In Rusland moet het roer om

De crisis na de gijzeling

De nasleep van het gijzelingsdrama in Beslan maakt duidelijk dat in Rusland het roer om gaat. President Poetin zei: «We hebben ons zwak getoond. En zwakken worden geslagen.»

Het woord valt herhaaldelijk: «Jullie». De oudere vrouw aan de andere kant van de telefoon is geen professionele analyticus. Ze is een gewone bejaarde Russin die elke dag één of meer journaals bekijkt en geabonneerd is op de Moskouse Avondbode en het weekblad Argumenten & Feiten. Dat «jullie» ontglipte haar niet per ongeluk. «Jullie» staat voor tegenstellingen die haar uit vroeger tijden nog vertrouwd zijn.

«Jullie» zijn niet alleen de Tsjetsjenen en hun terroristische handlangers. Tsjetsjenen zijn al langer vijanden. In de negentiende eeuw waren ze het, zij het dat ze door schrijvers als Lermontov (Held van onze tijd) aanvankelijk nog werden geromantiseerd als een gevaarlijk natuurvolkje. In 1944 werden ze het opnieuw, toen Jozef Stalin hen en masse naar Siberië deporteerde wegens «collaboratie» met de fascisten, een lot dat ook Koreanen, Wolgaduitsers, Kalmoeken, Balkaren, Ingoesjen, Karatsjajeven, Krimtataren en Mescheten tussen 1939 en 1945 ondergingen. Ze zijn het wederom geworden na december 1994, toen de eerste oorlog om de afgescheiden republiek begon. Die oorlog is uitgemond in een ongekende variant van guerrilla waarin niet langer «hit and run» maar blinde terreur hét wapen is om dood en verderf te zaaien onder de onschuldige burgers van de vermeende vijandelijke staat. Die oorlog is, cynisch gesproken, een eldorado geworden voor vele islamisten die zich laten inspireren door al-Qaeda en Bin Laden.

Nee, dé Tsjetsjenen waren niet het thema van de telefoongesprekken. Met «jullie» werd de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot bedoeld, die afgelopen weekeinde vanuit Valkenburg namens de Europese Unie zijn solidariteit betuigde en zich liet ontvallen dat het «op zo grote afstand erg moeilijk te beoordelen is of de Russen de juiste beslissing hebben genomen of niet». De vraag opperen was al een «belediging» van «onze» president, die zich juist «voortreffelijk» had gedragen tijdens de meer dan schofterige gijzelingsactie van ruim duizend kinderen en ouders in School nummer 1 in Beslan, een stadje in het oosten van Noord-Ossetië in de Kaukasus.

Zo dacht minister Sergej Lavrov van Buitenlandse Zaken er ook over. De opwinding was politiek gezien opmerkelijk. Op de eerste dag van de gijzeling had het Kremlin zelf immers de hulp ingeroepen van de Veiligheidsraad en de terreur op het eigen grondgebied dus geïnternationaliseerd. Minister Bot trok zijn woorden in, omdat hij over de ruggen van de honderden slachtoffers geen politiek wilde bedrijven. Maar dat bood geen soelaas meer.

Tot maandag. Niet alleen premier Jean-Pierre Raffarin van Frankrijk volgde het voetspoor van Bot. Ook in Moskou, waar dinsdag honderdduizenden mensen aan de voet van het Kremlin demonstreerden tegen het terrorisme, ging het binnenskamers over het «hoe» en «waarom». De «bestorming» van het schoolgebouw mocht dan niet zijn beraamd voor die vrijdag de derde september, ze voltrok zich toch. Volgens ex-president Roeslan Aoesjev van Ingoesjetië, die in de dagen daarvoor binnen de school contact had gehad met de terroristen en hun eisen onmiddellijk had overgedragen aan het Kremlin, was de ongeplande bevrijdingsoperatie het gevolg van een keten van toevalligheden. Toen kinderen probeerden te ontkomen, werden ze door gijzelnemers – waaronder volgens de autoriteiten negen Arabieren en één neger die op afstand werden geleid door de Tsjetsjeense krijgsheer Sjamil Basajev – in de rug neergeschoten. Gewapende burgers uit Beslan vuurden daarop terug, en wel voordat de «speciale een -he den» Alfa en Wimpel tot actie konden overgaan. Hoe was het mogelijk dat de school niet volledig was afgegrendeld voor deze civiele «schutters»? En waarom hadden de terroristen die volgens de justitiële databank veilig achter de tralies zaten – waanzinniger moet het niet worden – zo simpel met hun wapentuig vanuit Tsjetsjenië dwars door Ingoesjetië naar Noord-Ossetië kunnen rijden? Omdat er op de route geen politieman was te bekennen, aldus berichten in Moskou. «Kroniek van leugens» stond er maandag op de voorpagina van het boulevardblad Moskovskij Komsomolets. Dat kon niet onbeantwoord blijven.

