Mathenesserplein, 2020 © ANP / Hans van Rhoon

‘Hij heeft me leren sterven’, dacht ik toen ik naar het dode lichaam van opa Pieter keek. Een om zijn hoofd gebonden handdoek hield zijn kaken op elkaar. Samen met mijn zwager stond ik te staren naar iets waar het leven uit vertrokken was.

Ik ben even ontsnapt uit het bedompte huis op driehoog achter in roerig Rotterdam-West en haal kibbeling. We zijn daar bij elkaar gekomen omdat opa het leven niet meer zag zitten. Nu ben ik buiten omdat de familie honger heeft, maar vooral omdat ik de riek van oude koeien, sloten, lijken en kasten niet meer trok. Er zijn maar weinig dingen die die geur beter maskeren dan gebakken kibbeling en klonterige ravigotesaus. Visboer Bos vraagt hoe het met opa gaat. Goed, zeg ik.

Rotterdam-West is een aangename buurt om even te luchten. Vooral in de zomer is het goed toeven in mijn wijk. Zo ook vandaag. Opa’s laatste dag is een Zuid-Europees warme dinsdagmiddag. Ik ben klaar bij de visboer en loop via de Nieuwe Binnenweg terug naar het huis dat technisch gezien even een mortuarium is. Zo kom ik langs de Toko Bon Pra, waar ik jarenlang boven heb gewoond.

Voor de deur staat de eigenaar een sigaret te roken, samen met de man die hem doorgaans helpt met klusjes. Die heeft net het vuilnis weggebracht en vraagt om een sigaret. Dat is volgens mij het enige wat hij voor zijn hulp terug wil: een sigaret en een pakje Capri Sun. Verder helpt hij vooral vanuit een goed hart. We groeten elkaar en ook mij vraagt hij om een sigaret. Die heb ik helaas niet bij me vandaag. ‘Ach joh, lekker weertje toch’, reageert hij, zonnebadend op zijn geparkeerde scooter. Ik kom hem vaak tegen, maar toch heb ik geen idee hoe hij heet. Hij weet het van mij ook niet, maar dat weerhoudt ons niet van een dagelijkse begroeting. Ik ken van bijna niemand in de buurt de naam. Ik weet eigenlijk alleen dat mijn onderbuurman Cas heet en zijn vriendin Sophie. Hun namen staan op de pakketjes die ik voor ze aanneem. Ik hoor ze wel, maar zie ze niet. Ze stommelen, stampen en slaan met deuren, als twee ontevreden dassen met gebogen ruggen in een te klein hol – ook al is hun hol twee keer zo groot als het mijne. Cas de Das rijdt een elektrische leaseauto, dat weet ik wel. Hij heeft er speciaal een oplaadpaal voor laten installeren.

Opa is 83 geworden. Oud, goed, tevreden. Maar niet zo oud als de gemiddelde mens in zogeheten ‘blauwe zones’. Dat zijn regio’s waar mensen gemiddeld zo’n twaalf jaar ouder worden dan op andere plekken op aarde. Bekende blauwe zones zijn Sardinië, delen van Griekenland, Japan, Californië en Costa Rica. Vaak schrijft men de lange levensspanne van ‘blauwe’ mensen toe aan het klimaat, het mediterrane dieet vol noten, verse groenten en vis, of de relatief ontspannen levensstijl. Maar een andere belangrijke factor die uit wetenschappelijk onderzoek naar voren komt, blijft vaak onderbelicht. Volgens onderzoeker Dan Buettner zijn sterke banden met familie, vrienden, buren en kennissen van essentieel belang voor een lang en gezond leven. In Icara, Italië, is het normaal dat ouderen samenleven met hun kroost. In Okinawa, Japan, hebben ze zelfs een speciaal woord voor de kleine gemeenschap die een leven lang voor elkaar zorgt: moai.

