De dans van de pen

J. M. Coetzee, De meester van Petersburg.
Vertaling Frans van der Wiel, uitgeverij Ambo, 191 blz., f39,90.

Petersburg, 21 november 1869. De anarchist Netsjajev, het enige lid van het geheim Centraal Comite van een - eveneens grotendeels fictief - revolutionair netwerk, vermoordt in koelen bloede de student Ivanov, die het waagde aan het bestaan van zijn organisatie te twijfelen. Dit historische feit is opgegaan in de roman Boze geesten van Dostojevski. Het gaf hem de kans zijn eigen verhaal te vertellen. Twintig jaar daarvoor was hij zelf lid van een geheim genootschap geweest, wat hem bijna de kop had gekost. Zijn generatie, de goedbedoelende en sentimentele liberalen van de jaren veertig, zo was hij nu van mening, had de wind gezaaid waarvan men inmiddels de storm kon oogsten in de vorm van de ‘Volkswraak’ van zonen als Netsjajev.

Coetzees roman De meester van Petersburg begint in oktober 1869 en gaat over feiten, roman en schrijven. Dat moge vreemd lijken voor wie Coetzees romans als In het hart van het land of Wereld & wandel van Michael K kent. Eerder sluit de nieuwe roman aan bij Foe. Daarin vertelt een vrouw aan de schrijver Foe (de latere Defoe) het verhaal van Crusoe en Vrijdag, met wie zij op hetzelfde eiland heeft gezeten. Eerst is Foe alleen maar in haar eigen levensgeschiedenis geintereseerd, maar uiteindelijk schrijft hij haar geheel uit het verhaal weg.
Een dergelijk 'verraad’ jegens feiten en personen speelt ook in Coetzees nieuwe roman een belangrijke rol. Als Dostojevski begint te schrijven, zien wij in de paar passages die wij mogen meelezen hoe verdichting in zijn werk gaat: gaten in de feiten worden alsnog opgevuld, personen verwisseld, rollen omgekeerd en zo meer. 'Ik schrijf perversies van de waarheid (…). Ik volg de dans van de pen.’ Na een even eerlijke als loze zelfkritiek kan hij zich ongelimiteerd overgeven aan de zelfvernedering, het verraad van de personen in zijn omgeving en de bekentenis.
Oktober 1896 keert Dostojevski uit Dresden terug naar Petersburg, wanneer hij het bericht van de dood van zijn stiefzoon heeft gekregen. Zelfmoord? Gedood door de politie? De jongen blijkt een volgeling van Netsjajev, tegen wie ook de schrijver niet opgewassen blijkt. Heeft Coetzee het in die tijd populaire thema Vaders & Zonen willen oprakelen? Goed mogelijk, al geeft hij geen enkele hint voor een actuele vertaling. Is Netsjajev het vooruitziende portret van de held van onze eeuw, 'een paus van ideeen, platte ideeen’, 'met een monsterlijk hoofd en monsterlijke begeerten, maar verder niets’?
Het staat er, maar of de roman daarover gaat? Is het een puzzel: waar verwijst Coetzee naar, in het leven van Dostojevski en in zijn roman? Reele personen als Netsjajev, de stiefzoon Pavel Isajev staan bij Coetzee naast romanpersonages als het meisje Matrjona en de boze geest Stavogrin, die in Dostojevski’s roman zijn verkrachting van dat meisje opbiecht. Coetzee speelt ermee en het is niet moeilijk de roman te lezen als een ter zake kundige en daarom kritische inkijk in de achterkant van een roman: de perversie van een soort schrijven dat de auteur moet betalen met zijn leven, zo niet met zijn ziel.
Het zijn diverse manieren om Coetzees roman te lezen. Maar er is meer dat door deze naar literaire kwadratuur riekende mogelijkheden aan het zicht onttrokken zou kunnen worden. En dat meer is wat er staat na aftrek van alle historische, politieke en literaire vergelijkingen: een ontroerend verhaal over de poging van een vader om zijn zoon tot leven te wekken door zijn plaats in te nemen op het moment voor de val uit het leven, een val in de vergetelheid. De schrijver in gevecht met de tijd - de meester van het leven die het onvermijdelijke verlies alleen maar kan uitstellen, het vallen in zweven veranderend. Dat rouwen om een zoon, bij nader inzien geen liefhebbende maar teleurgestelde zoon, is een roman die Dostojevski had kunnen schrijven en die Coetzee voor hem geschreven heeft, als een koekoeksei in Boze geesten.