Dat antwoord was daags na de gijzeling in Beslan al gegeven. Zaterdagmiddag sprak president Vladimir Poetin het Russische volk toe, nadat hij eerder voor een bliksembezoek in Beslan was geweest om de plaatselijke bevolking moreel te steunen. Zijn rede tot de natie bevatte uiteraard troostende woorden voor de slacht offers en nabestaanden van de gijzeling in Noord-Ossetië. Maar de speech ging vooral over politiek, over het verleden van Rusland en de toekomst van zijn regering. Poetin erkende dat een «maatschappij met georganiseerde en krachtdadige burgers» beter is opgewassen tegen terreur dan een slaafse samenleving. Maar voor het overige sprak hij eerst en vooral over «de staat». «Het allerbelangrijkste is de mobilisatie van de natie», omdat we «te maken hebben met een totale, indringende en over de hele linie gevoerde oorlog». Volgens Poetin is de ellende begonnen met de ontmanteling van de Sovjet-Unie, die «immense en grootse gigant» waarvan de kern nu Russische Federatie heet. Vanaf dat moment «zijn we opgehouden diepgaande aandacht te besteden aan de vraagstukken van verdediging en veiligheid, hebben we de rechterlijke en justitiële sferen door corruptie laten vergiftigen», aldus Poetin. «Ons land bleek in een enkel uur onbeschermd tegen het Westen en het Oosten. We hebben ons zwak getoond. En zwakken worden geslagen.» Rusland is het slachtoffer omdat «zij ons een stuk van de vette koek willen afpakken». Waarna zijn rede omineus werd, juist omdat Poetin niet in detail sprak: «En anderen helpen hen daarbij. Ze helpen omdat Rusland, als een van de grootste kernmachten, voor hen nog altijd een bedreiging is.»

Welke anderen? «Jullie» in het Westen? Of zij in het Zuiden, waar Rusland volgens de president toch niet onverdedigbaar is geworden? Hoe dan ook, koren op de molen van het aloude idee van velen in Rusland dat ze «omsingeld» zijn door vijandige krachten. Het roer gaat dus om. «In de nabije toekomst wordt een complex maatregelen voorbereid, gericht op de versterking van de eenheid van het land», komen er «nieuwe systemen en methodes om de situatie in de Noordelijke Kaukasus te controleren» als mede «een principieel nieuwe benadering van de activiteiten van de organen van recht en orde», kondigde Poetin aan.

Hij liet blijken zelf buiten schot te zullen blijven. Gezien de crisis ná de gijzeling is dat begrijpelijk. De meerderheid van de Russen smacht naar eenduidig leiderschap over een sterke staat. Gelet op het verleden zou enige zelfreflectie niet ongepast zijn. Anders dan George Bush, die op 11 september 2001 pas negen maanden in functie was, is Poetin nu al vijf jaar de hoogste machthebber in Rusland, eerst een half jaar als premier onder de kwijnende Jeltsin en sinds begin 2000 als staatshoofd. Daarvoor was hij bovendien ruim een jaar directeur van de staatsveiligheidsdienst FSB. Kortom, zes jaar in de frontlinie. Een openbaar onderzoek naar het begin én het einde van de gijzeling is niettemin uit den boze. Intern onderzoek is voldoende om de schuldigen te straffen, zei hij maandagnacht tegen The Guar dian. Een politieke opening naar andere Tsjetsjenen dan de clans die loyaal zijn aan Moskou en daarvoor worden beloond met een grote vrijheid om in Tsjetsjenië te doen en laten wat ze goeddunkt? Poetin gromde sarcastisch. «Waarom nodigen jullie Bin Laden niet uit in Brussel of het Witte Huis? Jullie zelf stellen grenzen aan het dealen met deze schoften. Waarom moeten wij dan praten met kindermoordenaars.»

