Joyce-imitator Dermod Lynskey viert Bloomsday in Duke Street, Dublin. Bloomsday is een viering van het leven van de Ierse schrijver James Joyce, jaarlijks op 16 juni, de dag dat zijn roman ‘Ulysses’ (1922) plaatsvindt, in 1904. Dublin, 16 juni 2021 © Niall Carson / Alamy Limited / ANP

‘Zal iemand zich deze dag herinneren?’ schrijft een moedeloze Joyce op 16 juni 1924 in een opschrijfboekje. Ja, is het antwoord op die vraag.

16 juni 1904 is de datum waarop Joyce zijn Ulysses laat afspelen. Het is een ongebruikelijk warme dag voor Ierland, maar verder gebeurt er niks bijzonders – er is geen oorlog, het is geen katholieke feestdag, er is niks dat van het alledaagse af zou kunnen leiden. Het is een gewone dag. Daarom duurt het ook een tijdje voordat je weet wat de datum is. Pas op een derde van het boek lezen we, als iemand een brief begint te typen: ‘Miss Dunne clicked on the keyboard: 16 June 1904.’

16 juni 1904 was ook, zo gaat het verhaal, de dag waarop Joyce zijn eerste afspraakje had met Nora Barnacle. Hij had haar een paar dagen eerder op straat staande gehouden (later zou hij zeggen dat ze zijn leven ‘was binnen geslenterd’) en ze spraken af elkaar op 14 juni weer te treffen. Nora kwam niet opdagen en Joyce schreef haar een gepikeerd briefje: ‘Misschien ben ik blind. Ik heb lang naar een hoofd met roodachtig bruin haar staan kijken en besloot dat het niet van jou was. Ontmoedigd ging ik weer naar huis. Ik zou graag weer een afspraak met je maken maar misschien wil je dat niet.’ Ze wilde wel en het is mogelijk, maar niet zeker, dat ze elkaar de 16e weer zagen. Wel zeker is dat Nora aan het eind van dat eerste afspraakje haar hand in Joyce’ broek stak en hem aftrok.

Dit is relevant, want Ulysses is niet alleen een literair meesterwerk, het is ook de viering van het menselijk lichaam in al zijn facetten. Ulysses verenigt het hoge met het lage, of beter: heft het onderscheid tussen de twee op, laat zien dat ze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Stephen Dedalus staat in zee te piesen terwijl hij mijmert over Oscar Wilde en in gedachten de woorden van Sint Ambrosius citeert, en waarom niet? Het past dat Joyce’ grote liefde begon met juist zo’n rommelige, wat puberale seksuele handeling en dat deze – deels – aan de basis ligt van Ulysses.

Want Nora’s vrijmoedige daad maakte een diepe indruk op Joyce. ‘Jij hebt een man van mij gemaakt’, zou hij haar later zeggen. Zijn seksuele ervaring was beperkt tot prostituees, hij was nooit eerder verliefd geweest. Kort na dat eerste afspraakje schreef hij dat hij haar intimiteit, waar zij zich achteraf voor geneerde, zag als een sacrament, dat de herinnering aan die avond hem vulde met ‘verwonderde vreugde’.

Het zou dus goed kunnen dat Joyce Ulysses inderdaad op 16 juni liet plaatsvinden als eerbetoon aan Nora. Er is geen ‘bewijs’ voor en hij heeft zelf nooit uitgelegd waarom hij juist deze dag koos voor zijn boek, maar hij vond data belangrijk en kon vreselijk sentimenteel zijn. Het is ook niet duidelijk of Nora zelf wist waarom Joyce Ulysses op de 16e situeerde. Toen een bevriende recensent het stel uitnodigde om, ter ere van wat toen nog geen Bloomsday heette, op 16 juni 1922 naar het ballet te gaan, vroeg Nora: ‘Waarom moet het per se op die dag?’ ‘Omdat’, antwoordde Joyce boos, ‘dat de dag is waarop that book is supposed to have taken place.’

Het zegt veel over 'Ulysses' dat mensen massaal naar Dublin afreizen om te zien waar het boek zich afspeelt

Vandaag de dag is Bloomsday volledig ingeburgerd in de literaire kalender. De officiële viering in Dublin trekt ieder jaar duizenden mensen – Dubliners, leden van de Joyce-cultus, toeristen. Ze hullen zich in Victoriaanse klederdracht – platte strohoedjes, wandelstokken – spelen scènes na uit Ulysses, eten niertjes in navolging van Bloom (Mr Leopold Bloom ate with relish the inner organs of beasts and fowls’), lezen elkaar passages voor uit het boek en drinken – ‘golden whiskey’, ‘wine of the country’, ‘froggreen wormwood’. (‘Could you make a hole in another pint?’ vraagt de ene Dubliner aan de andere in Ulysses. 'Could a swim duck?’ luidt het antwoord.)

