De keerzijde van het nieuwe werken

De crisis in het hoofd

De aanhoudende serie zelfmoorden bij France Telecom vestigt de aandacht op het emotionele onbehagen op de arbeidsvloer. In Nederland is de situatie minder verontrustend, maar ook hier zeggen steeds meer werknemers zich emotioneel uitgeput te voelen. Hoe gevaarlijk is werken anno 2010?

ZO STERFT EEN technicus: door zich op te hangen aan een stroomkabel. De recente vondst van het lichaam van de vijftiger in een bos is automatisch politiek in Frankrijk. Hetzelfde geldt voor de zelfmoorden deze maand van een 32-jarige functionaris die werkte in Dijon en van een 53-jarige in Parijs. Allen waren in dienst van France Telecom.
Het voormalige staatsbedrijf, eigenaar van Orange, ligt zwaar onder vuur. De afgelopen jaren vielen duizenden ontslagen. Vakbonden wijzen op de hoge werkdruk en de voortdurende reorganisaties en overplaatsingen. Zij spreken van een bewust beleid van ‘sociale desoriëntatie’, waarbij het personeel geïntimideerd en weggepest wordt. Zijn het zulke problemen op het werk waarom de drie een einde maakten aan hun leven? Of ligt de verklaring toch in de privé-sfeer, bij een scheiding of lang ziekbed?
Feit is dat zij de laatsten zijn in een lange reeks zelfmoorden door France Telecom-personeel. In 2008 en 2009 waren het er tussen de 32 en 35. Dit jaar staat de teller al weer op zes mensen. Bij de meesten is het motief onduidelijk. Maar sommigen hebben briefjes achtergelaten waarin ze klaagden over stress op de werkvloer. Eén medewerker duwde zichzelf tijdens een vergadering een mes in het lijf. Hij had zojuist gehoord dat zijn baan zou verdwijnen.
Voor de Franse regering is de maat vol. Zij dreigt met financiële sancties voor ondernemingen met meer dan duizend medewerkers als ze geen verbetering brengen in hun arbeidsklimaat. Tot nog toe heeft 45 procent geen gehoor gegeven aan deze oproep, daaronder gerenommeerde bedrijven als Ikea, Randstad, Starbucks en persbureau AFP. Zij werden vorige week kortstondig door de overheid met naam en toenaam gebrandmerkt. Na protesten van ondernemingen verdween de lijst weer van het internet.
Hoe terecht is al deze ophef? Statistici plaatsen kanttekeningen bij de 'zelfmoordgolf’ bij France Telecom. Het percentage zelfdodingen onder het Telecom-personeel zou amper afwijken van het Franse gemiddelde. Andere bedrijven, zoals Renault, kampten bovendien al jaren vóór de crisis met zelfmoorden. En is het niet vaker zo geweest tijdens crises dat het publiek een zelfmoordgolf ziet die er niet is? In zijn klassieke The Great Crash 1929 noemt econoom John Kenneth Galbraith het voorbeeld van een man die op Zwarte Donderdag, de dag dat de aandelenkoersen in New York instortten, boven op een hoog gebouw liep in de buurt van de beurs. Een aanzwellende menigte zou vol verwachting hebben toegekeken, in de veronderstelling dat het een speculant betrof die zelfmoord ging plegen. Het bleek een arbeider te zijn die wat reparaties verrichtte. Volgens Galbraith is de zelfmoordgolf eind jaren twintig dan ook een mythe. Het grotere aantal zelfdodingen in 1929 was onderdeel van een toename die al jaren gaande was. Als er al een economisch gemotiveerde zelfmoordgolf plaatsvond, dan hoogstens in de jaren dertig, toen de grote depressie zich almaar bleef voortslepen.
Ook nu lijkt de behoefte aan een mediageniek 'gezicht’ van alle crisisellende de aandacht voor de Franse zelfmoorden te vergroten. Wat spreekt meer tot de verbeelding dan een reeks werknemers die uit het leven stappen, omdat het water hen tot de lippen staat? Kritiek op grote concerns als France Telecom en de daar heersende mentaliteit van het 'nieuwe kapitalisme’ heeft daarbij het tij mee. Desondanks zijn de huidige zelfmoorden niet zo eenvoudig af te doen als een mythe. Aan de andere kant van de oceaan neemt het aantal zelfmoorden onder werknemers namelijk ook toe. Officiële Amerikaanse cijfers tonen dat terwijl de totale hoeveelheid dodelijke incidenten op de werkvloer in 2008 fors afnam, het aantal arbeidsgerelateerde zelfmoorden met 28 procent steeg naar 251. Dat is het hoogste aantal ooit gemeten.

