De dame van de thee

HELLA HAASSE was nog een meisje toen ze Jan van Lelyveld ontmoette. Ze voelde zich ‘onweerstaanbaar tot hem aangetrokken. 'Hij was het stille water met diepe gronden, dat ik nooit zou kunnen peilen’, schrijft ze over hem in Zwanen schieten, haar laatste boek. Jan van Lelyveld is al zestig jaar haar levensgezel en beste lezer.

Hij zit in de studeerkamer van het huis vlak bij het Leidseplein. Aan de muur portretten van kinderen en kleinkinderen. Naast de boekenkast hangt een foto van zijn echtgenote uit de jaren veertig, ze lijkt op een filmster. Hella Haasse werkt in de huiskamer. Tot voor kort schreef ze met de hand, nu probeert ze het op een laptop. Haar Bentinck-boeken worden vertaald, en daarvoor is ze de oorspronkelijke, oud-Franse brieven van mevrouw Bentinck aan het overtikken.
Overal in huis staan bloemen, nog van haar verjaardag. Ze is opgelucht, zegt ze, dat haar man en niet zijzelf over haar zal praten. ‘Ik heb al zoveel over mezelf gezegd, ik weet echt niet wat ik nog moet vertellen.’
De studeerkamerdeur is nog geen kwartier dicht, of ze klopt schuchter aan: of het bezoek echt geen trek heeft in een kopje thee.
Ze was zó mooi, zegt Jan van Lelyveld als de deur weer dicht is. Zo'n mooi meisje. Twintig was hij, toen hij haar voor het eerst zag tijdens een pianoconcert in het Concertgebouw in Amsterdam. Zij was studente Scandinavische talen en letteren, hij studeerde geschiedenis. Ze wisselden geen woord, toen. 'Maar ik wist dat ze Hella Haasse heette, ze was een bekendheid in de studentenwereld.’
Haasse studeerde nog maar net in Nederland, vrijwel haar hele jeugd woonde ze in Indië. Daar ging ze ook naar het gymnasium. 'Met zeventien zelfgemaakte baljurken kwam ze hier’, zegt Van Lelyveld. 'In Indië was er vaak op zondagmiddag live music met dansen in het zwembad, en elke zaterdagavond wel een feestje. Ik fantaseerde daarover. Dat exuberante klimaat leek me heel erotisch. Ik dacht: ze zal wel veel ervaring hebben met jongelieden. Dat was niet het geval. De Hollanders in Indië waren nog behoudender dan wij.’
PAS IN HET najaar van 1940, anderhalf jaar na hun toevallige ontmoeting in het Concertgebouw, durfde hij haar mee te vragen naar een toneelvoorstelling, Peer Gynt. 'Het was meteen aan tussen ons. Raadselachtig, maar het klikte. We hielden allebei van lezen, van muziek, van schrijven.’
Van Lelyveld was redacteur bij het studentenblad Propria Cures en hij vroeg Haasse in de redactie. 'Ik vond dat ze een uitgesproken talent had om te schrijven.’ Hij citeert een gedicht uit de bundel Stroomversnelling. 'Dit gedicht las ik in de Studentenalmanak, ze schreef het voor ze mij kende. Strak van vorm. Ritmisch. Prachtig.’
Zelf schreef hij verhalen, onder pseudoniem. 'Als jongeman van die leeftijd heb je het idee dat je iets voorstelt. Nee, concurreren met Hella wilde ik niet, nog steeds niet. Alleen al de gedachte daaraan is weerzinwekkend. Die schrijverij van mij was best aardig, maar ik heb nooit de ambitie gehad om schrijver te worden. Laatst heb ik wat teruggelezen, heel anders dan Hella’s werk. Mijn stijl was grillig, fantastisch, Hella is veel voorzichtiger met haar fantasie.
Het talent van Hella is uniek, dat begreep ik als jongeman ook wel. Haar moeder was pianiste. Als kind speelde Hella onder de vleugel, ze las haar kinderboeken op de klanken van Chopin, van Beethoven, Debussy. Dáár, onder die vleugel, is haar talent gegroeid. De muziek heeft haar persoonlijkheid én haar werk gevormd. Er staat altijd muziek aan als ze aan het werk is.’
