De cultuur van de voortgang. wij leven in een cultuur waarin het beginsel van beweging de drijvende kracht is. de economie is de ware religie en totem van deze tijd.

Ton Lemaire was als cultuurfilosoof werkzaam op de Katholieke Universiteit Nijmegen, maar trok zich in 1989 terug op het Franse platteland. Dit essay is een bewerking van de lezing die hij 28 april hield in het kader van de serie De voortgang van de cultuur, georganiseerd door de Stichting Filosofia.
De moderne cultuur staat geheel in het teken van vooruitgang en voortgang. Rijk aan welvaart, arm aan spiritualiteit. Een pleidooi voor terugkeer naar de natuur en het archaische.

VOORTGANG VAN DE CULTUUR, niet vooruitgang is het onderwerp waarover ik gevraagd werd te schrijven. Het ontbreken van slechts twee letters maakt niettemin een wereld van verschil uit en het is over dit verschil dat ik wil nadenken. Zeer waarschijnlijk zou deze beschouwing een eeuw geleden nog onbekommerd ‘vooruitgang van de cultuur’ hebben geheten. Het zegt dus iets over onze tijd dat we nu de voorkeur geven aan het veel voorzichtiger en neutraler woord 'voortgang’. We weten dat de negentiende eeuw de eeuw is geweest van het vertrouwen in de Vooruitgang: vooruitgang in maatschappij en geschiedenis, in techniek en economie, in wetenschap en rationaliteit. In dit vooruitgangsgeloof manifesteert zich bij uitstek de geest van de moderne tijd en beschaving: een tijd en cultuur te zijn die streeft naar de vrije zelfverwerkelijking van de mens op aarde door de beheersing van de natuur en de maakbaarheid van maatschappij en geschiedenis. In een cultuur die haar geloof in een christelijk heil heeft verloren, fungeerde de hoop op aardse vooruitgang als een nieuwe mythe, de mythe van de moderniteit.
Maar de twintigste eeuw blijkt de eeuw te zijn geworden van een steeds grondiger twijfel aan deze mythe. Ondanks zijn verworvenheden hebben in deze eeuw immers diverse schokkende gebeurtenissen plaatsgevonden: barbaarsheden als nazisme en stalinisme, de twee wereldoorlogen, de dekolonisatie die Europa van haar hegemonie in de wereld beroofde. Ten gevolge van dit alles, gevoegd bij ontwikkelingen in wetenschappen en filosofie, hebben geleidelijk aan vormen van nihilisme, relativisme en scepticisme zich in ons bewustzijn genesteld. Zo heeft het stellige vertrouwen in de vooruitgang plaatsgemaakt voor een in brede kringen levende twijfel aan de Europese en de westerse cultuur, soms verbonden met het gevoel in een crisis van de cultuur of zelfs van haar ondergang te leven. Ooit was men progressief door in de Vooruitgang (progress) te vertrouwen; nu schijnen alleen conservatieven erin te geloven en is het progressief om sceptisch te zijn.
Toch heeft de gerezen twijfel niet verhinderd dat de Europese cultuur is voortgegaan op de weg die ze met de moderne tijd is ingeslagen. De ontwikkeling van met name techniek, economie en rationaliteit is niet gestagneerd, maar heeft zich - versneld - doorgezet. Deze voortgang was kennelijk mogelijk, ook toen de mythe van de vooruitgang die haar aanvankelijk droeg, aan inspirerende kracht had ingeboet. Zo is er inmiddels een maatschappij ontstaan met een hoge materiele welvaart, waarin produktie en consumptie, economisch rendement en technologische vernieuwing centraal staan. Het is een cultuur waarin het beginsel van beweging de drijvende kracht is. Begrippen als beweging, verandering, vernieuwing, ontwikkeling en groei bezitten voor ons een sterk positieve lading en zijn in staat veel mensen te mobiliseren. Het lijkt erop dat beweging an sich, beweging om de beweging, mobiliteit als zodanig onze tijd karakteriseert. De filosoof Sloterdijk spreekt van de 'kinetische utopie’ waarop de moderne cultuur is gebaseerd, met de auto als haar drager en symbool bij uitstek: 'das kultische Mitte einer kinetischen Weltreligion’.