ZELFS AL ZOU ook deze zelfmoordgolf in de toekomst statistisch verklaarbaar blijken, dan is er nog geen reden tot opluchting. Misschien wel schokkender dan de uitspattingen van de laatste tijd is de alledaagse realiteit van het afgelopen decennium. Statistieken van over de hele wereld laten zien dat, lang voor de economische crisis, er al een crisis gaande was op de werkvloer. Of beter: in het hoofd.
In de Europese Unie als geheel lijdt ruim één op de vijf werknemers onder ongezonde werkstress. Meer dan de helft van de verzuimdagen wordt daardoor veroorzaakt. Niet alleen in Frankrijk, maar ook in Duitsland hebben de zelfmoorden bij France Telecom tot hevig debat geleid over hoe emotioneel gevaarlijk werken anno 2010 is. De stroom alarmerende cijfers houdt aan. Depressies en ander psychisch ongemak zijn inmiddels de belangrijkste reden voor werknemers om vroegtijdig met pensioen te gaan. Terwijl het aantal ongevallen op de werkvloer net als in Nederland jaar in, jaar uit afneemt, is de arbeidsuitval als gevolg van psychische belasting sinds 1995 razendsnel gestegen, volgens verzekeraars met tachtig procent. Daarbij toont het ziekteverzuim slechts het topje van de ijsberg. Volgens een recente enquête heeft 42 procent van alle Duitse werknemers zich het voorgaande jaar minstens twee keer ziek naar het werk gesleept. Wetenschappers spreken over 'presentisme’, aanwezig zijn om het aanwezig zijn.
Wat vooral voor onrust zorgt, is dat anders dan vroeger de nieuwe overbelasting iedereen treft. Voorheen verrichtten vooral werknemers in de bouw, de mijnen en andere 'vuile sectoren’ fysiek gevaarlijk werk. Tegenwoordig zijn de risico’s steeds meer geestelijk. Ze vormen daarmee ook een bedreiging voor goedbetaalde hoogopgeleiden en kantoorklerken. Dat botst met het oude ideaal van een schone, zekere 'witte boorden’-baan achter een bureau.
'De nieuwe, psychische belasting treft ook groepen werknemers die tot voor kort golden als geprivilegieerd’, zegt socioloog Nick Kratzer, verbonden aan het Instituut voor Sociaalwetenschappelijk Onderzoek (ISF) in München. Hij deed de afgelopen jaren onderzoek naar emotionele werkdruk bij uiteenlopende groepen, van productiearbeiders tot ingenieurs en bankemployees. 'Softwareontwikkelaars bijvoorbeeld tonen zich geschokt. Sinds vijftien jaar vindt ook in zulke sectoren een zekere rationalisering van het arbeidsproces plaats. Voor het eerst voelen zij onzekerheid.’
En hoe. Uit onderzoek onder werknemers in de IT-sector blijkt dat de helft de werkdruk als belastend ervaart. Bij hoogopgeleiden in het algemeen gaat het gemiddeld om dertig procent, tegenover 23 procent van alle werknemers. Zij zijn ’s avonds niet gewoon moe, maar dreigen alle controle te verliezen. Niet vreemd dat vorig jaar uit een ophefmakende studie bleek dat achthonderdduizend Duitse werknemers regelmatig naar de pillen grijpen om op kantoor het tempo te kunnen bijhouden.
In Nederland blijft het, anders dan in Duitsland en Frankrijk, stil. Over de keerzijden van wat 'het nieuwe werken’ is gaan heten is weinig discussie. Daar hebben ook de crisis en de Telecom-zelfmoorden niets aan veranderd, weet Wim van Veelen, adviseur gezondheid en veiligheid bij de FNV. 'Toen wij als vakbond eind jaren negentig een congres organiseerden over dit onderwerp was de media-aandacht enorm. Tegenwoordig vindt er iedere week wel een bijeenkomst plaats over werkdruk, burn-out of mobbing, maar daarover wordt amper meer bericht. Misschien zijn we dit soort fenomenen normaal gaan vinden.’
Dat moet wel zo zijn, want verdwenen zijn de problemen niet. Weliswaar doet Nederland het beter dan veel andere Europese landen - mogelijk wordt er zorgvuldiger omgesprongen met gekwalificeerd personeel, al was het alleen al omdat tekorten op de arbeidsmarkt dreigen - maar de cijfers blijven verontrustend. De uitkomsten van bijvoorbeeld de jaarlijkse, grootschalige Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van TNO duiden op dezelfde trends als in Duitsland. Zo is de werkdruk na een snelle stijging in de jaren negentig sinds 2005 gestabiliseerd, maar op een permanent hoog niveau. 'Volgens sommigen is dit omdat het plafond bereikt is’, schrijven de TNO-onderzoekers.