HAASSE ZOU maar één keer publiceren in Propria Cures. Voor een februarinummer van 1940 schreef ze een gedicht en een verhaal. Toen brak de oorlog uit. Van Lelyveld stopte met zijn studie geschiedenis, en ging naar Utrecht om, met repetitoren, rechten te studeren. Haasse was 'letterlijk onpasselijk’ geworden van de colleges Germaanse heldensage, en begon een typecursus bij Schoevers. 'Dat Schoevers, dat was niks voor haar. Ik was bang dat het haar ontwikkeling zou remmen.’
De Toneelschool, waar ze in 1940 werd toegelaten, vond hij een beter idee. 'Ze had aanleg. Ze had een natuurlijke uitstraling, die mensen boeide. Dat heeft ze nog steeds. Een paar jaar geleden waren we op rondreis in Amerika. Ze moest overal speeches houden, in het Engels. Ik zat in de zaal, en dan zag je het publiek denken: “Wat praat ze vlot.” Na een half uur raakte ze vermoeid en kon ze even niet op een woord komen. Meteen begonnen mensen uit alle hoeken van de zaal het juiste woord te roepen.
Door haar uitstraling neemt ze mensen voor zich in, maar dat vermogen buit ze niet uit. Ze wil niet meer schijnen dan ze is. Ze is bescheiden, gereserveerd. Misschien lijkt het alsof ze veel verbergt, maar in haar boeken geeft ze een eerlijke, natuurlijke weergave van haar persoon. Ja, expliciete seks zoals je tegenwoordig veel leest, hoef je van haar niet te verwachten. Dat is niet omdat ze preuts is, maar dat soort zaken zijn te privé. Het is ook een kwestie van stijl. Seksualiteit aanduiden is veel erotischer, alle handelingen beschrijven is lachwekkend.
Al haar werk is autobiografisch. Vroeger schreef ze nooit veel over echte privé-zaken. In haar laatste boek Zwanen schieten komt ze ineens met allerlei autobiografische feiten. Ik kom erin voor, haar grootouders, onze twee dochters. Waarom ze dat nu doet, weet ik niet. Het is haar meest directe boek.
Ze heeft een enorme behoefte om zichzelf te rechtvaardigen. Ze onderwerpt zichzelf, maar ook anderen aan een objectieve, eerlijke blik. Zonder direct een oordeel te vellen. Ik kan me voorstellen dat dat mensen irriteert, alsof ze met alle winden meewaait. Maar de manier waarop ze alles wat ze ziet op een rijtje zet, in haar hoofd of in een verhaal, is het grondpatroon waaruit haar levenshouding voortvloeit. En dat is ook een oordeel - het is alleen subtieler, minder uitgesproken.’
Toneelspelen doet Haasse allang niet meer. Maar volgens haar man is de liefde voor het toneel goed te zien in haar werk. 'Neem Het woud der verwachting. Ze weet hoe ze een milieu, een omgeving moet schetsen. Ze kan met woorden een decor opbouwen, haar dialogen kunnen zo worden uitgesproken. Het leeft.’
DOOR DE OORLOG raakten de jonge geliefden elkaar bijna kwijt. Van Lelyveld besloot in de zomer van 1943 via een internationele vluchtroute naar Engeland te komen. Haasse wilde per se haar toneelopleiding afmaken. 'Daar had ik moeite mee. Vroeg of laat zou ze zich moeten melden bij de Kultuurkamer, of openlijk een andere keuze, tégen de Duitsers, moeten maken. Dat moest ze vermijden, vond ik. Bovendien was ze een meisje dat de aandacht trok, ik was bang dat de moffen mij om haar zouden uitschakelen.’
Hij vond dat hij 'iets moest doen’: 'Mijn grootvader en overgrootvader, ze heetten allebei ook Jan, waren militair. Alleen, ze hadden nooit een oorlog meegemaakt. Ik dacht: nu is het oorlog, het kan niet zo zijn dat deze Jan geen poot uitsteekt.