Kortom, dat de mythe van de Vooruitgang aan geloofwaardigheid heeft verloren, verhindert niet dat de idee van voortgang en beweging ons nog steeds motiveert. En hebben we hiermee niet tegelijk een soort diagnose gevonden van de staat van onze cultuur? Wij, op het einde van deze eeuw, hebben het vertrouwen in een voortschrijdende bevrijding en vervolmaking van de mens verloren, terwijl de algehele mobilisering van het leven die terwille van die Vooruitgang in gang was gezet, gewoon doorgaat. Met andere woorden: de Vooruitgang is versmald en vervlakt tot voortgang, beweging om de beweging, produktie om de produktie, groei om de groei, zonder dat deze activiteiten hun zin ontlenen aan een dieper of hoger reikende waarde of ideaal.
DEZE STAND VAN ZAKEN maakt onze cultuur tweeslachtig en onzeker. Want enerzijds leven we nog steeds in een cultuur die wordt voortgedreven door een grote dynamiek en een dosis activisme, terwijl zij anderzijds niet langer een door allen of de meesten gedeeld cultuurideaal bezit. Dit verlies van een geheel van gedeelde waarden en ideeen weerspiegelt zich ook in de huidige positie van de intellectuelen. De hele vorige eeuw nog waren de intellectuelen de dragers en promotoren van het toenmalige cultuurideaal, met als brandpunt de idee van de Vooruitgang. De systemen van zulke verschillende denkers als Comte, Hegel, Marx en Spencer zijn - ieder op zijn manier - rationaliseringen (in de dubbele zin van het woord) van de geschiedenis als Vooruitgang.
In tegenstelling daarmee zijn intellectuelen tegenwoordig sceptici geworden en meesters in het wantrouwen jegens dergelijke omvattende vertogen. Men spant zich in om van ideeen en theorieen de taal-, tijd- en cultuurgebondenheid aan te tonen. Het denken in en van totaliteiten is verdacht omdat het vroeg of laat noodzakelijk tot totalitarisme zou leiden.
Het marxisme heeft de moderne mythe van de Vooruitgang nog het langst gekoesterd en enkele generaties westerse intellectuelen hebben zich eraan kunnen verwarmen. Maar sinds ook hiervan het ideologische gehalte is ontmaskerd en het zogenaamde reeel bestaande socialisme in elkaar is gestort, lijkt de intelligentsia weinig anders te resten dan ofwel pragmatisme ofwel relativisme, scepticisme en een vlucht in de eigen innerlijkheid. Ik zie in de onwil of het onvermogen van de huidige intellectuelen om zich uit te spreken over de zin of wenselijke richting van onze cultuur en geschiedenis een bedenkelijk symptoom van geesteliljke onzekerheid en malaise. De idee van de Vooruitgang is versleten en verbleekt en er is niets dat haar heeft vervangen. Ik ontwaar in onze cultuur een tragische disharmonie tussen haar geestelijke en haar economisch-technologische componenten. Het Westen heeft weliswaar een krachtige economie en een machtige techniek, die in een panische bedrijvigheid willen groeien, maar geen inspirerend geestelijk centrum, geen duidelijke en gedeelde waarden, geen spirituele kern. We zijn rijk en arm tegelijk.
BIJ DEZE DIAGNOSE van onze huidige cultuur kan een korte beschouwing over dat domein dat onze rijkdom voortbrengt, de economie dus, niet ontbreken. Elke samenleving bezit noodzakelijk een economisch systeem omdat mensen altijd en overal moeten werken, produceren en ruilen/uitwisselen om in hun behoeften te voorzien. Maar het is specifiek voor de moderne tijd om ten eerste economische bedrijvigheid in het brandpunt van de maatschappelijke interesse te plaatsen; ten tweede om de principes van deze bedrijvigheid (rendement, winst, nut) ook meer en meer toe te passen op andere, niet-economische domeinen van de cultuur; en ten derde om er een wetenschap van te maken die in onze samenleving meer en meer een centrale regulerende instantie wordt. In onze maatschappij heerst het primaat van het economische. We hebben de neiging om in bijna alles het economische als laatste maatstaf te nemen. Dit noem ik economisme: de verabsolutering en soms mystificatie van de economie. Dit is niet allen kenmerkend voor het kapitalisme, maar ook grotendeels voor socialisme en communisme, die op dit punt slechts varianten zijn van economisme.
