vredesproject, zowel door regionale identiteiten als door openheid naar de wereld bepaald, en niet door nationalisme; zelfbewustzijn door burgerschap, en niet door ressentiment.

Moeten we dan niet opnieuw beginnen in kleinere, overzienbare eenheden te denken?

Dat doen we toch voortdurend. We definiëren onszelf toch altijd aan de hand van de kleine structuren waarin we leven. De streek waarin we zijn opgegroeid en gesocialiseerd werden, bepaalt onze identiteit en niet de fictie ‘natie’. We moeten alleen leren twee dingen in onze overwegingen te betrekken.

Ten eerste: de randvoorwaarden die ik in mijn regio zou wensen, de kansen, en de rechtstoestand in mijn woonplaats; dat is toch in het belang van alle mensen op dit continent. Het kan toch niet zo zijn dat ik wat betreft mijn levensvoorwaarden in Roozendaal gemeenschappelijke belangen heb met mensen in Sneek, maar niet met die in Antwerpen, in de Alentejo of op de Pelopponesos. Ik geloof dat we het daarover eens kunnen worden, zonder nationale ressentimenten. Juist op grond van de vrijheid van reizen en vestiging op dit continent moet toch ieder er belang bij hebben dat overal dezelfde randvoorwaarden heersen, waarbinnen zich de belangen van allen, dat wil zeggen van iedere enkeling, vrij kunnen ontvouwen. Ik zeg randvoorwaarden. Dat sluit regionale verschillen, die zich binnen deze randvoorwaarden op basis van verschillende tradities of mentaliteiten of anderszins ontwikkeld hebben, niet uit. De variëteit binnen gemeenschappelijke randvoorwaarden is de rijkdom van Europa. Maar verschillen zónder gemeenschappelijke randvoorwaarden maken van Europa een verscheurd en in tijden van crisis agressief continent, zoals we weten.

Ten tweede: de EU is op termijn het systeem dat een leven in overzienbare eenheden met effectieve participatiemogelijkheden garandeert: voor alle soevereiniteit die de natiestaat overdraagt, krijgt de regio volgens het subsidiariteitsprincipe veel meer rechten terug.

Hoe kan er een Europese identiteit ontstaan, gezien de grote culturele en taalkundige verschillen die in de natiestaten nog altijd gecultiveerd worden? De hoop dat de euro of open grenzen tot die identiteit zouden bijdragen, is tot nog toe ijdel gebleken. Het schijnt eerder populair te zijn geworden om aan te dringen op de terugkeer van grenscontroles.

Allereerst: een gemeenschappelijke taal is het streven van een natiestaat; daar gaat het in Europa niet om, omdat het niet om het vormen van een Europese natie gaat. Taalkundige en culturele variëteit is de rijkdom van dit continent en creëert identiteit op elke willekeurige plaats. Europese identiteit is niets anders dan de zekerheid dat het continent als geheel het blijvend eens wordt over: gelijke randvoorwaarden, mensenrechten, rechtstoestand, vrede, sociale zekerheid en sociale gerechtigheid. Dat zijn de grenspalen van het Europese project – beweeg je daartussen en vorm als vrij mens je leven!

Heeft men in de euforie na de val van het IJzeren Gordijn de uitbreiding van de EU met de landen uit het Oostblok niet te snel en onvoldoende voorbereid doorgevoerd? Wat kan men daarvan leren?

De uitbreiding naar het oosten heeft niet te snel maar te langzaam plaatsgevonden. Men had bijvoorbeeld Joegoslavië meteen in de EU moeten opnemen. Zonder te wachten tot dit land in natiestaten uiteenvalt, om daarna de nieuwe naties een voor een op te nemen en daarmee ook weer het gif van het nationalisme. Men had zich een burgeroorlog bespaard, en men had de EU uitgebreid met een gemeenschap die ervaring heeft met supranationaliteit.

