Edna O’Brien over slimme mannen, tragische vrouwen, Ierland en angst

De dame, de boer en de schrijfster

Edna O’Brien, voor wie lezen en schrijven altijd steunpilaren zijn geweest, zwoer dat ze nooit haar memoires zou schrijven. Ze verschenen toch, deze week in het Nederlands. Twee zielen in haar borst strijden al een leven lang om voorrang. ‘Ik kom van een vurig volk.’

Edna O'Brien, Een meisje van buiten, € 19,90
Country Girl, A memoir, € 14,95

Medium 9789023478447

De van oorsprong Ierse schrijfster Edna O’Brien is een van die zeldzame schrijvers die net zo intelligent en begeesterend over de liefde als over het terrorisme kunnen schrijven, om maar wat te noemen. Die kan uitpakken over hunkerende boeren, weke soldaten en drachtig vee, harige vloerkleden en bedauwde velden. Misschien is het iets Iers; James Joyce en Anne Enright zijn duidelijk verwant, in hun weidse blik die tegelijkertijd zo concreet is, in hun lyrische taal en grillige composities. Elegante, weerbarstige literatuur die de gedurfde thematiek van haar werk bijna zou doen vergeten, ware het niet dat de receptie van haar romans en verhalen er eentje is van verguizing, verbod, schandaal.

Bekend en beroemd, en in eigen land in de ban gedaan, werd O’Brien meteen al met haar debuut, de trilogie The Country Girls (1960), over lustige meisjes, gevangen tussen verlangen en geloof. Verzwolgen door menige tiener, en sinds het jaar van verschijnen nog immer populair. Andere hoogtepunten in haar oeuvre zijn Johnny I Hardly Knew You (1977), over een vrouw die in de gevangenis belandt nadat ze haar minnaar heeft vermoord, de verhalenbundel The Love Object (1968) met daarin onder meer het onvergetelijke verhaal over een vrouw met zwemangst, en de roman The House of Splendid Isolation (1994), waarin ze een parallelle geschiedenis van verboden liefde uit de doeken doet, die tussen een meisje en een pastoor, en een getrouwde vrouw en een ira-soldaat die bij haar ondergedoken zit.

O’Brien is uniek zoals ze het menselijk streven, grootse verlangens, kleine misverstanden, liefde en seks, altijd in een vanzelfsprekend maatschappelijke en politieke context plaatst. In Down by the River (1996) schreef ze over een beruchte Ierse abortusaffaire, en in In the Forest (2002) op een empathische manier over een jonge moordenaar en zijn treurige jeugd in tuchthuizen en kerkelijke instellingen. Té empathisch, vond de Ierse pers.

Nooit zou ze haar memoires schrijven, al verscheen reeds in 1976 toch een soort voorproefje in de vorm van Mother Ireland, met een opwekkend motto dat ze aan landgenoot Samuel Beckett ontleende: ‘Laten we voordat ik verderga zeggen dat ik niemand vergeef. Ik wens iedereen een gruwelijk leven toe in de vlammen van de ijzige hel en in de walgelijke generaties die nog komen.’

Edna O’Brien is een beetje een heks. Zoals iedere schrijfster dat waarschijnlijk een beetje moet durven zijn. Een indrukwekkende heks, zoals ze daar in de foyer van hotel Des Indes komt aangeschreden, geheel in het zwart, met weelderig rood haar en zorgvuldig aangebrachte donkere lippenstift. Ze is kortademig, en heeft last van haar rug, maar is op geen enkele manier een oude vrouw met haar 82 jaren. En ze weet goed voor zich te laten zorgen door het bedienend personeel, dat kussens opschudt, het bankje aanschuift, koffie schenkt, een telefoon­oplader voor haar zoekt. Ze is allercharmantst, dat scheelt. Ze heeft ook een mooie stem, diep en melodieus, en ze buigt zich geregeld naar voren, pakt mijn arm vast, om haar bezwerende woorden kracht bij te zetten. Bijvoorbeeld dat het ‘bad luck’ zou betekenen als ze nu al wat zou zeggen over haar nieuwe roman, waarvan ik had begrepen dat ze daarvoor nu research aan het doen was, in Den Haag nog wel.