Twee perspectieven doemen nu op. Ten eerste een verdere disciplinering van bovenaf van de toch al broze burgerlijke samenleving in Rusland. Afgelopen week uitten de consequenties daarvan zich in een klein incident. Zaterdag had de regeringsgezinde krant Izvestija, die in handen is van nikkelbaron Vladimir Potanin (tevens aandeelhouder van de Nederlandse bladenuitgeverij Independent Media in Moskou) de hele voorpagina ingeruimd voor een foto uit Beslan. Maandag stond hoofdredacteur Raf Sjakirov op straat. De editie had Potanin doen denken aan 22 juni, een verwijzing naar de dag na het begin van de Duitse inval in de Sovjet-Unie in 1941. Het ontslag van Sjakirov is een serieuzere indicatie over de ophanden zijnde machtsgreep van het Kremlin dan de wijze waarop twee journalistieke horzels (een journalist van Radio Liberty en verslaggever Anna Politovskaja van de oppositionele Novaja Gazeta) tijdens de gijzeling werden belet naar het zuiden te reizen. De eerste werd in Moskou gearresteerd wegens vandalisme – twee dronken mannen hadden hem op het vliegveld uitgedaagd – en de tweede werd op de vlucht naar Rostov aan de Don door een voedselvergiftiging dermate bevangen dat ze in coma in een ziekenhuis moest worden opgenomen. Anders dan Liberty en Novaja Gazeta doet de Izvestija er namelijk echt toe.

De aangekondigde sterke staat baart alleen een kleine groep in Moskou en andere grote steden zorgen. Deze minderheid weet dat als de leider zijn ondergeschikten in de machtsorganen één vinger geeft, ze de hele hand nemen. In de woorden van de patriottische parlementariër Gennadi Goedkov (tevens kolonel bij de staatsveiligheidsdienst FSB): behalve onverwijlde salarisverhoging voor de politie en de speciale diensten en een stevige opruiming onder «corrupte lieden met epauletten» staat nu het «herleven van de vroegere macht van de netwerken van inlichtingendiensten» op de agenda. Vladimir Ryzjkov (een onafhankelijke parlementariër in de Doema die voor de duvel en zijn oude moeder niet bang is) zei dan ook onmiddellijk: «We mogen deze hervormingen niet toevertrouwen aan FSB en Binnenlandse Strijdkrachten. De president zelf moet ze ter hand nemen, gesteund door de Doema.»

Ten tweede een ongecontroleerde escalatie in de Kaukasus, een gebied dat Rusland als het zijne beschouwt maar dat het afgelopen decennium van alle kanten wordt bestookt door machtsambities van derden omdat de regio rijk is aan olie, gas en pijplijnen én door de heterogeniteit van clans en volkeren relatief makkelijk is te penetreren. Niet alleen in Tsjetsjenië regeert het geweld. Ook in Ingoesjetië, Kabardino-Balkarië en Dagestan steken krijgsheren de kop op, al dan niet onder invloed van moslimfundamentalisme. Wie denkt dat de christelijke Osseten de terreur in Beslan onbeantwoord zullen laten, vergist zich.

De politicoloog Andrej Rjabov, medewerker van het Carnegie Centrum in Moskou, probeerde zaterdag in het dagblad Gazeta nog optimistisch te zijn: «De onverwachte nederlaag tijdens de Krimoorlog (1853-1856 – hs) werd voor Rusland een machtige impuls tot verandering. De liberalisering van alle sferen van het maatschappelijk leven en het staatsbestel was onvermijdelijk geworden, omdat iedereen toen begreep dat het beter was voor het land als de besluiten werden genomen na een meningenstrijd en werden uitgevoerd door competente en gewaardeerde ambtenaren.» Rjabov doelde op tsaar Alexan derII, «de bevrijder» die in 1855 op de troon kwam, vijf jaar later een einde aan de lijfeigenschap en een begin met industriële modernisering maakte, tot hij in 1881 werd vermoord. Maar zijn collega Aleksej Malasjenko kon zijn pessimisme niet verbergen: «De situatie is aanzienlijk tragischer en gevaarlijker dan tijdens Nord-Ost (de gijzeling van het musicaltheater in Moskou twee jaar geleden – hs).»

Tegen gevaar is in Rusland traditioneel één remedie: macht. Poetin wil die sterke staat en moet die ook willen, op straffe van de verkruimeling van zijn machtsbasis. De dominostenen zullen zich daardoor echter niet ervan laten weerhouden naar alle kanten om te vallen. «Jullie» spelen daarin geen rol.