Waar mensen (heel) oud worden zijn onderlinge relaties sterk en duurzaam. Men helpt elkaar, juist op de oude dag. Als de één goed kan koken, doet de ander boodschappen. Als de één wil praten, luistert de ander. Ook de das schakelt graag hulp in: in zijn zoektocht naar eten werkt de das samen met een goede vriend van de familie, de honingspeurder. Een klein vogeltje met zwarte veren onder zijn snavel. De naam zegt het al; het vogeltje speurt naar bijenkorven. Wanneer hij een korf gevonden heeft, leidt hij de das ernaartoe door een liedje te fluiten. Vervolgens breekt de das met zijn sterke poten de korf open en eet de honing op, terwijl het honingspeurdertje zich op de bijenlarven en -was stort. Zonder elkaars hulp eten ze niet. Zo overleven de sterke das en het slimme vogeltje, samen.

Gemeentelijk beleid om bepaalde Rotterdamse buurten en wijken ‘op te waarderen’ door mensen met zogenoemde economisch ‘sterke schouders’ aan te trekken, leidt tot minder sociale verbinding tussen bewoners, blijkt uit onderzoek van de Erasmus Universiteit. Het aantrekken van sterke schouders zorgt voor minder contact tussen wijkbewoners. Dat komt aan de ene kant doordat kostwinnaars uit ‘sterke’ gezinnen vaak beiden fulltime werken en geen tijd hebben voor zaken als wijkparticipatie, maar aan de andere kant (en vooral) omdat sociaal contact doorgaans ontstaat tussen ‘soortgelijke mensen’.

Ander onderzoek, van wetenschappers van de Universiteit Utrecht, toont aan dat oorspronkelijke buurtbewoners niet of nauwelijks met nieuwe bewoners omgaan en bewoners van koopwoningen niet omgaan met bewoners van huurwoningen. Ook blijkt dat mensen zonder migratieachtergrond en mensen met migratieachtergrond in dezelfde buurt gescheiden van elkaar leven: soort zoekt soort, das zoekt das. Het belangrijkste effect van de poging om met gericht beleid wijken op te krikken – ook wel gentrificatie geheten – is daarom de erosie van sociale cohesie: in gegentrificeerde wijken ontstaan parallelle samenlevingen. In tegenstelling tot de brede schouders van de das waarop het vogeltje kan bouwen, is het voor zwakke schouders in de mensenwereld moeilijk om bij de honing te komen. De das woont namelijk achter een dure, gerenoveerde of nieuwe gevel.

De binnenkant van het hol van Cas en Sophie heb ik nog nooit gezien. Mijn buren aan de andere kant bezitten alle vijf verdiepingen van het herenhuis. Ik zie enkel kinderen op de trampoline springen. Mijn buren aan de linkerkant, een bejaard stel, koken vaak rond het middaguur een grote bak nasi of curry, omdat doorgaans rond vieren de familie langskomt. Dan zitten ze met een grote groep in de tuin, bord op schoot. Ze hebben één keer naar mijn balkon gezwaaid, maar ik merkte het te laat op. Ze zijn een paar weken geleden verhuisd. Hun huis heeft sinds kort een Frans balkonnetje en een nieuwe keuken. Nu opa gestorven is, heb ik het idee dat mijn laatste verbinding met de buurt door is geknipt. Volgens mij is mijn moai in gevaar – en niet alleen de mijne.

Aan de overkant van de Toko Bon Pra staat een lange rij bij het afhaalloket van de espressobar. Ik kijk met heimwee naar het gebouwtje waar ooit snackbar Peppie zat, op de kruising met de Claes de Vrieselaan. Het is een oud elektriciteitshuisje dat schever staat dan het gemiddelde grachtenpand, met daar provisorisch tegenaan gebouwd de bedaagde snackbar. Opa haalde al in de jaren negentig zijn grote patat speciaal bij Peppie, mét huisgemaakte curry. Een icoon in de buurt. Helaas moest de snackbar vorig jaar sluiten. Ik kom Peppie nog wel eens tegen. ‘Het ging niet meer’, zegt ze dan. Nu is de snackbar felgeel geschilderd, en het elektriciteitshuisje versierd met een muurschildering van twee handen die naar elkaar toe reiken, maar elkaar net niet raken, à la Michelangelo, zeg maar. Op het gele gedeelte hangt een poster met uitleg over het kunstwerk, de symboliek ervan, de lockdown en social distancing. Op de muur staat in mooie letters ‘Rotterdam. Make It Happen’. Over de gemeentelijke poster is een andere poster geplakt. In koeienletters staat er ‘Stop Gentrificatie’.

