De dans rond de debutanten

Boeken of beter: schrijvers kunnen zich tegenwoordig verheugen in de belangstelling van Het Grote Publiek. Vooral debutanten, vooral als ze jong zijn, vooral als ze nieuwswaarde hebben. Verloedering, vercommercialisering, het Van Dis-effect, zo wordt gemopperd. Of is het de literaire kritiek die verloedert?
DAT IS NOG EENS VEELZEGGEND: in het meest recente nummer van zijn tijdschrift Feuilletons trekt gewezen held, voorvader en voorbeeld voor jonge, hedendaagse auteurs, Jeroen Brouwers eindelijk weer eens ouderwets van leer tegen Alderlei Zaken Die Hem Niet Zinnen, maar in tegenstelling tot vroeger, in de gouden tijden van De Nieuwe Revisor en De papieren lullepijp, gaat het hier om randverschijnselen van de literatuur. Brouwers veegt de vloer aan met zijn uitgever, Ronald Dietz, die hij beticht van alderlei lelijks, allemaal dingen die in het ‘boekenvak’ tot voor kort not done waren. Met zijn schotschrift wil hij duidelijk maken dat de uitgeverswereld ziek is.

Dat hij zich op dat onderwerp stort, zegt niet zozeer iets over Jeroen Brouwers, als wel over de stand van zaken in de literatuur van vandaag. Dat zelfs Brouwers, stilist en estheet bij uitstek, zich geroepen voelt een tirade af te steken tegen wantoestanden in de periferie, ergens op de grens tussen kunst en commercie, onderstreept dat er de afgelopen jaren een opvallende verschuiving heeft plaatsgevonden. In zijn weergaloze en nog altijd onovertroffen polemiek tegen de ‘jongetjesliteratuur’ van de jaren zeventig maakte Brouwers vakkundig puree van Guus Luijters cum suis door de lamlendige stijl, de lullige thematiek en de algehele krakkemikkigheid van hun boeken tot de grond toe af te branden. Nu lezen we hoe de schrijver woedend is omdat de baas van de Arbeiderspers zijn auteurs voortdurend opdraagt toch vooral de publiciteit te zoeken, zich op te houden in de spraakmakende grachtengordelcafés, te slijmen met recensenten, en zo voort.
Ronald Dietz representeert een mentaliteit, een veranderde houding tegenover literatuur. In een recensie vat criticus/schrijver Theodor Holman het probleem als volgt samen: 'Schrijven is niet meer schrijven, schrijven is schrijven èn publiciteit maken geworden. Walgelijk, maar het is niet anders. Het is volgens menig uitgever de enige manier om nog een boek verkocht te krijgen. Mijn recensie, hoe die ook uitvalt, haalt niets uit. Het gaat niet meer om het verhaal dat de auteur schrijft, het gaat om het verhaal dat de auteur daarna van zichzelf aan de media weet te verkopen.’
Dat inzicht is niet vreselijk nieuw. En langzamerhand begint het gemopper eentonig te worden; men klaagt en klaagt en klaagt zonder iets aan de ellende te doen of naar oplossingen te zoeken. En alleen maar klagen, daar hebben de mensen niks aan.
Een tweede lamentatie die de literaire kritiek van dit moment beheerst is die rond de debutanten-hausse. Als je de kritiek moet geloven, hebben we een historisch hoogtepunt (of dieptepunt?) bereikt in de letterkunde: het aantal debuten dat wordt uitgegeven, zou veel groter zijn dan vroeger (veel te groot, dus), terwijl de kwaliteit ervan schrikbarend middelmatig zou zijn. De overmatige produktiviteit die uitgeverijen aan de dag leggen, is voornamelijk gericht op debutanten. Waar die vroeger een lange 'leerperiode’ bij literaire tijdschriften doormaakten, worden ze in deze tijd al heel snel, na de eerste publikatie, 'binnengehaald’, en al even snel op de markt gegooid.
Dat heet dan een 'teken des tijds’, waaruit geconcludeerd kan worden dat uitgevers vandaag de dag zonder blikken of blozen hun (pr-)geld zetten op smeuiige, liefst jonge, liefst vrouwelijke schrijvers, met een 'goed verhaal’. Mediageniekheid wordt door het verzamelde rapaille geprefereerd boven literair talent, de vlotte babbel boven een eigenzinnige stijl.