Er is overigens een nauwe samenhang tussen de opkomst van het ecnomisch denken en de idee van de Vooruitgang. Economische vooruitgang door een steeds efficienter en rationeler economisch systeem - met op het eind de overvloed - was en is onderdeel van de algemene Vooruitgangsidee. Maar ongemerkt is men in de twintigste eeuw economische vooruitgang gaan gelijkstellen met Vooruitgang als zodanig. Nu, op dit moment, lijkt het wel of het economische domein alle hoop op Vooruitgang naar zich toe heeft getrokken. Economische groei, toename van produktie en ruil, hogere materiele welvaart lijken zo de versmalde vormen te zijn van wat de Verlichting ooit droomde als authentieke menselijke vrijheid en zelfverwerkelijking. Hierin bestaat precies het economisme en de economisering van de cultuur.
De noodzaak tot verhoging van produktie, van rationalisering en mechanisering, van rendement en nuttigheid worden vaak voorgesteld als een soort natuurwet. Terwijl ze alle in feite teruggaan tot culturele keuzen die aan het begin van de moderne tijd zijn gemaakt. Pas met de moderne tijd is de Europese mens zichzelf gaan opvatten als een wezen met oneindige behoeften en beperkte middelen, als een homo economicus dus, die uit is op zijn voordeel en rationeel zijn handelen plant. Uiteindelijk heeft deze oorspronkelijke keuze de cultuur opgeleverd waarin wij nu leven: een maatschappij waarin ’s-mensens behoeften en begeerten enorm zijn toegenomen, waarin grote materiele rijkdom heerst zonder dat de schaarste is overwonnen - want die is chronisch geworden; ze verplaatst zich namelijk met de voortgang van de behoeftenbevrediging.
Natuurlijk, het kan niet worden ontkend dat er veel tot stand is gebracht sinds twee eeuwen. Maar er zijn ook nieuwe, onvoorziene problemen bijgekomen die samenhangen met de wijze waarop die vooruitgang is bereikt. Ik denk aan het milieuprobleem, aan de omstandigheid dat steeds meer mensen zich overbodig gaan voelen (werklozen, ouderen, arbeidsongeschikten: we leven in een maatschappij die steeds meer overbodige mensen voortbrengt), een verzakelijking van de menselijke verhoudingen en ten slotte de sluipende infiltratie van onze cultuur door het economisme: de alomtegenwoordigheid van de reclame en haar infantilisering van taal en denken, de cultuur van de massaconsumptie, de verharding van de menselijke verhoudingen door de invloed van het geld.
Het project van de Verlichting is uitgemond in de welvaarts- en consumptiemaatschappij die wij nu kennen en de idee van vrije zelfverwerkelijking van het individu is versmald tot de idee van vrije consumptie. Natuurlijk, mensen hebben altijd geconsumeerd, maar pas in onze door economisme beheerste cultuur worden wij als 'consumenten zonder meer’ gedefinieerd en als zodanig benaderd. Consumptie heeft nu een centrale culturele betekenis gekregen. Consumptie is immers niet slechts een materieel proces, het bezit ook een symbolische dimensie. Produkten zijn ook tekens in een culturele code. Voeding, kleding, auto’s enzovoort zijn tevens middelen ter identificatie en ter onderscheiding van anderen. Trends en leefstijlen presenteren zich in en via vormen van consumptie, en een pluralistische cultuur als de onze drukt zich uit in een consumptief syncretisme. Het onderscheidende van onze cultuur is misschien niet eens zozeer haar materialisme, als wel het feit dat het economische en materiele domein zodanig dominant zijn geworden dat ze het ideologische en symbolische zijn binnengedrongen en in zich hebben opgezogen. We weten dat elke cultuur een specifieke bezetenheid en verblinding kent. Die van onze cultuur is waarschijnlijk de economie: dit is de ware religie en idolatrie van de moderne tijd. Het fetisjisme en totemisme dat antropologen bij andere volken meenden aan te treffen, is in onze tijd opgevolgd door een fetisjisme en totemisme van de waren en produkten.
Vooruitgang is dus gereduceerd tot voortgang. Die voortgang lijkt een zich verzelfstandigde beweging te zijn geworden die niet wordt geinspireerd door een uiteindelijk doel. Deze voortgang vindt zijn (voornaamste) uitdrukking in het ecnomisme en consumptisme van de hedendaagse cultuur. Twee vragen wil ik hier stellen. Ten eerste: gesteld dat mijn diagnose juist is, is het dan mogelijk - en wenselijk - om ons enigszins te bevrijden van de ban van het economisme? En ten tweede: is er een nieuwe cultuur mogelijk die niet langer in de ban is van Vooruitgang of voortgang?
