De crisis na de crisis

Is de crisis voorbij of niet? Het broze herstel drukt zich uit in beurkoersen die stijgen tot pre-lehmaniaanse hoogten. De aanhoudende dreiging zit ’m in het groeiende aantal bedrijven en personen die failliet gaan. Maar een jaar nadat het financieel systeem wankelde, dringt zich een nieuwe, minstens zo belangrijke vraag op. Zelfs als de ergste krimp achter de rug is, waar moet de toekomstige groei vandaan komen?

Het huidige herstel is op de pof. Het is ten eerste te danken aan de vele miljarden die staten het afgelopen jaar in de economie pompten. Vroeg of laat zullen die succesvolle investeringsprogramma’s plaats moeten maken voor bezuinigingen. Ten tweede overspoelen de centrale banken het systeem nog altijd met bijna renteloze leningen. Als de gestegen aandelenkoersen iets uitdrukken, is het de overvloedige aanwezigheid van dit gratis geld. Met duurzame economische groei heeft het niets te maken.
Waar zou die groei ook vandaan moeten komen? Tot nu toe waren het de Amerikanen die de producten kochten die Europa en Azië produceerden. Die ‘decadente’ leefstijl leverde hen veel kritiek op, niet op de laatste plaats in het calvinistische, spaarzame Nederland. Maar nu de Verenigde Staten hun schulden moeten afbouwen en de broekriem aanhalen, heeft niemand een alternatief. Nemen Europa of opkomende economische machten als China en India de rol van grootconsument in het wereldsysteem over? Daar ziet het niet naar uit. Hun groeimodel is nog sterker dan vóór de crisis gericht op de export. Daarom houdt China zijn yuan kunstmatig laag. Daarom plant Europa een nieuwe ronde van bezuinigingen op de publieke sector in combinatie met lastenverlichting voor bedrijven. Iedereen probeert zo veel en zo goedkoop mogelijk spullen te produceren voor de wereldmarkt.
Wie dat alles moet kopen, is onduidelijk. Het gevolg, nieuwe kredietbubbels voorbehouden, zou wel eens een langere periode van weinig of geen economische groei kunnen zijn. Klassieke economen als Adam Smith en David Ricardo hebben in dat opzicht gesproken van een stationary state. Dat hoeft niet erg te zijn. Het zou het terugdringen van de CO₂-uitstoot bijvoorbeeld heel wat makkelijker maken. Maar dat vergt van overheden dat zij zich instellen op de nieuwe toestand. En die keuze wordt nergens gemaakt. In plaats daarvan dreigt een race to the bottom, een rampzalige internationale strijd om een stukje van de steeds kleiner wordende taart. Met als resultaat een vicieuze cirkel van overproductie, dumplonen, verspilling en milieuvervuiling.
Het alternatief is een breuk met het export-georiënteerde beleid van de afgelopen jaren. Alleen door net als in de decennia na de Tweede Wereldoorlog de binnenlandse vraag te vergroten, bijvoorbeeld door te stoppen met het beleid van loonmatiging en de versobering van sociale stelsels, kunnen Europa en ook Azië op de langere termijn zorgen voor economische groei. Zo bezien was de kritiek die Obama’s regering eerder dit jaar uitte op de knibbelige Europese overheden niet helemaal onterecht. Als lid van een economische grootmacht als de Europese Unie mag zelfs het kleine, onbeduidende Nederland zich dat aantrekken.