Door mijn beslissing kwam er een verwijdering tussen Hella en mij. Ze wist zeker dat mij iets vreselijks zou overkomen. Maar ze heeft een moedig karakter. Ze accepteerde mijn beslissing en liet me gaan. Als ik toen had geweten hoe eenzaam ze was na mijn vertrek, was ik nooit gevlucht.’ Hij werd op de eerst dag van zijn vlucht gearresteerd en geïnterneerd door de Duitsers, eerst in Vught, later in Amersfoort. Haasse hoorde pas weken later van zijn gevangenschap, ze speelde op dat moment de titelrol in Mariken van Nieumeghen. 'Haar ouders zaten in een jappenkamp in Indië, ik zat vast en haar enige broer was marine-officier en vocht op zee. Hij liep dus ook gevaar. Die eenzaamheid, dat verdriet heeft haar echt aan het schrijven gebracht. Schitterende verzen maakte ze toen. Schrijven gaf soelaas.’
Haar verbeelding, haar vermogen om te vluchten in fantasie en woorden verzachtten de eenzaamheid. Die fantasie, schreef Haasse jaren later, ontwikkelde ze toen ze als zesjarig meisje voor het eerst haar geboorteland verliet en naar Nederland kwam. Haar moeder was ziek en moest naar een sanatorium in Davos. Haar jongere broertje werd bij een grootmoeder ondergebracht. Zij logeerde eerst bij haar oma van moederskant, maar die kreeg snel genoeg van haar. Ze moest in een vreemd land, in haar eentje naar een kinderpension. In de oorlog was ze misschien even eenzaam als op haar zesde. Alleen, toen kon ze nog niet schrijven.
DE AFSPRAAK OM te trouwen was snel gemaakt toen Van Lelyveld wegens gebrek aan bewijs werd vrijgelaten door de Duitsers. 'Van die beslissing heb ik geen spijt. Soms is een instictieve keuze honderd maal beter dan een rationele. Ik kon een onderduikbaan bij Philips in Eindhoven krijgen, Hella wilde weg bij het Centraal Toneel. Omdat ik een salaris had, kon zij zich volledig richten op het schrijven.’ Het huwelijk werd gesloten op 18 februari 1944.
'Er waren wel methoden om zwangerschap te voorkomen, die gebruikten we ook, maar het werkte niet altijd.’ Precies negen maanden na het huwelijk werd Chrisje geboren. Het was de vooravond van de hongerwinter. 'Onze laatste vijfentwintig gulden hadden we op Dolle Dinsdag uitgegeven aan een feestdiner in het Parkhotel in Amsterdam. Heerlijk tarbot gegeten. Wisten wij veel dat het ergste nog moest komen.
Hella had teksten geschreven voor het cabaret van Wim Sonneveld. Dat extra geld kwam goed uit, maar het was niet voldoende.’
Op oudejaarsdag vluchtte het gezin, te voet, naar Oegstgeest waar de ouders van Van Lelyveld woonden. Daar begon Haasse met haar historische roman Het woud der verwachting, over Charles van Orléans. 'Hij begreep niet waarop ik juist in die periode in de Middeleeuwen dook’, schreef Haasse later.
Van Lelyveld: 'Ik dacht: hemeltje-nog-aan-toe. Tijdens mijn studie geschiedenis had ik wel scripties geschreven over historische figuren. Maar een roman? Ik ben niet zo'n man van de historische roman, nog steeds niet.’
Haasse was twaalf jaar oud toen ze in een schoolschriftje begon aan haar eerste historische roman, Het huys met de meermin. Het ging over de geloofsstrijd van de rekkelijken en de preciezen. Die roman zou ze nooit afmaken.