DE COMMERCIALISERING, en daarmee verbonden de opvallende status van het debuut, is inderdaad een in het oog lopende ontwikkeling van de laatste jaren. Er is met de literatuur iets gebeurd wat geen historisch precedent heeft, en wat dus voor verwarring zorgt. Wat is er aan de hand? De bij uitstek elitaire kunstvorm die literatuur altijd is geweest, ziet zich plotseling geplaatst tegenover een razendsnel uitdijende en alles opslokkende en nivellerende massacultuur, die voorheen nooit een serieuze bedreiging vormde maar tegenwoordig haar vuile, grijpgrage klauwen gretig uitslaat naar de letterkunde. Boeken, of eigenlijk: schrijvers, zijn niet meer alleen interessant voor een select, fijnproevend groepje kenners, maar blijken zich ook te kunnen verheugen in de belangstelling van Het Grote Publiek. Een bepaald soort boeken en schrijvers tenminste: die met een grote toegankelijkheid.
Om die situatie te beschrijven zijn er allerlei 'effecten’ bedacht. Het eerste was het 'Van Dis-effect’: een tot dan toe vrij onbekende auteur wordt door een tv-optreden in de show van de interviewer van die naam, in één klap een Bekende Nederlander. En Bekende Nederlanders verkopen veel boeken. Verder hebben we het Sonja-effect, het Ivo Niehe-effect, het Connie Palmen-effect, en met een beetje fantasie verzin je er zelf nog een paar: het Jan Cremer-effect (als een boek tot bestseller wordt getransformeerd door een intensieve campagne gebaseerd op de provocerende, rauwe, onverbloemd seksuele inhoud), het Ronald Giphart-effect (als een schrijver door de verzamelde literaire kritiek feitelijk uit de literatuur wordt gerecenseerd, maar desondanks een enorm lezerspubliek heeft), het Lulu Wang-effect, het Thomése-effect (debutant stort in na overdosis lof & prijzen) etcetera.
Alle effecten wijzen op één ding: de Werdegang van de literatuur onder invloed van de commercie. Als we alle verontruste artikelen moeten geloven, zijn we inmiddels aan de barbaren overgeleverd, en gelden de onbehouwen wetten van de amusementsindustrie. Tegenover een steeds overheersender massacultuur kan 'echte’ literatuur zich maar ternauwernood staande houden. De Grote Gelijkmaker heeft ook de literatuur in zijn greep gekregen. Dat is onder meer af te meten aan de debutanten.
HET VALT NATUURLIJK niet te ontkennen dat er het een ander is veranderd in de literatuur. Maar hoe erg is dat nou eigenlijk? De tijden veranderen, de wereld ook, en de kunst verandert mee - of ze wil of niet. Het lijkt onzinnig en onverstandig zich daartegen te verzetten. Steeds maar weer zuchten dat het verderf bezit heeft genomen van de edele letterkunde, brengt de zaak niet verder. Bovendien is het geen literaire ontwikkeling waar het hier om gaat, het betreft een verschuiving ergens aan de rand van het literaire systeem.
Zijn er misschien ook voordelen te ontdekken aan de nieuwe situatie? Dat literatuur de televisie haalt, is niet zo slecht, lijkt me. Net zo min als een groeiende media-aandacht voor boeken en schrijvers. Hoe meer, hoe beter. Misschien is het helemaal niet zo erg dat de televisie scherprechter wordt, naast de officiële literaire recensenten. Laten we het eens een tijdje aanzien. Kijken wat het oplevert. Misschien komen er wel geweldige nieuwe impulsen voor de literatuur uit voort, misschien zullen er goede dingen plaatsvinden wanneer de literaire ontwikkeling niet alleen wordt bepaald door dat kleine groepje heren en dames, de 'critici’. De afgelopen jaren hebben zij bewezen nauwelijks geïnteresseerd te zijn in (het heden en) de toekomst, het nieuwe en het experimentele. De manier waarop ze met debuten omgaan is veelzeggend. Men doet mee met die verafschuwde commercie en heeft vooral oog voor de nieuwswaarde van de schrijver in plaats van de kwaliteit van het boek. Een debuut wordt in de Nederlandse kritiek niet inhoudelijk beoordeeld, maar vooral in termen van 'literature credibility’ van de auteur ('Met … hebben we er een schrijver bij!’). Geef de commercie eerst maar eens een kans, en we zien vanzelf wat er gebeurt, wat de mogelijkheden zijn, en de voor- en nadelen. Daarbij, het is een illusie te denken dat de amusementsindustrie te beïnvloeden is, laat staan tegen te houden. Als de commercie en de zich per beeldbuis voortplantende verloedering zich ook op de literatuur storten, gaat het erom dat de literatuur daar een antwoord op vindt.