‘Begrijp je’, zegt ze. ‘Het is allemaal zo precair.’

Ik begrijp het. Natuurlijk.

Maar eerst wil ze van alles van mij weten. Of ik een man heb, en kinderen. Waar ik woon, en hoe ver dat is. Of Uppsala nog verder is. O. Waar Zweden dan ligt. Wat het Nederlandse woord voor ‘newspaper’ is. Ik moet het voor haar opschrijven. Welke kranten belangrijk zijn hier. Ze zegt me alles na, duidelijk articulerend, en weet zeker dat ze het nu nooit meer vergeet. K r a n t.

In Country Girl, haar memoir, dat deze week in Nederlandse vertaling verschijnt onder de titel Een meisje van buiten, beschrijft ze hoezeer schrijven en lezen altijd de steunpilaren in haar leven waren. En ook dat ze gezworen had nooit haar memoires te zullen gaan schrijven. Maar toen ze vijf jaar geleden op de juiste plek de geur van zelfgebakken brood rook, was het alsof er iets onvermijdelijks in gang werd gezet. Maar ook, vertelt ze me nu, wilde ze een eventuele biograaf vóór zijn, en nog wat corrigerend werk verrichten. Het heersende beeld van haar is dat ze ‘wild, glamourous, scandalous’ zou zijn. En dat klopt niet, zegt ze, me indringend aankijkend. Ze zien je op feesten, maar ze hebben geen idee van je innerlijke leven. ‘Ik ken de waarheid.’

Even ziet ze eruit als een waarzegster.

Wat is de waarheid dan, vraag ik meteen maar.

Ze wijdt uit over Tolstoj, wiens autobiografie haar grote voorbeeld was. ‘Hij neemt je mee met iedere voetstap die hij in de sneeuw achterliet, iedere sneeuwbal die hij gooide.’ Met de lyrische manier waarop hij zijn jeugdjaren evoceert, voelt zij zich verwant. De ‘particularity’, daar gaat het haar om. En natuurlijk is waarheid dan een artistieke waarheid. Het stof op de vloer in hun vroegere woonkamer dat je bij een bepaalde lichtinval kon zien, de trapleuning in het huis van haar oma waar ze haar hand overheen liet glijden – mijn onderarm doet even dienst als trapleuning –, de manier waarop haar oma de melk opklopte tot schuim. Het voldoet niet om te zeggen: mijn ouders waren arm. Zij wil ‘naar binnen’, ‘get to the inside, you know what I mean, to the inside’. Ze slist er een beetje bij.

Die tocht naar binnen maakte van het opschrijven van haar herinneringen een niet onverdeeld aangename bezigheid. Het herbeleven ging gepaard met pijn. In het eerste deel gaat ze terug naar het Ierse platteland van haar jeugd die doordesemd was van de bijbelse verhalen, haar eerste schrijfsels op achtjarige leeftijd, de eerste verliefdheid, op een non. Twee zielen in haar borst strijden al een leven lang permanent om voorrang, terug te voeren op de grootouders van beide kanten: de dame en de boer, oftewel de ‘lady’ en de ‘peasant’.

‘Ik kom van een vurig volk.’

Als piepjong meisje vertrok ze naar Dublin om in een apotheek te gaan werken, en daarnaast braaf de vierjarige apothekers- en opticienopleiding te volgen. Via een familielid weet ze dan ook al een wekelijks stukje te slijten bij het blad van de spoorwegen. In de boekwinkel koopt ze het werk van James Joyce, en maakt er een gewoonte van te oefenen met schrijven door zijn zinnen over te schrijven, eindeloos. De ontmaagding door een krantenredacteur is de volgende onvermijdelijke stap: ‘Ik moest deze dierlijke initiatie verduren om het pad van de ware liefde te kunnen bewandelen.’

Die ware liefde denkt ze te vinden in de veel oudere Tsjechische schrijver Ernest Gebler, met wie ze, 23 jaar oud en zwanger, trouwt en naar Londen verhuist. In feite betekent dit voorgoed haar vertrek uit Ierland. Wat iets anders is dan dat ze het land achter zich heeft gelaten.