De burcht van een das gaat generaties lang mee. Sommige burchten bestaan al honderden jaren, worden generatie na generatie gebruikt, opgeknapt en uitgebreid. De grootste burcht ooit gemeten was 879 meter lang en had 129 ingangen. Hele stammen dassenfamilies spenderen hun levens in één en dezelfde burcht. Zonder al te veel aan mijn antropomorfische neigingen toe te geven, beeld ik me in dat de das zich thuis voelt in zijn burcht.

Het gevoel ergens thuis te zijn is belangrijk, maar tegelijkertijd ongrijpbaar. Het is moeilijk zomaar op te roepen, omdat het er jaren over doet om te ontkiemen, zich te ontwikkelen en zich ten slotte te nestelen. Pas na een lange tijd op dezelfde plek, in dezelfde buurt of in dezelfde stad gewoond te hebben, kristalliseert het thuisgevoel uit.

Volgens de Duitse filosoof Martin Heidegger is het gevoel van thuis zijn niet alleen fijn, het is zelfs noodzakelijk voor ons menszijn. In zijn lezing Over denken, bouwen, wonen uit 1951 zegt hij dat thuiszijn meer is dan ergens wonen en je veilig voelen. Wij maken van de plek waar we wonen een thuis, en op wederkerige wijze maakt die plek ons, definieert ons. De plek die je thuis noemt, is volgens Heidegger een betekenisvolle uiting van wie we zijn. In de psychologie heerst de overtuiging dat het thuisgevoel één van de vier pijlers voor een betekenisvol (lees: gelukkig) leven is. De andere drie pijlers zijn het idee dat je een bijdrage levert aan ‘de wereld’, een gevoel dat er mogelijkheden zijn tot zelfontstijging en dat je die mogelijkheden aan het benutten bent: zelfverwezenlijking. Je zou kunnen zeggen dat moai het dak is dat op deze vier pijlers rust. Tezamen vormen ze het huis van geluk, dat volgens mij felblauw geschilderd is.

Volgens dichter Rien Vroegindeweij is Rotterdam een halve stad. Leeg, altijd in opbouw, vaker nog in afbraak. Tweebos, Carnisse, Overschie, Delfshaven. Tot 2030 wil Rotterdam bijna elfduizend sociale huurwoningen slopen en nog eens tienduizend goedkope woningen renoveren, om er woningen in het middensegment van te maken. Een gemiddeld huishouden in Rotterdam telt twee leden. Omgerekend is dat een gedwongen verhuizing van veertigduizend mensen in minder dan tien jaar tijd.

Gedwongen verhuizing door sloop komt vooral voor bij huishoudens met economisch zwakke schouders; zij worden vervangen door sterkere. Zoals gezegd beïnvloedt deze dynamiek de sociale verbinding in een buurt op een negatieve manier. Datzelfde onderzoek laat zien dat een ander gevolg van wonen in een wijk met een lage sociale cohesie is dat de geestelijke gezondheid van bewoners daalt, wat weer effect heeft op de opvoeding van kinderen: ouders die in zo’n wijk wonen zijn geneigd hun kinderen negatiever en met minder aandacht op te voeden dan ouders die in een wijk wonen waar de verbinding met andere bewoners sterk is. Een dergelijke opvoedstijl heeft weer negatieve effecten op het gedrag van kinderen. Zo is het gevolg van gedwongen verhuizing dat men zich over het algemeen minder thuis, minder veilig en minder verbonden voelt, omdat de andere bewoners hun vreemd zijn. Dit zorgt ervoor dat, in tegenstelling tot het beoogde doel van gemeentelijk herstructureringsbeleid, buurten juist mínder leefbaar worden: ‘Zo ontstaan er woongebieden met mensen die niets meer met elkaar te maken willen hebben, waar geen verantwoordelijkheid meer is voor mensen en voor de woonomgeving. Dit zijn bekende ingrediënten voor buurtverval en dat is nu juist wat beleidsmakers proberen tegen te gaan’, aldus de onderzoekers.