Wat er ook gebeurt, het is verstandig zich te bezinnen op de situatie. Even op te houden met klagen en een poging te doen ons te beraden op de (veranderende) rol, plaats en betekenis van de literatuur in de huidige (veranderende) cultuur. Wat is de stand van zaken? Om daar achter te komen, kunnen de debutanten als graadmeter worden genomen. De tijden zijn dus veranderd. Schrijvers zijn hip - tegenwoordig wil iedereen wel schrijver worden, terwijl vroeger alleen de lulletjes van de klas literaire aspiraties hadden. Zelfs een columniste van extreem-hippe-mensenblad Blvd. besloot vorige maand haar ambities in de toekomst te richten op het schrijven van een boek. Want dat zou aanzien, status, roem en rijkdom geven, schreef ze.
De literaire debutant (m/v) is vandaag de dag een belangrijk Cultureel Persoon, die, vaak tot zijn eigen verbouwereerdheid, overal zijn mening moet/mag geven. De flapteksten van debuten zijn steeds meer op elkaar gaan lijken: elke uitgever lijkt op het moment zijn eigen illusieloze jongere in zijn fonds te hebben, die een 'schrijnend portret van een (of andere - rve) generatie’ schrijft, liefst in 'de kale jaren negentig, een grauwe tijd’. Elk debuut is ofwel 'opmerkelijk’, ofwel 'opvallend’, let maar op. Veel fantasie is de verzamelde uitgevers niet te verwijten.
ENIG LICHT IN DE duisternis werpt Lenny Vos, die onlangs afstudeerde met de doctoraalscriptie Debuteren in de jaren '90, een verslag van haar onderzoek naar 'de Nederlandse schrijvers van proza, poëzie en essays die tussen 1990 en 1995 zijn gedebuteerd bij een literaire uitgeverij’. Een van Vos’ ontdekkingen is dat het aantal debuten de afgelopen jaren niet groter is dan vroeger. Integendeel. Het aantal poëziebundels neemt af, maar er wordt ook minder proza van debutanten uitgegeven dan iedereen dacht.
Dat het lijkt alsof er meer nieuwe schrijvers zijn dan vroeger, is logisch. De media, inclusief de 'serieuze’ literaire kritiek, besteden veel aandacht aan debutanten, liefst 'jonge’. Menig auteur heeft met verbazing kunnen constateren dat één boek voldoende was om door televisie, radio en gedrukte pers serieus genomen te worden - niet alleen als kunstenaar, maar ook als 'woordvoerder van een generatie’, of als 'typische representant van de tijdgeest’. Dat wil echter niet zeggen dat het boek ook goed verkoopt. Zoals Vos het uitdrukt: commercieel succes is iets heel anders dan artistiek succes. Commercieel succes: de verkoopcijfers zijn hoog en de auteur gaat er in financieel opzicht op vooruit; artistiek succes: alle vormen van literaire waarde die aan een debuut worden toegekend.
Die twee categorieën waren altijd tegengesteld. 'Als een auteur commercieel succesvol is, betekent dit dat een auteur geen artistiek succes zou kunnen verwerven. Deze opvatting komt voort uit het denkbeeld dat datgene wat veel artistieke waarde heeft door slechts een kleine groep van connaisseurs gewaardeerd kan worden. Als een boek massaal wordt gekocht, zou dit een bewijs zijn dat het geen artistieke waarde bezit.’
De meest in het oog springende categorie van deze tijd is 'artistiek niet succesvol, commercieel succesvol’. Die combinatie, die in het verleden nauwelijks voorkwam, houdt in dat het commerciële succes van een boek geheel losstaat van de literaire kritiek. 'Er moet dus een andere oorzaak zijn voor het succes, zoals een televisie-optreden.’ Precies. Dat weten we. De vraag is: wat doen we ermee?
WELLICHT IS HET TIJD om op te houden met al die uitweidingen over de markt, de commercie, de media en zo voort en zo verder, en om te trachten een serieuze literatuurgeschiedenis te schrijven. Literatuur is toch niet alleen maar dat mediacircus, alleen maar die commerciële transactie tussen producent en consument, verkoper en koper? Literatuur is toch ook kunst?