'Blijkbaar had Hella een uitgeproken veelzijdig talent. Ze kon meer dan gedichten en toneelstukken maken. De Bentinck-boeken, Het geheim van Appeltern, die historische romans behoren tot haar beste boeken. Door haar werk heeft ze mij overtuigd. Talent is zo zeldzaam, dat moet je steunen, vond ik. Onafhankelijkheid, de volstekte vrijheid om eigen impulsen te volgen is primair voor de ontwikkeling van talent. Daar moet je je niet mee bemoeien, anders vernietig je het.
Natuurlijk zeg ik wel eens: zo zou ik het niet doen. De tuinen van Bomarzo vind ik bijvoorbeeld een te ingewikkeld boek. Het zit prima in elkaar, dat is het probleem niet, maar het spreekt me minder aan. Op het ogenblik schrijft ze veel makkelijker, logischer dan toen. Maar het maakt niet uit wat ik zeg, ze doet toch precies wat ze zelf wil.
Schrijven is voor haar een zoektocht. Ze zoekt in de historie, in zichzelf. Ik hou mijn mond als ze bezig is. We spreken er ’s(avonds aan tafel natuurlijk wel over, maar ik laat me er niet over uit. Als het af is, leest ze het me voor. Meestal vind ik het beter dan zijzelf. Ga door, zeg ik dan, ik vind het schitterend. Zij twijfelt altijd. Toch is haar onzekerheid niet fundamenteel; de zekerheid zou wel eens heel diep kunnen zitten. De kern van zekerheid zit verborgen.’
IN DE SCHARLAKEN stad schrijft Haasse over de identiteitscrisis van de jonge Italiaan Giovanni Borgia. De jongen vraagt zich af bij welke familie hij nou eigenlijk hoort. Of hij een Borgia of een Farnese is.
'De eerste zin, daar staat alles in.’ Hij leest voor: 'Borgia ben ik; tweevoudig, drievoudig Borgia misschien. Mijn afkomst is een raadsel voor anderen, en geheim, méér, een bron van kwelling voor mijzelf.’
'Ze schreef dat boek twintig jaar voordat ze achter het grote geheim kwam: Hella’s moeder had een andere vader dan haar twee zusters. Blijkbaar heeft Hella instinctief haar moeders geheim aangevoeld. Het verzwegen drama bepaalde de verhouding tussen haar ouders en was van invloed op de relatie die Hella zelf met haar moeder had. Dat ondefinieerbare probleem van haar moeder, en dus ook van Hella zelf, heeft ze geprojecteerd op een bestaande figuur in een historische periode.’
Hij citeert, uit zijn hoofd, de laatste zinnen van De scharlaken stad. 'Ik moet het weten. Het antwoord bepaalt mijn zijn of niet zijn. Farnese ben ik, Farnese.’ Hij laat een pauze vallen. En zegt dan: 'De onzekerheid over de identiteit is nog niet opgelost. De kern van zekerheid is nog niet gevonden.’
Hij pakt een vergeeld exemplaar van het boekje Balladen en legenden uit de kast. Het zijn de teksten van het programma waarmee Haasse na de oorlog optrad. Totdat hun dochtertje aan difterie overleed. Chrisje was pas tweenëneenhalf. Acuut staakte Haasse haar toneelcarrière. In een interview uit 1956 met Het Vaderland zei ze: 'Ik moest op de een of andere manier weer leren léven. Om mezelf tot concentratie te dwingen begon ik aan een verhaal waarvan alleen de eerste regel vaststond: “Oeroeg is mijn vriend”.’
Van Lelyveld: 'In die tijd verliep onze ontwikkeling gescheiden. Ik was na de oorlog assistent geworden bij de Hoge Autoriteit in Amsterdam. Een baan van gewicht, ik heb daarna nooit meer een belangrijkere baan gehad. Ik hield me bezig met feiten, met juridische kennis. Hella was de verbeelding en de fantasie. Zij vervulde voor mij het deel van mijn bestaan dat ik had voordat ik haar leerde kennen.