Moet Europa niet veel langzamer, samen met de burgers, groeien, en niet zonder hen, als project van de elites?

‘De burgers’, dat is zo’n abstractie die politiek niet hanteerbaar is. Wie zijn dat dan wel? De nationalisten spreken nu, als ze zich camoufleren, van de ‘burger’, zoals ze vroeger van ‘volk’ spraken, een bedrog waardoor de echtgenote van een bankdirecteur als bestanddeel van het volkslichaam gezamenlijke belangen met een fabrieksarbeidster zou hebben. Het resultaat was, zoals bekend, dat de arbeiders op de arbeiders van andere naties geschoten hebben en gezamenlijk gecrepeerd zijn. De vraag is niet: langzaam of snel, en ook niet: met of zonder burgers. Normaal gesproken besluit toch geen mens een project langzaam uit te voeren als hij het ook snel kan doen. Men doet het zo snel of langzaam als de condities, de krachtsverhoudingen, de mogelijkheden veroorloven. Dat bepaalt dan de snelheid. Waarbij ik van mening ben dat de fantasieloosheid van de huidige politieke elites een groter probleem is dan het feit dat er te allen tijde elites zijn die de politieke beslissingen nemen. Moedige politieke elites hebben een project op de rails gezet – en het nagelaten aan een generatie die noch de geschiedenis kent noch een voorstelling heeft van de toekomst waarop het zal uitlopen. Wat zich momenteel Europees politicus noemt maakt daarom een pas op de plaats – en het stomme is: hij trapt daarmee bovenop het bereikte.

Of de verdere uitbreiding van de Unie nu langzamer of sneller gaat – ondermijnt ze niet in elk geval de historisch gegroeide democratie in Europa? Democratie heeft zich toch met de soevereine natiestaten ontwikkeld, maar hoe meer soevereiniteitsrechten de naties aan ‘Brussel’ overdragen, des te meer mogelijkheden verliezen de nationale parlementen, ze worden als het ware stap voor stap van hun macht beroofd – terwijl de Europese Commissie, die in de EU het initiatiefrecht heeft, maar zeer twijfelachtig democratisch gelegitimeerd is.

Ten eerste bestaat er geen historisch gegroeide democratie in Europa. Dat kun je zo niet generaliseren. In de meeste Europese staten werd democratie nooit bevochten, en kon dus ook niet ‘historisch groeien’. Wat we nu onder ‘democratie’ verstaan, werd na oorlogen door de overwinnaars in de overwonnen landen geïmplanteerd, of ze werd na de implosie van autoritaire systemen als mimicry door de oude politieke elites over de oude structuren heen gelegd. De Europese democratieën zijn bezaaid met de moedervlekken van autoritaire of feodale systemen. De Oostenrijkse democratie bijvoorbeeld is tot op de dag van vandaag gekenmerkt door de structuren van de austro-fascistische standenstaat – dus waarlijk niet zo ‘ideaal’ als nu achteraf gezegd wordt wanneer de politieke tekortkomingen in de EU bekritiseerd worden.

Ten tweede: zelfs als de nationale democratieën in Europa in meerderheid idealer zouden lijken dan ze uiteindelijk waren, de nationale democratie is in de geschiedenis van de democratie maar een van de vele democratiemodellen die we kennen. Een model dat beantwoordde aan een bepaalde historische periode die nu ten einde loopt. Dit model was de theoretisch beste politieke organisatievorm om de mensen in een natiestaat bij de politiek te betrekken. En met het overwinnen van de natiestaat gaat ook dit model ten onder. Dat is een heel normaal historisch proces. Steeds weer zijn er in de geschiedenis democratische organisatievormen ten onder gegaan als de voorwaarden ervan vervielen, zoals bijvoorbeeld de klassieke antieke democratie, die aan haar eind kwam toen de maatschappij van slavenhouders werd overwonnen en door een nieuwe maatschappijvorm werd afgelost. Geen mens wil de antieke democratie terug alleen omdat we in het humanistisch gymnasium geleerd hebben dat ze zo mooi was – want geen mens wil de slavenhouders terug.