Nu zijn er in onze samenleving grote aantallen mensen die op een of andere manier een onbehagen voelen in het materialisme, economisme en consumptisme van de hen omringende dominante cultuur. Ik noem heel kort - zonder volledigheid te pretenderen - enkele bewegingen waarin het afwijzen van de heersende cultuur zich manifesteert. Als eerste is daar de milieubeweging en de Groenen, die zijn uitgegroeid tot een brede beweging van protest tegen de gevolgen voor natuur, milieu, landschap en dus ook voor de mens van een cultuur van de vooruitgang/voortgang. Ik denk verder aan de belangstelling voor niet-westerse (niet-christelijke) vormen van religiositeit en spiritualiteit, en in het verlengde hiervan alles wat onder de term New Age wordt samengevat: een moeilijk ontwarbaar geheel van gnostische en esoterische, oosterse en parawetenschappelijke elementen. Ten slotte wijs ik op de snel gegroeide belangstelling voor allerlei alternatieve therapieen en paramedische praktijken, waaraan kennelijk behoefte is uit gebrek aan vertrouwen in de conventionele medische zorg en wetenschap, die al te zeer is aangepast aan aard en structuur van de moderne maatschappij en een lichaamsschema hanteert dat de mens losmaakt van zijn sociale, psychische, spirituele en kosmische dimensies. Ik interpreteer deze stromingen en bewegingen als vormen van protest (zij het soms slechts indirect of zijdelings) tegen een leefwijze, voelwijze en denkwijze die wordt opgedrongen door de cultuur van de voortgang, als weigering van een valse vooruitgang en een erkenning van die vermogens en dimensies die worden onderdrukt en miskend door de zogenaamde vooruitgang/voortgang. Kortom, als afwijzing van de quasi-rijkdom van de welvaartsmaatschappij.
MOETEN WIJ DEZE VERSCHIJNSELEN, deze bewegingen en ideeen opvatten als symptomen van een baanbrekende nieuwe cultuur, als geboorteweeen van een nieuwe tijd? Als het experimenteren met en aftasten van een nieuwe verhouding tot de natuur en de geschiedenis, als een andere houding tegenover het lichaam en de zintuiglijkheid, en ten slotte als een ander mensbeeld? Of gaat het veeleer om een achterhoedegevecht van diegenen die niet aangepast zijn of niet opgewassen tegen de dynamiek van de geavanceerde technologische en industriele samenleving? Die hun toevlucht zoeken in obscure en vergeten uithoeken van de moderniteit omdat ze niet in staat zijn om de onttovering van de wereld in een verwetenschappelijkte maatschappij te aanvaarden? Door het scherp stellen van deze vraag en van deze tegenstelling wil ik mijzelf dwingen tot het kiezen van een positie, tot het bekennen van (mijn) kleur. Ik ben inderdaad van mening dat een nieuwe cultuur zich mede moet laten inspireren door de tendensen en bewegingen die ik noemde, en dat er een herorientatie van onze cultuur nodig is die de cultuur van de voortgang en van valse vooruitgang afwijst. Om dit standpunt meer relief te geven, is het nodig een korte beschouwing te wijden aan de houding die onze cultuur aanneemt tegenover tijd en geschiedenis.
Het is bekend dat wij, modernen, vooral op het heden en de toekomst zijn gericht. Er heerst een soort actualisme: de overtuiging dat het actuele en hedendaagse een hoge waarde hebben, maar dat de actualiteit van morgen en overmorgen misschien nog interessanter is. Ik zie daarin een tendens tot overschatting van het heden, actuele, en dus tot onderschatting van het verleden. De algehele mobilisering van het leven in een rusteloze voortgang dwingt ons tot permanente verandering en vernieuwing. Maar wat vandaag nieuw is, is morgen al oud en overmorgen achterhaald. Het actualisme heeft dus tot gevolg een snelle veroudering en ontwaarding van ons doen en denken, kortom een permanente inflatie van ons leven. Juist in de mate dat we 'bij de tijd’ willen zijn, zullen de dingen en ideeen hun substantie verliezen en vervluchtigen: steeds sneller belanden ze op de afvalhoop van de geschiedenis. Daarom leven we ongemerkt in de terreur van de tijd. De moderniteit heeft kortom onze vergankelijkheid geradicaliseerd.