‘Ierland is mijn botten, mijn vlees, mijn geest.’

Wat ook niet anders kan, want ze begon in Londen onmiddellijk met over Ierland te schrijven, en daar is ze ook nooit meer mee opgehouden. In het begin tegen de klippen op, met twee zoontjes, en een man die tegen haar zei: ‘Je kan schrijven en dat vergeef ik je nooit.’ En een moeder die haar liever als receptioniste had gezien.

‘Mijn moeder was bang voor de schrijver in mij’, vertelt ze. ‘Haar standaarduitdrukking was: papier weigert geen inkt. Wat zij dus bedoelde als negatief.’

En inderdaad: de woorden tuimelden naar buiten, zonder rem. ‘Ik heb veel gehuild tijdens het schrijven van The Country Girls.’

In haar memoir benadrukt ze ook een paar keer dat dát het is wat zo mysterieus is aan het schrijven: dat het voortkomt uit pijn.

‘Het enige wat ik altijd gewild heb, denk ik, is mijn angsten aan iemand te kunnen vertellen, zodat de daarin opgesloten muziek zou vrijkomen. Er waren zoveel ikken.’

Of ze er nooit aan heeft gedacht om te stoppen met schrijven, vraag ik, in navolging van haar goede vriend Philip Roth die ze nog kent uit de tijd dat hij met Claire Bloom ook in Londen woonde. In haar memoires noemt ze hem ‘de grappigste man ter wereld’.

‘Ik ben net nog in Newark geweest, om zijn tachtigste verjaardag te vieren. Ik ben zo jaloers op hem. Hij leest, hij zwemt, hij heeft etentjes met vrienden. Hij heeft bewerkstelligd wat T.S. Eliot al als ideaal omschreef: I read most night and go silent in the winter. Hij kan het zich veroorloven om te stoppen.’

Zij moet haar winkel open houden, haar boeken aan de man brengen, toch nog een keer in het Duits vertaald zien te worden bijvoorbeeld. ‘A serious woman artist still has to fight her way in the marketplace’, zegt ze.

Is dat dan anders voor een ‘woman artist’? vraag ik.

‘Weet je wat het is met vrouwen en schrijven?’ Ze buigt zich weer voorover, gaat het in mijn oor fluisteren: ‘Een vrouw wordt op een andere manier gelezen.’

Het stemt haar bitter nooit op de shortlist van de Man Booker Prize, de belangrijkste Engelse literaire onderscheiding, terecht te zijn gekomen.

‘Mannelijke schrijvers hebben sowieso de steun van hun vrouw,’ vervolgt ze. ‘Een vrouw heeft dat niet. Eerder het tegenovergestelde.’

Strijdvaardig: ‘I am still there, in that horse race.’

Ik moet denken aan wat Roth ooit tegen haar zei, toen hij haar interviewde. Dat ze een Leonard Woolf zou moeten zien te vinden. En dat zij toen antwoordde: ‘Ik wil geen Leonard Woolf. Ik wil een combinatie van Lord Byron en Leonard Woolf.’

Daar begint de ellende natuurlijk al.

De laatste keer dat ze verliefd was?

Na lang nadenken: ‘Zo’n twintig jaar geleden. Ik ben nu al lang alleen. Ik woon alleen, werk alleen, reis alleen.’

Het tweede deel van haar memoir is het wereldse deel, verhaalt over de feesten en partijen, de swingende jaren zestig. Ze gaat scheiden – ‘het huwelijkse leven was een straf’ – haar zonen gaan naar kostschool, zij heeft minnaars, onder wie Robert Mitchum. Ze wil er niet al te veel goeie sier mee maken, maar ze kende ze wel allemaal: Paul McCartney, Marianne Faithful, Richard Burton, Marlon Brando. Ze krijgt het verzoek een vervolg te schrijven op L’Histoire d’O, de beroemde scandaleuze sm-roman, waarmee Vijftig tinten grijs niet eens in één zin genoemd mag worden. Het lukte niet.