Met de Praagse structuralist Felix Vodicka in de hand, kunnen we zeggen dat literatuurgeschiedenis ook rekening dient te houden met buiten-literaire verschijnselen. Als het goed is komt men uiteindelijk tot een definitie van de literaire normen op een bepaald moment in de historische ontwikkeling. Die normen zijn af te leiden uit de literatuur zelf (populaire boeken met een voorbeeldfunctie), uit poetica’s, literaire theorieën en literatuurkritiek. Vooral de kritiek is van belang. Maar ook externe factoren spelen een rol: uitgeverspolitiek, reclame, sociale en politieke veranderingen.
Als we de literaire norm van dit moment afmeten aan de literaire kritiek van nu, dan zien we dat daarin de nadruk wordt gelegd op externe, niet strikt literaire fenomenen, die het literaire systeem zijn binnengedrongen. De aandacht voor de andere gebieden is verflauwd. De balans slaat telkens door naar de uitgevers, de media en de 'markt’. De beschrijving en analyse van de inhoudelijke kant van de literatuur is een beetje op de achtergrond geraakt.
De vraag dringt zich op of dat eigenlijk niet een veel grotere bedreiging is van de nobele literatuur dan de massacultuur. Is het werkelijke barbarisme niet eerder die ingezakte kritiek, een gezichtloos, conservatief instituut dat in plaats van literatuurbeschouwingen en debatten slechts cultuurachtige columns en semi-literaire nieuwsfeitjes afscheidt? Zit daar niet het probleem?
Het is beschamend zoals de literaire kritiek in Nederland ervoor staat. Het is slechts aan de schuchterheid (lafheid? berekening?) van de hedendaagse (jonge) schrijvers te danken dat de hel nog niet is losgebroken. Want het ligt voor de hand dat in een situatie als de huidige herrie ontstaat, de revolutie wordt gepredikt. Maar men laat het betijen, men vindt het wel goed zo.
In onze columnistencultuur zijn critici verdwenen, of eigenlijk veranderd in recensenten. En die kijken in de eerste plaats naar de nieuwswaarde van de schrijver, in plaats van naar de kwaliteit van het boek. Zoals Marc Reugebrink een tijdje terug essayeerde: 'In het ongunstigste geval is de literatuurcriticus al volledig journalist geworden, zo eentje die eigenlijk net zo lief of zelfs nog liever een interviewtje met de schrijver doet dan in de afzondering van zijn eigen leeskabinetje en vooral zonder de schrijver direct onder ogen te komen maar, zoals het hoort, alleen met het boek in een persoonlijk gesprek verwikkeld te raken.’
Vandaag de dag, redeneert Reugebrink, staat het hebben van een literaire ideologie, een duidelijke literatuuropvatiing, haaks op wat het bedrijven van literatuurkritiek is of beter: hoort te zijn. Onder de veilige paraplu van het postmodernisme produceert het recensentendom een onafzienbare hoeveelheid columns die slechts in de verte lijken op literaire kritiek. Aan 'terugschrijven’, zoals J.F. Vogelaar de taak van de criticus omschreef, komt niemand meer toe. Waar het debuten betreft, kenmerkt de kritiek van deze tijd zich door verregaande oppervlakkigheid, gemakzucht, een onevenredig grote interesse voor andere zaken dan zuiver literaire, en sensationalisme.
De kritiek is er uiterst bedreven in om op zelfgenoegzame wijze te oordelen dat het allemaal niet goed gaat, dat er niks belangrijks gebeurt. Men vergeet dat men daar zelf medeverantwoordelijk voor is. Bericht men niet steeds weer over de nieuwswaarde van de schrijver in plaats van de kwaliteit van de roman? Tendeert men niet steeds meer naar stapelrecensies, ISBN-achtige opsommingen en signalementen? Naar nieuws, dus?
ONDERTUSSEN laat de literatuur der debutanten zelf een aangename veelvormigheid en veelzijdigheid zien (volgens de kritiek: een onaangename diffuusheid en verwarring). Wat elkaar vroeger afloste in een opeenvolging van stromingen en reacties, bestaat tegenwoordig naast elkaar, zonder elkaar te bijten. Pure romantiek naast hardcore classicisme, een klassieke afrekening met een calvinistische jeugd zij aan zij met het humoristische egodocument.