Alcohol is onlosmakelijk verbonden met Bloomsday. Dat was het al op een van de allereerste vieringen, het beroemde ‘Déjeuner Ulysse’ van 1929, toen een stomdronken Samuel Beckett ergens buiten Parijs de Bloomsday-bus werd uitgezet omdat hij zich misdroeg (nee, zei Beckett later zelf, hij verliet de bus omdat hij daar zin in had), dat was op de eerste Ierse viering in 1954, toen een groepje Dublinese literati de omzwervingen van Stephen en Bloom wilden navolgen maar halverwege in een kroeg bleven hangen omdat ze te dronken waren om verder te gaan, en dat is het nog steeds. Zelfs de serieuze, wetenschappelijke congressen die ieder jaar rond Bloomsday worden georganiseerd ontaarden vaak in bacchanalen (niet voor niks worden ze ‘symposia’ genoemd, wat zowel congres als drinkgelag kan betekenen), met vele Joyce-relaties, Joyce-huwelijken, Joyce-kinderen, Joyce-affaires en Joyce-echtscheidingen tot gevolg.

De nauwe band tussen zuipen en Bloomsday is ironisch als je bedenkt dat Leopold Bloom een van de weinige personages uit Ulysses is die aan het eind van de dag nog nuchter is – 'God Almighty couldn’t make him drunk’, zegt iemand over Bloom. ‘Slips off when the fun gets too hot.’ Maar het past de schepper van het boek, die net als veel van de Bloomsday-gangers ook graag de bloemetjes buiten zette.

Over Bloomsday wordt veel gemopperd. Laat al die Guinness drinkende feestgangers liever eens Het Boek lezen, brommen bittere intellectuelen ieder jaar weer, of: Joyce zou zich omdraaien in zijn graf bij het zien van dit ordinaire spektakel – dat soort dingen. Maar Joyce was een onvermoeibaar propagandist van zijn eigen oeuvre en reageerde verheugd toen mensen zijn boek begonnen te vieren. Een paar weken na de moedeloze aantekening die ik hierboven citeerde schreef hij tevreden aan een vriendin: ‘Er is een groep mensen die Bloomsday, zoals ze het noemen, in acht nemen – 16 juni.’ Op foto’s van de Dejeuner Ulysse zit Joyce pontificaal in het midden van het gezelschap.

Waar hij misschien wel moeite mee gehad zou hebben, is het heilig verklaren van zijn boek. Hij was tegen het verafgoden van schrijvers: ‘In dat soort gevallen’, zei hij eens in een lezing, ‘toont men bij voorkeur goedgeefsheid door het plaatsen van standbeelden, want die eren de doden terwijl ze de levenden flatteren en hebben als bijkomend voordeel hun onherroepelijkheid, aangezien een standbeeld de meest effectieve manier is om de overledene voor altijd tot de vergetelheid te doemen.’ (Van Joyce zelf bestaan inmiddels ontelbaar veel standbeelden.) Toen een jongeman eens aan Joyce vroeg: ‘Mag ik de hand kussen die Ulysses heeft geschreven?’ was het antwoord: ‘Nee, mijn hand heeft ook nog een heleboel andere dingen gedaan.’

Toegegeven: Bloomsday heeft een hoog Koningsdag-gehalte, het is een feest waarop de Ierse middenstand lachend zijn zakken vult. Maar het zegt veel over Ulysses dat mensen massaal naar Dublin afreizen om te zien waar het boek zich afspeelt, om in de voetstappen van de hoofdpersonen te lopen. Het zegt veel over Ulysses dat op 16 juni overal ter wereld – in New York en Tokio en Praag en Rio de Janeiro en Wichita, Kansas – liefhebbers bijeen komen om elkaar voor te lezen uit Joyce’ boek. En is het niet verfrissend dat er eens stil wordt gestaan bij een datum niet omdat een ongekozen staatshoofd zijn verjaardag viert, of omdat een geïnstitutionaliseerde religie het voorschrijft, of om het einde van een oorlog te herdenken, maar enkel en alleen omdat een armlastige, anarchistische schrijver zijn boek op die dag heeft gesitueerd? Omdat op die dag twee gewone mannen in een slaperige provinciestad samen een nachtelijk kopje ‘Epps’s soluble cocoa’ gedronken hebben? Omdat op die dag Nora Barnacle haar hand in de broek van James Joyce gestoken heeft?

Bloomsday is een subversieve feestdag en daarom blijven we het vieren, al honderd jaar lang.