Een minderheid van ruim tien procent van de werknemers zit regelmatig tegen een burn-out aan en zegt zich emotioneel uitgeput te voelen door het werk. Eenderde van alle werkenden voelt zich meermalen per maand 'leeg’ na een werkdag. Vooral oudere hoogopgeleide vrouwen kampen met grote vermoeidheid. Dat blijft niet zonder gevolgen. Het ministerie van Sociale Zaken laat weten dat arbeidsongeschiktheid in zo'n veertig procent van de gevallen psychische oorzaken heeft. Overigens worden voor zelfmoord in relatie tot het werk in Nederland niet centraal cijfers bijgehouden.
Ook hier te lande is een bedenkelijke 'democratisering’ zichtbaar van overbelasting op de werkvloer. Goedbetaalde hogeropgeleiden kampen minstens zozeer met klachten als laaggekwalificeerden. Zo behoren het onderwijs en de zakelijke dienstverlening tot de geestelijk meest uitputtende sectoren. En werkt van de laagopgeleide werknemers een kwart regelmatig over, bij de hoogopgeleiden doet meer dan de helft dat. Voor de totale beroepsbevolking ging het in 2008 wekelijks om bijna zes uur overwerk - een groot deel onbetaald. In 2009 blijkt de crisis hier nauwelijks verandering in te hebben gebracht. Zo bont als in Japan is het nog lang niet. Daar constateren de autoriteiten jaarlijks 150 gevallen van 'karoshi’, werken tot je er letterlijk dood bij neervalt. Maar toch: Nederlandse mannen werken gemiddeld bijna een dag per week extra, deels gratis, voor de baas. De zesdaagse werkweek is terug van weggeweest. En niemand die er wat van zegt.

HET UITBLIJVEN VAN een reactie op de toenemende werkdruk is veelzeggend. Gaat het om salariskortingen, dan zijn er protesten, stakingen, boze woorden. De emotionele overbelasting wordt individueel gedragen. In stilte. Maakte de rest van de maatschappij niet zo'n stampij over de Franse zelfmoorden, dan zou die keuze om geruisloos uit het leven te stappen de perfecte illustratie van dat defaitisme zijn.
Maar het gaat niet om een individueel probleem. Toegegeven, er zijn tal van individuele factoren die maken dat de ene werknemer wel met stress, burn-out of ander geestelijk ongemak te maken krijgt en de andere niet. Het feit dat het emotionele arbeidsleed sinds vijftien jaar in zoveel verschillende landen zo massaal is opgerukt, duidt echter ook op structurele oorzaken.
Arbeidssociologen wijzen op een aantal ingrijpende veranderingen in de manier waarop organisaties sinds de jaren negentig zijn gaan functioneren. Veel hangt samen met wat zij 'werkverdichting’ noemen. Zonder dat werknemers meer betaalde uren werken, is hun effectieve arbeidstijd enorm gegroeid. Duurbetaalde adviseurs lichten organisaties door om ieder onbenut gaatje in de dag te vullen. Het just-in-time-principe geldt inmiddels overal. In plaats van een lunchpauze te nemen eten we een broodje achter de computer. Door laptop, Blackberry en mobieltje is de grens tussen werk en privé bovendien vervaagd. En er is de gigantische versnelling van het maatschappelijke leven in het algemeen. Volgens een Britse psycholoog zijn alleen al voetgangers in grote steden in het afgelopen decennium tien procent sneller gaan lopen. Dat mag allemaal heel efficiënt zijn, de tijdsdruk zorgt er ook voor dat elke ongeplande onderbreking, iedere verkoudheid of baaldag problemen veroorzaakt - en dus tot stress leidt.
Dat wordt versterkt door een tweede verandering. De modernste ondernemingen, natuurlijk loopt Amerika voorop, voeren een personeelsbeleid dat het best kan worden samengevat als 'permanente voorwaardelijkheid’. Het is het idee achter populaire castingshows als Idols, losgelaten op het bedrijfsleven. In de ideale prestatieomgeving moet een werknemer elke dag opnieuw bewijzen waarom uitgerekend híj geschikt is voor deze baan. Alleen maar 'je best doen’ is onvoldoende. Je hele persoonlijkheid wordt beoordeeld, schreef de Amerikaanse undercoverjournaliste Barbara Ehrenreich in 2005 in het verslag van haar persoonlijke zoektocht naar een middenklasse-kantoorbaan, Bait and Switch. Gevraagd is iemand die 'meedogenloos opgewekt, enthousiast en gehoorzaam’ is, aldus Ehrenreich. En niet te vergeten: 'gepassioneerd’. Ga er maar aan staan, elke dag opnieuw.