Maar laten we niet vergeten dat niet zozeer de tijd ons terroriseert, als wel een bepaalde houding die wij innemen tegenover de tijd, een bepaald idee van de geschiedenis. We hebben gezien dat de idee van de vooruitgang - versmald tot voortgang - ons tijdsbesef beheerst en ons is gaan terroriseren. De moderne mens heeft van het principe van de tijd de motor van zijn zelfrealisering gemaakt, maar deze door hem zelf op gang gebrachte dynamiek dreigt hem nu mee te sleuren. Het is zinvol te bedenken dat andere samenlevingen een heel ander tijdsbesef kennen. De oude Grieken bijvoorbeeld ervoeren de tijd heel anders; zij hadden niet alles gezet op de vooruitgang. Hun geschiedbesef was bijna het omgekeerde van het onze: voor hen was de tijd veeleer het principe van het verval van de dingen, die zich steeds verder verwijderen van een oorspronkelijke volmaakte toestand, al dan niet voorgesteld als een Gouden Tijdperk.
Nu is het niet mijn bedoeling om een soort terugkeer te bepleiten tot het tijdsbesef van de antieke Oudheid. Wel wil ik erop wijzen hoezeer ons moderne tijdsbesef cultuurbepaald is en uitzonderlijk in de geschiedenis van de mensheid. En vooral wil ik erop attenderen dat een zekere fascinatie met een andere verhouding tegenover de tijd in de moderne cultuur nooit is verdwenen. Al vroeg in de Verlichting is een interesse voor wat ik zou willen noemen 'het andere van de geschiedenis’, 'het andere in de Vooruitgang’ ontstaan. Dit andere van de moderne geschiedenis omvat twee dimensies, die overigens in elkaar kunnen overvloeien: de natuur en het archaische.
DIT ZIJN BEIDE de domeinen bij uitstek die worden vergeten of verdrongen in een cultuur van de Vooruitgang, maar waar de moderne maatschappij de natuur wil beheersen en transformeren, ontstaat juist ook het verlangen naar een nog niet vermenselijkte en beheerste natuur, dus naar 'pure’ natuur en wildernis. Nu is al vaak gebleken dat die ogenschijnlijk pure natuur of 'wildernis’ in werkelijkheid al was veranderd of aangetast door menselijke invloeden. En bovendien blijkt het streven naar contact en communicatie met die (quasi-)natuur zich gewoonlijk te uiten in cultuurbepaalde en stereotiepe vormen, die soms teruggrijpen op oudere vormen van omgang met de natuur. Dat neemt niet weg dat de behoefte om de natuur zelf als zodanig te ontmoeten, zich erin onder te dompelen als in een verfrissende bron, erin te regenereren van de vermoeienissen van de vooruitgang en voortgang, zich in steeds nieuwe golven manifesteert. En dit lijkt me niet alleen een heilzame verfrissing in een steeds meer verstedelijkt bestaan, maar vooral een manier om zich te herinneren dat in laatste instantie alle cultuur uit de natuur voortkomt, ervan afhankelijk blijft en ernaar zal terugkeren.
Het tweede domein dat ik noemde als dimensie van het andere van de geschiedenis is het archaische. Deze dimensie omvat alle cultuurelementen die maximaal verschillen van de moderniteit: het beslaat datgene wat de vooruitgang het verst achter zich lijkt te hebben gelaten, datgene wat tot het primitieve begin behoort van de geschiedenis, het oudste en dus ogenschijnlijk minst rationele en door de mens beheerste. Terwijl juist de hoofdstroom van onze beschaving de archaische wereld zo veel mogelijk heeft geweerd, verdrongen of getransformeerd - alsof ze datgene wil uitwissen waaruit ze ooit zelf is voortgekomen - blijft er aan de periferie toch een blijvende fascinatie voor het archaische. Ik denk daarbij aan de belangstelling voor mythologie, sprookjes, dromen, volksgeloof, magie, hekserij enzovoort. Ook in de twintigste eeuw is de toewending tot dit archaische andere van de geschiedenis een duidelijke component van onze cultuur. Ik denk daarbij onder andere aan het werk van wetenschappers en filosofen als Schopenhauer en Nietzsche, Freud en Jung, Heidegger en Bachelard, Eliade en Levi-Strauss en aan schrijvers als Thoreau, Hesse en Huxley. Bij hen allen ontwaar ik - zij het met grote onderlinge verschillen - het streven om de moderne wereld te helpen herinneren aan het andere van zichzelf, om haar vergeten en veronachtzaamde dimensie bewust te maken en in zichzelf te integreren.