‘Ik heb het geprobeerd. En ik kwam erachter: een boek moet ergens vandaan komen. A book has to come from inside you. Ik kon de sleutel niet vinden. En als je die niet kunt vinden, dan schrijf je maar wat. Toen ik In the Forest schreef zat ik in de geest van een moordenaar. Hoe kon ik het schrijven, kun je je afvragen. Het was ook moeilijk om mee te leven, met dat boek. Toch was er een sleutel, waarmee ik me kon identificeren. De gekte van de man, het offer van de vrouw. Ik ben het helemaal eens met Joyce die zei: “The meaning of a work of art is from how deep a source is.”’

Wat mij weer doet denken aan hoe zij, wederom in gesprek met Roth, het schrijven op zich definieerde als ‘van niets iets zien te maken’, en dat dat niet anders dan met extreme angst gepaard kan gaan. Als ik haar daaraan herinner, zegt ze dat je nooit over die angst heen komt. ‘The fear is the fear is the fear.’

Ze raadt me in dit verband aan de verhalen van Hemingway te lezen.

‘Hemingway en Woolf schreven vanuit eenzelfde soort angst; alsof in de andere kamer een dier op hen stond te wachten. Zonder angst kan een werk knap zijn, zoals Tristam Shandy, maar niet meer dan dat.’

Shakespeare staat voor haar boven alles, daarna komt Joyce. Van de vrouwen: de Brontës, Emily Dickinson, Sylvia Plath.

Het derde deel van haar memoires is het reflectieve deel, waarin ze terugblikt op haar schrijverschap op een heel losse, meanderende manier. In het begin verblijft ze op Mallorca, om aan een boek te werken. Heel eerlijk beschrijft ze hoe het werken aan dat boek eigenlijk het uitstellen van de paniek is om aan het boek te beginnen dat ze wilde schrijven, maar ook weer níet wilde schrijven. ‘Het doen van research voor een roman is een glorieuze tijd. Het stelt uit, en het stelt gerust.’

Als ze daarna in New York, tijdens een schrijverscongres aan de universiteit, Norman Mailer tegen het lijf loopt zegt hij tegen haar: ‘Weet je wat het probleem met jou is? Jij bent te veel binnenkant.’

En passant schetst O’Brien trefzeker het verschil in tragiek tussen Marilyn Monroe en Jackie Onassis. Het onschuldige meisje dat in Marilyn Monroe schuilging, raakte tot in het diepst van haar ziel gekwetst. Jackie Onassis was het tegenovergestelde: zij zag het leven door een roze bril, en toen zij het leven verliet was die droom nog intact. Wie zijzelf is lijkt evident, maar met Jackie raakte ze goed bevriend.

Belangrijk momentum in haar schrijverscarrière: de lsd-trip die ze in 1970 ondernam samen met R.D. Laing, de bekende Schotse antipsychiater. Dankzij de lsd werd het laatste laagje vernis van haar fatsoen afgeschuurd. Met de nodige gevolgen voor zowel haar liefdesleven als voor haar werk.

Philip Roth durfde haar de vraag te stellen die ik nooit zou durven stellen: waarom ze zoveel liefdesverhalen heeft geschreven.

‘Misschien was mijn verlangen naar liefde te hevig om te passen in het alledaagse leven.’

Uit de mond van een ander zou die uitspraak heel hysterisch klinken, net zoals O’Briens liefdesverhalen bij een andere penvoering misschien hysterisch zouden zijn. Wat O’Brien altijd overal bovenuit doet stijgen, is de ernst waarmee ze écht iets wil onderzoeken. Aan Roth vertelde ze destijds, in 1984, dat de liefde voor haar het geloof had vervangen wat betreft het hartstochtelijk in iets opgaan. ‘Toen ik op zoek ging naar aardse liefde, oftewel seks, had ik het gevoel dat ik mezelf afsneed van God. Door de mantel van het geloof aan te trekken, nam seks nogal onwaarschijnlijke proporties aan. Het werd het centrale punt in mijn leven, het doel. Ik was erg ontvankelijk voor het Heatchcliff/Mr. Rochester-syndroom. Seks bleef voor mij verbonden met geheimen, met elementen van mysterie en roof. Het dagelijks leven en het seksuele leven werden nooit een geheel.’