Zo kunnen we alle periodes doorlopen waarin democratische organisatievormen ontwikkeld werden: telkens speciale modellen die ten slotte weer verdwenen zijn. Het probleem is niet dat de democratie die we ons enigszins eigen hebben gemaakt en die ons vertrouwd is op dit moment erodeert, het probleem is eerder dat we ons er nog geen voorstelling van hebben gemaakt hoe het model eruit moet zien dat de nationale democratieën ten slotte zal aflossen. In Europa ontstaat iets historisch volkomen nieuws: het eerste postnationale continent. Dat zal alleen functioneren als we ook een nieuw democratiemodel ontwikkelen dat aan dit historisch nieuwe beantwoordt. De discussie over hoe een postnationale democratie eruit moet zien, hoe ze georganiseerd en geïnstitutionaliseerd kan worden, zal de belangrijkste discussie van de nabije toekomst zijn.

In democratisch opzicht zouden de grootste politieke tekortkomingen in de huidige constructie van de EU snel en eenvoudig kunnen worden verholpen, want het klopt dat de Europese Commissie een legitimatieprobleem heeft. Dat zou al zijn opgelost als de commissarissen (= ministers) door het Europees Parlement werden gekozen. Maar dat vereist ook dat het Europees Parlement alle rechten krijgt die een hedendaags parlement toekomt, uiteraard ook het kernpunt van het parlementarisme: het beschikkingsrecht over de begroting. Daartoe zou de EU echter ook in staat moeten zijn een eigen budget te genereren en niet langer afhankelijk te zijn van de bijdragen van de lidstaten, wier regeringen regelmatig knokken voor kortingen van hun bijdragen, om zich tegenover de kiezers in hun naties als verdediger van de ‘nationale belangen’ voor te doen; ze willen zo weinig mogelijk belastinggeld naar Brussel sturen, terwijl ze tegelijk, opnieuw in naam van de ‘nationale belangen’, steeds hogere subsidies verlangen die van Brussel naar de natiestaten moeten terugvloeien. Deze onvruchtbare tegenspraak wakkert uitsluitend agressie aan en kan alleen opgeheven worden door een nieuw democratiemodel dat uitgaat van de gemeenschapsidee en niet van de idee van de natie.

Wat je hier ook duidelijk ziet: ga je bij de democratiediscussie uit van de democratische legitimering van de Commissie, dan kom je bij het Parlement, je komt bij de vraag over welke rechten een Europees Parlement moet beschikken, je komt van het een op het ander en telkens zien we de tegenspraken met de ons bekende nationale democratie – terwijl onze ervaringen met die nationale democratie het ons ook mogelijk maken gaandeweg een postnationale democratie te kunnen denken.

Bestaat niet het gevaar dat met de overdracht van nationale parlementaire rechten naar Brussel een centralistische superstaat ontstaat die te ver van de burger weg is, die eigenlijk niemand wil en die, onwetend van de lokale behoeften en onbuigzaam tegenover regionale bijzonderheden, alles over een kam scheert?

Dat wil inderdaad niemand, en dat is ook niet de bedoeling, noch ligt het in de lijn der ontwikkeling. Feit is dat de nationale parlementen al rond tachtig procent van hun soevereiniteitsrechten aan de supranationale instellingen hebben overgedragen. In de resterende twintig procent bevinden zich nog flinke brokken, zoals het budgetrecht, de fiscale politiek enzovoort. Maar feit is eveneens dat door de huidige crisis ook deze resterende, zwaarwegende nationale rechten uitgehold, ondermijnd en ten slotte overgedragen zullen worden.