In wetenschappen als archeologie, volkskunde, antropologie en in zekere zin de psychoanalyse wordt deze archaische dimensie empirisch bestudeerd. In musea, archieven en boeken wordt weliswaar het andere van de moderniteit, het nulpunt van de vooruitgang, bewaard en opgeborgen, maar het wordt daardoor tevens op afstand gehouden, tot curieus object of overblijfsel gemaakt - het wordt niet als levend element in onze traditie geincorporeerd. Het is zelfs in hoofdzaak de functie van deze wetenschappen om daarmee de identiteit van de moderne civilisatie te bevestigen en af te grenzen, om de wacht te houden bij de grens van het eigene en het andere. Ik wil hier een stap verder doen en de mogelijkheid suggereren dat herinnering aan en integratie van archaische elementen in de moderne wereld een kritische en therapeutische functie kan hebben. Het kan mijns inziens helpen om lacunes en eenzijdigheden van de moderniteit te overwinnen. En dit is mogelijk omdat het archaische niet iets is dat voorgoed achter ons ligt, zoals een al te rechtlijnig vooruitgangsgeloof ons heeft doen geloven, maar veeleer een permanente laag vormt in ons (on)bewuste; een dimensie die onder de heersende geschiedenis en de dominante cultuur is verdrongen, miskend of vergeten, maar wel degelijk ergens is blijven voortbestaan.
ER ZIJN VERSCHILLENDE voorbeelden te geven van de manier waarop dit archaische andere van de moderne geschiedenis in de moderne cultuur zijn invloed heeft doen gelden, zowel in de kunst, de filosofie en de religie - drie domeinen waarin de mythe van de voouitgang nooit helemaal heeft kunnen zegevieren.
De beeldende kunst van deze eeuw is niet denkbaar zonder de forse injectie met zogenoemde primitieve en prehistorische kunst. Kunstenaars als Picasso, Gauguin, Matisse en anderen interesseerden zich niet zomaar voor bijvoorbeeld Afrikaanse sculpturen en Indiaanse maskers; de ontmoeting met niet- westerse en archaische kunstvormen heeft doorgewerkt in heel hun oeuvre. De moderne kunst heeft daardoor diepe invloed ondergaan van primitivisme en exotisme. De twintigste- eeuwse kunst laat zien hoe weinig de idee van Vooruitgang van toepassing is op de voortgang van de kunst. Wie durft de prehistorische grottenkunst onbeholpen of kinderlijk te noemen? Kunstuitingen van alle tijden en culturen komen zodoende naast elkaar te staan, zijn elkaars tijdgenoten geworden. De huidige kunst laat zien hoe ze tegelijkertijd modern en archaisch durft te zijn.
Een ander voorbeeld geeft de filosofie. Daarin zijn denkers als Plato. Aristoteles, Bacon, Locke, Descartes en anderen eigenlijk steeds tijdgenoten gebleven, al zijn er uiteraard filosofische stromingen die ook de filosofie tot een strenge wetenschap willen maken die vroegere systemen voorgoed achter zich laat. In ieder geval kunnen we in de twintigste eeuw putten uit een grote rijkdom aan gedachten en theorieen die reeds in vroeger tijden zijn voortgebracht. Misschien is het wezenlijke al lang gezegd en gedacht en zoeken we de antwoorden op onze vragen in de verkeerde richting. Zo zijn juist in deze eeuw de presocratici, die bezig waren om de overgang van mythe naar wetenschap en wijsbegeerte te voltrekken, herontdekt en geherinterpreteerd, met name dank zij Heidegger. De mythen geven ons, modernen, nog steeds te denken. Klassieke mythen en mythische gestalten zijn ook in de moderne cultuur nog levend als culturele symbolen (al dan niet in wetenschappelijke theorieen) zoals Oidipous, Prometheus en Orpheus. Sommigen hebben zelfs gepleit voor een integratie van het mythisch bewustzijn in onze moderne cultuur om deze laatste te behoeden voor een eenzijdig en steriel rationalisme. De filosofie cirkelt, goed beschouwd, eigenlijk altijd om het 'begin’. Filosoferen is altijd zowel een steeds hernomen toewending naar haar eigen begin, als naar de mogelijkheidsvoorwaarden van doen en denken uberhaupt. Gedreven door verwondering om wat bestaat en dat het bestaat, is filosofie uiteindelijk een permanente waakzaamheid bij de bronnen of wortels van zin en zijn.