Veel debutanten zijn tussen de twintig en vijfendertig jaar oud, en groeiden op in een postmoderne wereld. Dat is aantoonbaar van invloed op hun werk. Typisch postmoderne gegevens als de vermenging van hogere en lagere cultuur, en een ironische betrokkenheid, keren vaak terug. De videoclip naast een Shakespeare-drama. Afgezien van de opkomst van de zogenoemde allochtone schrijvers, blijven krachtige nieuwe impulsen achterwege. Grote veranderingen ontbreken. Revoluties zijn er niet, alleen subtiele verschuivingen. We zitten nog hoog op die postmoderne golf die tegelijkertijd verwarrend en inspirerend is, en waarin opvattingen, genres, stromingen en visies die elkaar vroeger uitsloten, naast elkaar bestaan en mógen bestaan. In de Nederlandse literatuur van nu zijn geen strikte grenzen te trekken. Zelfs een dominante traditie ontbreekt, een duidelijke voorvader tegen wie gestreden kan worden.
In de debuten van de afgelopen jaren blijft de schrijver meestal vrij dicht bij huis wat betreft onderwerpskeuze. Het autobiografische treedt op de voorgrond, vaak in een ironische vorm. Naast een realistische tendens (Grunberg, Giphart, Palmen, Landvreugd) is er een typisch postmoderne houding zichtbaar (Verhelst, Mennes, Van Brederode). Veel romans van debutanten kiezen de contemporaine samenleving als decor en behandelen typisch hedendaagse thema’s, zij het overwegend op een tastende, zoekende manier. (De historische roman is enigszins weggezakt, bij de jongste schrijvers. Een grote belangstelling voor het verleden kan hen niet worden verweten.)
Auteurs als Nanne Tepper, Russell Artus en Peter Verhelst zoeken op een serieuze manier naar literaire zeggingskracht. Zij beschouwen het schrijven niet als een reflecterend maar in de eerste plaats als een scheppend proces. Waar veel romans een bijna journalistiek, en vaak nogal pretentieloos verslag (willen) bieden van de directe omgeving van de auteur, hebben auteurs als bovengenoemde wel de ambitie en de pretentie te streven naar een roman als een volkomen, in zichzelf gesloten kunstwerk. Bij hen is, opvallend genoeg, de ironieafwezig die in het werk van anderen wel zo duidelijk speelt.
Grote thema’s als liefde, dood en eenzaamheid worden over het algemeen op een terughoudende manier behandeld. Alsof de schrijver het ook niet zo goed weet. De debutant ziet zich in een wereld geplaatst waarin de dingen op zichzelf geen betekenis hebben, maar juist van betekenissen voorzien moeten worden. Dat doet men vervolgens vanuit het individuele, persoonlijke leven. Dat doet men door verhalen te vertellen, en door het proces van vertellen te onderzoeken.
DIT DUIDT OP EEN heroriëntatie, niet alleen op de werkelijkheid van vandaag maar ook op de procédés van de literatuur zelf. Wat zijn, in die hele volle wereld, in die overdaad aan betekenisdragers, de werkelijk belangrijke dingen?
Waren de jaren tachtig nog het ik-tijdperk, de nineties zijn dat niet minder. Het grote verschil is alleen dat het ik niet meer het episch centrum van de realiteit is, maar een gefragmenteerd, weifelend, zoekend wezen.
Dat er nauwelijks poëticale of programmatische teksten worden gepubliceerd, wil dat zeggen dat debutanten tegenwoordig laffer zijn dan vroeger? Misschien. Je weet het niet. Waarschijnlijk is het geen lafheid maar onzekerheid, verwarring wellicht.
Ik denk dat we boel maar eens moeten omdraaien. In plaats van dat de kritiek blijft klagen dat het peil van de literaire debuten niet hoog is, meestal zonder ze ook werkelijk te lezen, gaat ze zich maar eens gedragen op de manier waarop ze zich behoort te gedragen. Het voortdurend terugkerende dédain tegenover de literatuur is niet altijd misplaatst, natuurlijk niet, maar de eentonigheid en gemakzucht waarmee de kritiek haar taken uitoefent, is stuitend. Zo komen we geen stap verder.
En we moeten verder. Wat gebeurt er met de literatuur zelf, nu de wereld zoveel anders is geworden? Er zijn drie mogelijkheden: ze wordt elitair, en wendt zich met een vies gezicht af van alle commercie- en mediatoestanden; ze geeft zich over aan de massacultuur, en weet dat vanaf nu de dingen voorgoed veranderd zijn; of ze doet wat de Amerikaanse kunstenaarsgroep Avant-Pop voorstaat: een pact sluiten met de massacultuur en die op sluwe wijze voor het eigen karretje spannen.
Het is grappig dat het good old Jeroen Brouwers is die door zijn lovenswaardige (en erg leuke) polemiek de schellen van literaire ogen moet doen vallen. Want pas nu Brouwers het zegt, gaat men misschien eens nadenken over oplossingen. Kome er verandering.