Hella klaagde wel eens: je vertelt me nooit over je werk. Zeker toen ik rechter werd, was ik zwijgzaam. Dat deed ik met opzet, ik was bang dat ze erover zou gaan schrijven. Niet dat ze dat met opzet zou doen, maar alles wat ze voelt, hoort of meemaakt verwerkt ze toch in haar boeken. Zelf schrijven had ik toen al definitief uit mijn hoofd gezet. Een rechter die een roman schrijft, is óf geen goede rechter, óf een slechte schrijver. Maar de vrouw van een rechter mag ook niet schrijven over zaken uit de rechtbank.
We vonden elkaar in elk geval in de uitstapjes naar Parijs. Daar gingen we soms naar twee, drie films of toneelvoorstellingen op een dag. Een merkwaardige vorm van contact, voor anderen is dat misschien moeilijk invoelbaar.’
HET BOEKENKASTJE dat Jan van Lelyveld en Hella Haasse kochten van de eerste opbrengst van Oeroeg staat in de huiskamer, naast de werktafel van Haasse. 'De royalties van haar boeken werden bij mijn salaris opgeteld, en tweederde daarvan ging naar de fiscus. De kosten van huishoudelijke hulp kon je niet verrekenen. Dat volstrekt verouderde ontmoedigingsbeleid voor werkende vrouwen heeft zeker tot 1973 geduurd.’
Het boekenweekgeschenk uit 1948 maakte haar in één klap bekend. Maar bij de grote drie van na de oorlog - Mulisch, Reve, Hermans - hoorde Haasse niet. Van Lelyveld: 'Ik ben daar boos over. In die tijd dachten ze natuurlijk: “Wat een mooi meisje, zal wel niks kunnen.” Onzin. Ik vind dat vrouwen vaak beter schrijven dan mannen. De vrouwenemancipatie is een van de weinige positieve veranderingen in deze eeuw. Hella is zeker niet de enige vrouwelijke aanwinst.’
Maar ook later werk, haar hele historische oeuvre kreeg lang niet de belangstelling die het verdiende, vindt Van Lelyveld. 'Hella had zich meer mogen laten gelden. Zij is de eerste Nederlandse auteur die de Nationale én de Internationale Atlantische Prijs heeft gewonnen. Dat weet niemand, dat wordt weggewerkt.
Maar zelfaffichering zit niet in haar karakter. Ik ben militanter, zij is diplomatiek. Als we tennissen, en ik smash de bal, zegt ze: “Waarom sla je nou zo hard, dat is toch niet áárdig.” Ze heeft ook een hekel aan sarcasme en cynisme. Diplomatie kan een kunstvorm zijn. Topdiplomaten houden van alles achter, en bereiken weldoordacht, via een omweg, precies hun doel. Hella ook. Lees de De verborgen bron. Nergens in het boek wordt het bestaan van een bron genoemd, maar hij is toch steeds aanwezig. Pas in de laatste zin zegt de hoofdpersoon dat hij altijd het murmureren van de verborgen bron hoort. Dat is artistieke diplomatie.’
Dat het mooie meisje zó'n carriere zou maken in de schrijverij, dat had Van Lelyveld ook nooit gedacht. 'Het was een verrassing. Maar wel begrijpelijk en terecht.’ Kort geleden werd De verborgen bron, een boek uit 1950, in het Italiaans vertaald. 'Bij de post lag een dik pakket Italiaanse recensies. Een prachtig boek, het beste van deze eeuw, jubelden de Italianen. Ik ben om vier uur opgestaan, en heb het boek herlezen. Om zeven uur had ik het uit. Inderdaad, een voortreffelijk geschreven en gecomponeerd verhaal.’
Anne Teresa de Keersmaeker staat bekend als een choreografe die graag de confrontatie met andere disciplines aangaat. Nu begeeft zij zich daadwerkelijk op ander terrein: vanaf 24 februari is in de Brusselse Munt haar operaregie van Hertog Blauwbaards burcht van Bela Bartók te zien.
Al tijdens zijn leven was Sun Ra een mythe. Zijn Arkestra is de geschiedenis in gegaan als de meest exotische jazzband aller tijden. Op 21 februari brengen Joost Buis & His Famous Astronotes in het Utrechtse Vredenburg een ode aan deze voorbije tijden.