Een laatste voorbeeld ten slotte geeft de religie. Religie staat natuurlijk bij uitstek op gespannen voet met de idee van de Vooruitgang. Alle godsdiensten stellen een archaische dimensie present in het heden. De religieuze traditie is de meest taaie: het is de traditie par excellence in heel haar luister en beklemming. De moderniteit is, op basis van haar principe van Verlichting en Vooruitgang, natuurlijk volstrekt a- of antireligieus. Voor het eerst in de geschiedenis leven we nu in een maatschappij waarin de helft of meer van de bevolking onkerkelijk, agnost of atheist is. We leven ook daardoor in een samenleving die economisch en materieel rijk en spiritueel arm of onzeker is en deze toestand roept twee soorten reacties op. Enerzijds die van het fundamentalisme, een hernieuwde orthodoxie die zich vastklampt aan de eigen traditie in een verwarrende wereld. Anderzijds die van een zoeken buiten alle institutionele kaders om naar een eigen spirituele wereldbeschouwing en die daarbij put uit Europese esoterische stromingen en niet-westerse (Chinese, Indische, Indiaanse) systemen.
Opvallend is dat de milieucrisis een herwaardering heeft gestimuleerd van 'natuurgodsdiensten’ zoals de Indiaanse, en van boeddhisme en taoisme - niet in de laatste plaats vanwege hun natuurvriendelijke verhouding tot de wereld. Het christendom lijkt tekort te zijn geschoten in de zorg voor de planeet aarde en te weinig inspiratie te bieden om te kunnen gelden als religie in een ecologisch verantwoorde samenleving. Volgens sommigen moet zelfs de joods-christelijke traditie als een van de hoofdoorzaken worden gezien van de moderne vernietiging, exploitatie en vervuiling van de natuur. Deze traditie immers heeft sterk de transcendentie van God benadrukt, de opvatting dat het heilige, het goddelijke, niet in de natuur maar slechts daarbuiten en boven kan worden gevonden en vereerd. Daardoor is de wereld als het ware ter beschikking gekomen als neutraal materiaal voor menselijk gebruik. Het christendom is bovendien een sterk antropocentrische godsdienst, die de mens tot bekroning van de schepping maakt. De toewending tot een andere, archaische religiositeit en spiritualiteit zou ons kunnen inspireren tot een totaal andere, niet-antropocentrische natuurverhouding waarin de mens zich weer als deel van een kosmisch geheel ervaart.
IK HEB EEN DIAGNOSE gegeven van de staat van onze cultuur, een cultuur die gedesorienteerd is en in blinde voortgang lijkt te bewegen. Ik ben van mening dat een innerlijke transformatie van de moderne westerse beschaving nodig is om haar te bevrijden van economisme en cynisme, van consumptisme en scepticisme. Een nieuwe cultuur zou niet blindelings moeten voortgaan op de weg die zij met de moderne tijd en de mythe van de Voortuitgang is ingeslagen, maar zich moeten openstellen voor het 'andere’ van de geschiedenis: zich datgene proberen te herinneren wat juist door toedoen van de zogenaamde Vooruitgang is vergeten of onderdrukt. Wij zijn in een stadium gekomen dat we de grenzen en de gevaren gewaarworden van onze geciviliseerde identiteit die is gebouwd is op de transformatie en beheersing van dit archaische en de natuur. Voor werkelijke 'vooruitgang’ moeten we dus proberen datgene terug te winnen en te reincorporeren in onszelf dat juist aan de zogenaamde Vooruitgang was opgeofferd. Dan wordt de geschiedenis als het ware ingehaald, en kunnen we ontsnappen aan de zelfoverschatting en zelfverblinding van de huidige cultuur.