Een gedwongen verhuizing verstoort het gevoel ergens thuis te zijn, breekt in op het menszijn. Een thuis definieert een mens, dus een sloopkogel slaat een gat in de identiteit. Tweebos, Carnisse, Overschie, Delfshaven. Stuk voor stuk dassenburchten die volgende generaties niet zullen zien. Zij zullen hun eigen burcht van meet af aan moeten opbouwen. Verspreid over de stad neergedwarreld moeten ze hun stinkende best doen om in een nieuwe kolonie opgenomen te worden. Sociale isolatie ligt op de loer, de moai van een buurt komt in gevaar. Haar mensen steeds lichter blauw.

Nadat ik snackbar Peppie ben gepasseerd besluit ik een flat white te halen bij de espressobar naast de apotheek. In een walm van warme kibbeling sta ik op de hoek te kijken naar gebeurtenissen op de kruising die ik al jaren mijn thuis mag noemen. Ik word aangesproken door een langslopende man van eind dertig. Hij zegt tegen me dat ik eruitzie als een typische Binnenwegbewoner. Ik neem het compliment goed op; ik voel me ook een echte Binnenwegbewoner. Ik bedank hem en vraag hem waarom hij dat denkt. ‘Je ziet er echt uit als zo’n witte man. Ik weet niet of je geld hebt, maar zo lijkt het wel. Hip, net als al die andere nieuwkomers. White men take over!’ zegt hij lachend.

Ik heb spijt van mijn bedankje. Ben ik er echt ook zo één? Zo voel ik me niet. Ik twijfel. Zo wil ik in ieder geval niet zijn. Ik raak licht geïrriteerd. Wanneer ik hem vertel dat ik hier niet ver vandaan ben opgegroeid en ik bovendien al acht jaar op de Binnenweg woon, zegt hij vrolijk: ‘Da’s niks, ik woon hier al dertig jaar! Maar niet lang meer: ik kan het bijna niet meer betalen. Ach, gelukkig is de buurt nu wel beter geworden, hè. Maar goed, dat is niet erg: ’s nachts, als jullie allemaal naar huis zijn, is het hier weer gewoon ghetto. Zoals het hoort.’

Het woord ghetto spuugt hij bijna trots uit en hij loopt fluitend door. Zijn sarcasme snijdt diep. Ik wil nog zeggen dat het ook voor mij onbetaalbaar is geworden en dat ook ik binnenkort weg moet, maar ik houd m’n mond en drink mijn koffie zwijgend op. Ik kijk in de weerkaatsing van de reclameborden van de tramhalte. Ik zie mezelf staan, met m’n flat white. Aan de andere kant van de halte zitten twee mensen. Ze roken een donker goedje uit een glazen pijp. Het bord waar ze tegenaan zitten maakt reclame voor Baqme. Een elektrische deelbakfiets.

Ik woon hier vier keer zo lang als Cas de Das, maar drie keer minder lang dan de man die hier al dertig jaar woont. Ben ik een ‘oorspronkelijke’ bewoner? Hoelang moet je ergens wonen om oorspronkelijk te zijn? Opa heeft hier zestig jaar gewoond. Is hij dan oorspronkelijk? Wie is ‘de’ oorspronkelijke bewoner? En wie is nieuw?

Het onderzoek van de Universiteit Utrecht laat zien dat het gentrificatieproces zich vooral afspeelt in wijken waar veel mensen met een niet-westerse migratieachtergrond wonen. Gentrificatie gaat daarnaast over nieuwe, kapitaalkrachtigere bewoners die een wijk ‘opwaarderen’, de economie opkrikken maar ook de huizenprijzen omhoogduwen. Zo worden oorspronkelijke bewoners met minder kapitaal vaak tegen hun zin in de wijk uitgedreven. Dat betekent dus dat over het algemeen armere, laagopgeleide mensen met een migratieachtergrond de dupe zijn van gemeentelijk beleid dat inzet op de opwaardering van wijken. Andersom geldt dan dat rijkere, hoogopgeleide mensen zonder migratieachtergrond van het beleid profiteren. Ik ben niet rijk en niet nieuw in de buurt. Ik ben wel hoogopgeleid, heb geen migratieachtergrond, haal af en toe een flat white en heb een laag inkomen. Wie ben ik in dit verhaal?