TEZAMEN VORMEN DE intensievere werkdag en permanente voorwaardelijkheid een explosief mengsel. Er hoeft maar weinig te gebeuren om de bewijsdrang van de toegewijde maar overwerkte en onzekere werknemer te doen omslaan in moedeloosheid.
Toch wijten de slachtoffers het leed aan zichzelf. Vakbondsman Van Veelen ziet met name onder hoogopgeleiden een taboe om klachten op collectief niveau kenbaar te maken. Het is hun eigen individuele probleem, waarvoor ze hun eigen individuele oplossing zoeken. Typerend is de snel toegenomen diagnose van burn-out. Een ware industrie biedt cursussen positief denken, meditatie, stressbestrijding en tijdsmanagement aan. Er zijn dure wellnessweekeinden en retraites, hulpverleningsboeken en natuurlijk heel veel verschillende soorten coaching en therapieën. Daarbij is volgens sommigen de 'populariteit’ van deze diagnose onder goedverdienende professionals al veelzeggend. Depressief zijn is voor losers. Sociaal acceptabeler voor de hardwerkende Nederlander is de burn-out. Wie uitgebrand is, heeft daarvóór immers gebrand, en hoe. Zo wordt zelfs falen nog een prestatie. 'Eerst veroorzaakt het bedrijf jouw stress, en dan ben je zelf ook nog eens verantwoordelijk voor het oplossen daarvan’, merkt socioloog Nick Kratzer op, gevraagd naar zijn mening over de wildgroei aan cursussen en therapieën. De reden dat werknemers daar zo vatbaar voor zijn, is volgens hem een derde vernieuwing op de werkvloer: de eigen verantwoordelijkheid. Met name hoogopgeleiden kunnen tegenwoordig zelf beslissen hoe, waar en wanneer ze hun werk uitvoeren. Uit onderzoek blijkt dat die zeggenschap over het eigen werk psychische klachten kan voorkomen. Maar de grens tussen autonomie en emotionele zelfuitbuiting is poreus. Er is namelijk één onderdeel van het werk waar het personeel zelden iets over te zeggen heeft: de targets.
'Ondernemingen stellen steeds vaker lukraak doelen’, meent Kratzer. 'Daarbij gaat het er niet om of die met de beschikbare mensen en middelen haalbaar zijn. Bedrijven willen gewoon meer, goedkoper en beter presteren dan de concurrentie. Om dat te bereiken, schermen ze niet meer zoals vroeger hun personeel af voor de druk van de markt. Die halen ze juist bewust naar binnen, de eigen organisatie in, als een soort managementmethode.’ Waar dat toe leidt is zichtbaar bij bedrijven als France Telecom. Voortdurend worden van bovenaf nieuwe, onrealistische doelen gesteld. Vervolgens wordt het personeel verantwoordelijk gemaakt voor het bereiken daarvan. En als het mis gaat, is de burn-out ook nog eens het probleem van de werknemer. Eén mogelijke oplossing ligt volgens Kratzer dan ook gek genoeg bij minder zeggenschap. Leidinggevenden moeten weer meer verantwoordelijkheid nemen: 'Niet alleen doelen stellen, maar ook vertellen hoe die te bereiken, en welke middelen daarvoor nodig zijn.’ Vooralsnog duidt niets op zo'n koerswending. De gevolgen van die starheid kunnen fataal zijn, voor werknemers én werkgevers. De huidige crisis zal voorbijgaan. Wat Kratzer de achterliggende 'reproductiecrisis’ noemt niet: 'In economisch opzicht is de huidige aanpak een succes, de bijbehorende periodieke crises daargelaten. Waar dit bedrijfseconomische organisatiemodel niet in slaagt, is te zorgen voor gezonde, tevreden mensen. Daarbij hoef je niet te denken aan iemand die van een flat springt. Het drama zit ’m in het onspectaculaire alledaagse. Als ik spreek met een werkteam van tien mensen bijvoorbeeld, waarvan er drie overbelast zijn. Ik zie een gigantisch verlies aan vertrouwen in de toekomst. Daarmee ondergraaft dit model zichzelf.’