Hoofdcommentaar: Frankrijk

De crisis van Frankrijk

Terwijl de meeste Franse sporters het in Sydney lieten afweten (afgezien van hardloopster Marie-José Pérec, die de concurrentie achter zich liet met een bliksemsnelle sprint naar het vliegveld) hebben de Franse kiezers zonder enige vorm van doping of sponsoring een nationaal record gebroken. De opkomst bij het referendum van afgelopen zondag was lager dan bij alle vorige volksraadplegingen sinds de komst van de Franse republiek. Minder dan eenderde van de kiezers maakte zich druk over de vraag of de ambtstermijn van de president moet worden teruggebracht van zeven naar vijf jaar. De rest nam niet de moeite om «tien minuten uit te trekken voor een gang naar de stembus», zoals Jacques Chirac had gevraagd.

Dit electorale dieptepunt werd door premier Jospin afgedaan met een schouderophalen: «Als er niets op het spel staat, is het moeilijk de mensen te mobiliseren.» Dat is waar, maar waarom heeft hij een referendum afgedwongen als er volgens hem niets op het spel stond? Grondwettelijk gezien was dat niet nodig; de vereiste meerderheden in beide kamers van de volksvertegenwoordiging waren voorhanden. Minister van Publieke Werken Michel Sapin liet weten dat zo'n parlementaire behandeling de voorkeur had verdiend: «Dat had ons een hoop gezeur over afnemende betrokkenheid bespaard.» Toch zullen de Franse politici dit probleem onder ogen moeten zien. De uitslag van het referendum is namelijk even omineus als het opkomstpercentage. Tweederde van eenderde van de kiezers heeft zich nu uitgesproken vóór verkorting van de presidentiële ambtstermijn, maar wat heeft die magere meerderheid eigenlijk teweeggebracht?

Het parlement krijgt een iets sterkere positie ten opzichte van de president, de spil van het Franse politieke stelsel sinds de grondwetswijziging van De Gaulle in 1958. Dat betekent een evenwichtiger machtsverdeling tussen de eerste en tweede macht, een resultaat dat naadloos aansluit bij het heersende wantrouwen tegen alle politieke machthebbers. Sinds de jaren tachtig is de cohabitation (samenwerking tussen regering en president van verschillende politieke signatuur) een vertrouwde figuur geworden in de Franse politiek. De doorsnee Fransman verwacht van politici allang geen oplossing van de nationale problemen meer, zo blijkt uit enquêtes. Hij vindt dat politici vooral elkaar in evenwicht moeten houden en liefst tijdig van zetel wisselen. De Gaulle hield in 1958 vast aan de zevenjarige ambtstermijn omdat een president naar zijn idee alleen iets tot stand kon brengen als hij langer «zat» dan het parlement. Nu overheerst de indruk dat een president niet te veel tijd moet krijgen om zichzelf en zijn bestuur lijk apparaat te laten corrumperen.

Viermaal eerder bleef het opkomstpercentage in Frankrijk onder de vijftig: bij de regionale verkiezingen en het referendum over Nieuw-Caledonië in 1988 en bij de Europese verkiezingen van 1989 en 1999. De laatste keer dat de Fransen in verkiezingstijd massaal in beweging kwamen was in 1981, toen François Mitterrand tot president werd gekozen. Sindsdien daalt de staatkundige betrokkenheid van de bevolking met sprongen. Het incivisme (gebrek aan burgerzin) is zo langzamerhand het enige politieke standpunt dat door de meerderheid wordt gedeeld. Tweederde van de burgers heeft geen vertrouwen meer in politici: ze zijn corrupt, machtsbelust en incompetent.

En dat zijn Franse politici inderdaad. Hun excessencatalogus van de laatste decennia is schier onafzienbaar, van hiv-besmet bloed tot Taiwanese smeergeldfregatten en van politieke zelfmoorden tot bomaanslagen op milieuactivisten. Ze stapelen politieke functies op elkaar of het niets is en het gemak waarmee ze leentjebuur bij elkaar spelen, tast hun laatste greintje geloofwaardigheid aan. De socialist Mitterrand «hervormde» de Franse staat op neoliberale leest, zijn gaullistische opvolger Chirac werd in 1995 gekozen met een programma dat overliep van sociale bewogenheid.

De lauwe ontvangst van het jongste politieke schandaal door de publieke opinie spreekt boekdelen. De persoonlijke betrokkenheid van Chirac bij de illegale financiering van zijn partij in de jaren tachtig en negentig verrast eigenlijk niemand meer. Frankrijk is allesbehalve een «tevreden democratie», zoals Chirac tot overmaat van kortzichtigheid afgelopen zondagavond vaststelde. Een democratie waarin niets meer op het spel staat afgezien van de verdeling van zetels en smeergelden, verkeert in diepe crisis.