Het steeds verdergaande verlies aan mogelijkheden van de nationale parlementen leidt echter tot een groei aan betekenis en mogelijkheden voor de regionale parlementen. Het verwijt dat de EU tot centralisme leidt, de natie daarentegen subsidiariteit waarborgt, is absurd. Het merendeel van de EU-lidstaten, vooral grote als Frankrijk of Polen, zijn radicaal centralistisch georganiseerd, terwijl de Commissie in al deze staten consequent de regionale belangen bevordert. Het subsidiariteitsprincipe is in het Verdrag van Lissabon vastgelegd. Het is nog niet gedefinieerd en juridisch uitgewerkt. Dat betekent echter ook dat kleine en met elkaar verweven democratische bestuurseenheden (of we ze nu deelstaten, provincies of regio’s noemen) nog nooit in de geschiedenis zo’n grote kans hebben gehad als nu. Het is de taak en de kans van regionale parlementen en ‘provinciale staten’ om van deze mogelijkheden te profiteren en de geboden speelruimte stap voor stap uit te breiden.

De innerlijke dynamiek van de EU maakt de afgevaardigden van de regionale parlementen almaar belangrijker dan de afgevaardigden van het nationale parlement. Als de eersten zich dat realiseren, houdt de werkelijkheid geen stand. Dan kan de stoute droom werkelijkheid worden: Europa als eerste postnationale continent van de wereldgeschiedenis, vreedzaam georganiseerd in vrije associatie van zelfstandige regio’s, binnen gemeenschappelijke, van de mensenrechten afgeleide randvoorwaarden die door de supranationale instellingen in Brussel ontwikkeld en behoed worden.

En als wordt tegengeworpen dat dit idealistisch is, dan moet het antwoord luiden: steeds weer gaven idealen de aanzet tot de grootste groei van vrijheid in de geschiedenis.

Vertaling Paul Beers


Robert Menasse

De Oostenrijkse auteur Robert Menasse (Wenen, 1954) manifesteert zich sinds zijn debuut als romanschrijver, maar ook als essayist en politiek publicist. Naast zijn bekendste romans Zalige tijden, breekbare wereld en De verdrijving uit de hel publiceerde hij onder andere de briljante essaybundel Das Land ohne Eigenschaften, dat als ‘Oostenrijks Geestesmerk’ kan gelden.

Nadat hij in 1999 de Oostenrijkse staatsprijs voor zijn publicistisch werk had ontvangen, mengde hij zich opvallend en genuanceerd in het ‘Europese’ debat over de opkomst van Jörg Haider, met artikelen die ook de Nederlandse pers bereikten, waaronder De Groene Amsterdammer. In 2005 sloot hij dit hoofdstuk af met zijn vuistdikke essaybundel Das war Österreich, waarna hij zich voornam zijn terrein uit te breiden. Daartoe verbleef hij maandenlang in Brussel, waar hij zich verdiepte in het reilen en zeilen van de Europese instellingen, met de bedoeling materiaal te verzamelen zowel voor een nieuwe roman als voor een essay over de Europese Unie.

Dit in september 2012 verschenen essay draagt, verwijzend naar Georg Büchners strijdbare Der Hessische Landbote (1834), de titel Der Europäische Landbote en verschijnt bij De Arbeiderspers in vertaling als De Europese koerier. In het Duitse taalgebied beleefde het boek inmiddels vijf drukken, ontving het liefst drie prijzen en werd het onderwerp van de door Menasse gewenste discussies. Op grond hiervan zette hij een aantal terugkerende vragen op een rijtje, waar hij vervolgens op antwoordt. De Nederlandse lezer kan het in de omgekeerde volgorde doen: eerst de discussie lezen, en daarna het vandaag te verschijnen, aanzienlijk controversiëlere EU-essay, of, zoals ik het aan mijn vrienden omschreef: polemisch en gedreven, anti-Duits en pro-Grieks, eenzijdig en idealistisch. (Paul Beers)