De lieveling van de zee

De darmen van Michiel de Ruyter

Jan Tetteroo
De lieveling van de zee
Nieuw-Amsterdam, 173 blz., € 14,95

Kun je nog een geschiedenis van de Lage Landen schrijven? Met heldere en logische overzichten, een tijdsbalk en een genealogie van de beroemdheden? Ik blader nog wel eens door dit soort boeken, portretten, tekeningen van veldslagen, belangrijke momenten op schilderijen. Te algemeen vind ik ze, waar blijven de details, ze zijn niet goed voor me, ik krijg altijd een onbedwingbare lust, die uiteraard op narcisme en doodsangst teruggaat, om er op uit te trekken en precies te weten te komen hoe het allemaal was. En dan weet je nog niks. Het mooiste boek over de Tachtigjarige Oorlog vind ik nog altijd Van den Tocht in Vlaenderen (1986), door ir. B. Cox, waarin tot in alle krankzinnige details de slag bij Nieuwpoort (juni 1600) is beschreven. De voorbereiding, de bevoorrading, de inscheping bij Dordrecht, de warrige gebeurtenissen, de wanhoop wanneer er weer eens een regiment niet op kwam dagen, de aaneenschakeling van misverstanden en incompetenties, wat er met de lijken na afloop gebeurde en wie er bij was.

Tolstoj gaf in Oorlog en vrede al een grotesk en danig op de lachspieren werkend beeld van de verpletterende onzekerheden op het slagveld, maar die B. Cox kon er ook iets van. Niets is hem te veel en juist in zijn met veel liefde en volharding verzamelde details begint het menselijk bedrijf rond oorlogvoering ineens zichtbaar en inleefbaar te worden. Wat is het toch mooi om een doel in het leven te hebben! En hoe krijg je in de zeventiende eeuw een leger in Vlaanderen? Cox beschrijft gedetailleerd de precieze inscheping in en rond Dordrecht. Ruim 11.000 man, 1200 paarden, 37 stukken geschut, 200 ton aan gereedschap en brugschepen, 400 vaatjes kruit, 5000 zakken of manden met 12 broden, 12.000 kazen van 15 pond, 3600 vaten bier en 5400 zakken haver van 50 kilo moesten aan boord van ruim 750 schepen worden gebracht. Voor Dordrecht zag het letterlijk zwart van de schepen. Cox komt dan met het understatement van de eeuw op de proppen: ‘Het is duidelijk dat deze grote concentratie van schepen en drukke verladingsactiviteiten niet aan spaansgezinde spionnen kan zijn ontgaan (…)’. Altijd als ik deze zin lees, schiet ik in de lach, die Cox weet wat schrijven is. Tussen de honderden schepen bevond zich overigens ook het bevelhebbersschip van prins Maurits. Vrijwel onopgemerkt. Allemachtig, die man werd bijna letterlijk gek van het uitblijven van informatie, ze sloegen hem gewoon over, en als er per ongeluk wél iemand bij hem kwam, bleek hij precies het tegenovergestelde te beweren dan de vorige informant. De geruchten over Spaanse troepenconcentraties veranderden met het uur, er zijn brieven van Maurits waarin de wanhoop van de bladzijden afdruipt.

Jan Tetteroo (bestaande uit het schrijversduo Hans Münstermann en Jacques Hendrikx) koos in De lieveling van de zee, herdruk van Korte historie van het Nederlandse volk, voor een heel andere aanpak van de geschiedenis. Niet die van het detail, maar van de persoonlijke verwerking. Hij laat een ik-figuur in het heden aan het woord over de ziel en zaligheid van het Nederlandse volk. Deze ik wordt in het begin op straat beroofd en steekt vervolgens een dolgedraaide en vooral geestige monoloog af over volksaard, geschiedenis en veroveringszucht. ‘Durft u het aan om scherp observerend precies vast te stellen uit welke moordpartijen u bent opgestaan? Kunt u mij volgen?’ De Romeinen komen voorbij, Napoleon, Schimmelpenninck, de Duitsers en in een onbetwist hoogtepunt ook Michiel de Ruyter. Tetteroo gaat clichés zorgvuldig uit de weg, hij geeft zijn ik-figuur de toon mee van de verongelijkte kleinburger die het nu wel eens even zal zeggen en dat levert aan de lopende band uiterst vermakelijke, ironische en bij nader inzien treffende statements op: ‘Vaderlandse geschiedenis? Daar krijg ik zelfmoordneigingen van. Ik heb nieuwe vloerbedekking laten leggen. Een nieuwe ondergrond, iets kouder voor de voeten. Maar ik voel me stukken beter. Een nieuw laagje vaderlandse bodem.’ Dit kleine boekje barst van de vrolijke vondsten en ideeën. ‘Napoleon heeft al die landen niet veroverd uit haat. Oorlog voeren uit haat is een uitvinding van de twintigste-eeuwse sociaal-democratie. Hij wilde een betere wereld en hij had visie. Napoleontisch is een anagram van neoplatonisch.’

In zijn zoektocht naar de ‘waarheid’ over de eigen achtergrond stoot de ik op Michiel de Ruyter. Wat bezielde die man, wat hield hem op de been? Was het echt zo’n diepgelovig mens? Zal wel.

Prachtig zijn Tetteroo’s beschrijvingen van de onrust in de Nederlanden in juli 1673 aan de vooravond van de zeeslag bij Kijkduin toen overal de klokken luidden, mensen de straat op gingen en iedereen zijn hart vasthield over een invasie van de Engelsen aan de kusten van Holland. De ik komt erachter dat Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk in Amsterdam is begraven. Maar ligt hij daar wel? Wat zit er precies in de loden kist waarin zijn resten, volgens de kenners, zijn opgeborgen?

Wat volgt is een vermakelijke en bij vlagen aangrijpende zoektocht naar de achtergronden van De Ruyters dood in 1676 ergens bij Syracuse. Pas maanden na die dood kwamen zijn resten in de Nederlanden aan. Voorzover ze niet al lang verrot waren. De ik reist naar Syracuse en probeert zich de dood van De Ruyter letterlijk te binnen te brengen: ‘Hier ligt mijn admiraal en nu gaat hij sterven. Hij heeft overal pijn en er is niks tegen te doen.’