Volgens de man die mij aansprak ben ik deel van de white men take over. Maar ook weer niet: ik ben geboren en getogen Rotterdammer. Toch word ik door sommige buurtgenoten gezien als nieuwe bewoner – misschien niet de nieuwste, maar ook niet oorspronkelijk. Ik begeef me op de scheidslijn tussen oud en nieuw, maar ben onzichtbaar. Voor Cas ben ik oorspronkelijk, voor de man op de Binnenweg ben ik nieuw. Ik vind hem een oorspronkelijke bewoner, mezelf ook. Maar als soort naar soort zoekt, komen wij niet bij elkaar uit. Wie ben ik dan? En wie is hij? Ben ik das en hij honingspeurder, of andersom? Hoe kan ik mijn moai vinden in een buurt waar ik opgegroeid ben, maar niemand ken? Misschien ken ik te weinig namen omdat ik mezelf te weinig voorstel, te weinig doe in de wijkraad of me te weinig verantwoordelijk voel voor het afval voor mijn huis. Maar doet de Binnenwegman dat wel? En Cas met z’n oplaadpaal? Ik heb geen idee, want ik ken de dassen uit de kolonie die Rotterdam-West bevolkt niet. De parallelle samenleving gaat aan mij voorbij.

We zouden elkaar kwalijk kunnen nemen dat we elkaar niet kennen. Ik kan mezelf verwijten dat ik niet genoeg doe. Ik kan het de Binnenwegman aanrekenen dat hij de tijd niet neemt om me te leren kennen, of Cas de Das dat hij nooit eens aanbelt voor een kop koffie. Ik mis opa en zijn kringen. Maar ik denk dat dergelijke gedachtekronkels allemaal niet zo veel zin hebben. Het zijn namelijk niet de bewoners die iets verkeerd doen; het gemeentelijk beleid is moreel fout. Het drijft een wig tussen buurtgenoten door ten onrechte nieuwe categorieën te creëren in een maatschappij die toch al drijft op het creëren van hokjes: sterke en zwakke schouders, wel en geen migratieachtergrond, oorspronkelijk en nieuw. Dergelijke termen slaan op gemeentetaal, staan goed op spreadsheets en in beleidsplannen, maar zijn niet meer dan verzinsels. De waarheid is dat het beleid zorgt voor minder leefbare buurten en meer sociale isolatie. Het ‘herstructureringsprogramma’ stuurt actief aan op de afbraak van moai, van thuisgevoel en levensgeluk. De wig zorgt ervoor dat buurtbewoners zich minder snel zullen verenigen, omdat men zich niet meer verantwoordelijk voelt voor de buurt en niet voor elkaar. Nieuw noch oorspronkelijk.

In afwachting van gemeentelijk realiteitsbesef zouden wij Rotterdammers er baat bij hebben ons te realiseren dat de burcht van een das zich niet limiteert tot de voordeur, tot één ingang. Een burcht van een das kan wel 189 ingangen hebben. Mijn appartement is niet mijn burcht; mijn plek is slechts een klein holletje in de enorme burcht die Rotterdam-West heet. De straten als gangen, de voordeuren ingangen. Een burcht waar iedere generatie dassen recht op heeft: Cas met z’n leaseauto, de grote familie beneden, de man van de Toko, de mensen die een bruin goedje roken en zij die graag op elektrische bakfietsen rijden. Een burcht bovendien, waar das en vogel samen zullen werken, opdat we wellicht ooit donkerder blauw zullen worden.

Een week na de dood van opa kom ik de Binnenwegman weer tegen. Ik vraag hem wat hij vindt van het feit dat er zoveel nieuwe mensen in de buurt zijn komen wonen: ‘Zolang het hier ook nog af en toe ghetto is, vind ik het best. Er moet een balans zijn, weet je.’ Ik weet het, reageer ik. ‘Maar als die zoekraakt, komen we in opstand!’ roept hij terug. Hij loopt maar weer eens fluitend door, stopt dan en draait zich om. ‘Dit zou een goede reden zijn om in opstand te komen!’ roept hij, terwijl hij wijst naar het elektriciteitshuisje waarnaast geen gele snackbar meer staat. ‘Gisteren gesloopt!’ De volgende keer dat we elkaar tegenkomen, zal ik hem vragen naar zijn naam.