Die spagaat is een belangrijk thema in het werk van O’Brien. Waarom deze man, laat ze een van haar romanpersonages zich afvragen, waarom niet een ander. Antwoord: zijn karakter en gezichten pasten in een hersenloze droom van haar.

Met een zekere opluchting lijkt ze nu in een fase van haar leven aanbeland waarin ze niet meer, zoals zij dat noemt, op die liefdestrampoline hoeft te springen. Al beseft ze dat vooral als ze de Britse acteur Jude Law ontmoet, en bij het afscheid door hem wordt gekust. Bij die tedere aanraking blijkt het Heatchcliff/Mr. Rochester-syndroom toch nog gevaarlijk dicht onder het oppervlak een sluimerend bestaan te leiden.

‘Ik ontmoette hem bij kennissen. Hij is niet alleen heel knap, maar ook nog eens slim. Begrijp je wat ik bedoel? Ik bedoel: echt slim. He knows things. Ik was erg van hem in de ban. Toen ik over hem vertelde, zei een vriendin: schrijf hem dan een brief.’

En? vraag ik. Haar ogen twinkelen, haar stem zakt nog een paar octaven.

‘Voor ik hier naartoe ging heb ik de brief aan hem op de post gedaan.’

Country Girl is opgedragen aan haar ‘warrior sons’. ‘Omdat ze een moeilijke tijd hebben gehad,’ vertelt ze. Na de scheiding van haar man hebben ze eindeloos strijd gevoerd over Carlo en Sasha, de twee jongens. Ze heeft het hier ook uitvoerig over in haar memoires. Het gaat nu goed met hen allebei, de een is architect en de ander schrijver.

‘De schrijver leest mijn boeken, de ander leest nooit. Wat me vooral goed deed was dat hij het einde zo goed vond. Hij snapte ook wat ik ermee wilde zeggen, terwijl een aantal meelezers moeite had om het te begrijpen.’

Op die laatste pagina’s beschrijft ze hoe ze voor het eerst in haar leven een driedimensionale film bekijkt in de bioscoop, Cave of Forgotten Dreams, van Werner Herzog. De filmmaker wijst op de afdrukken van voetstappen in de grot, die van een man en een vrouw, en vraagt zich hardop af of die gezamenlijke voetstappen wijzen op een verbond of juist op een strijd. Daarna werpt hij nog een andere gedachte op: aangezien die grot nogal wat veranderingen heeft doorstaan, zouden het ook wel eens voetafdrukken kunnen zijn waartussen wel duizend jaar verschil zit.

‘Ik zat in de bioscoop, met dat driedimensionale brilletje op, en slaakte echt hardop een kreet. Dit kan niet waar zijn, dacht ik. Het was zo’n sterk verlangen van mezelf waarmee ik plotseling werd geconfronteerd. Ik wilde niet dat ze duizenden jaren van elkaar verwijderd waren, deze man en deze vrouw, ik wilde dat ze samen waren.’

Later helpt iemand anders haar ook uit deze droom: of ze dan niet begrepen had dat het de voetstappen waren van een wolf en een kind, en helemaal niet van een man en een vrouw.

‘Het punt is,’ zegt ze. ‘Ik stond ervan te kijken hoe graag ik wilde dat het de voetstappen van een man en een vrouw waren. Ondanks alles, ondanks mijn geschiedenis, mijn angsten, mijn obsessies, mijn op zoveel pijn verworven inzichten, bleek ik toch nog diep in mijn hart te verlangen naar het oude Adam en Eva-verhaal.’

Zoals ook het katholieke meisje in haar kennelijk nooit helemaal verdwenen is. ‘God bless you love’, wuift ze me ten afscheid, God bless you.


Edna O’Brien, Country Girl: A Memoir. Faber and Faber, 320 blz., € 18,99. Vanaf deze week ook verkrijgbaar als: Een meisje van buiten. Vertaald uit het Engels door Molly van Gelder. De Bezige Bij, 400 blz., € 24,90