De definitie van het gelijkstellen

JAN LAUWEREYNS
VLOEISTOF EN WELVAART
De Bezige Bij, 48 blz., € 16,90

Twee wetenschappers staan in de trein van het werk naar huis. Ze zijn collega’s en beiden net vader, en altijd als ze naar huis reizen kletsen ze honderduit. Hun geesten werken bijna op dezelfde wijze, bedenkt één van de twee promovendi. Geen onlogische gedachtegang: ze werken nauw samen bij het uitvoeren en analyseren van neurofysiologische experimenten. Maar die dag gebeurt er iets anders. Jan bekent Katz ‘niets wetenschappelijks’ uitgericht te hebben en voornamelijk wat over poëzie te hebben gecorrespondeerd.
Katz, die wel wist dat Jan gedichten schreef, wil er het fijne van weten nu het in de weg lijkt te staan van wetenschappelijke arbeid. Poëzie is een ‘zielige activiteit’, volgens Katz, voor mensen die zich vervelen. Hij neemt zijn vriend nog even als een serieus mens en dwingt hem, wetenschapper, een definitie te geven. ‘Wat is poëzie in feite?’ Hij kijkt hem daarbij recht in de ogen, zeldzaam agressief voor een Japanner.
Het brengt Jan Lauwereyns, want dat is de dichter die deze anekdote oprakelt in het tijdschrift De volksverheffing: Jaarboek voor poëzie, ertoe dingen te zeggen waar hij zelf alleen maar ongelukkig van wordt. ‘Poëzie is experimentele literatuur’, en hij begint een verhaal over andere maatstaven dan wetenschappelijke. Iedere keer als daarin het woord poëzie valt heeft hij de neiging zich daarvoor te schamen en het woord in de trein niet te luid uit te spreken. Op het eind staart hij voor zich uit totdat Katz hem zegt: ‘Twinbrook Station, hier stap jij af.’
Jan Lauwereyns debuteerde in 1999 met de bundel Nagelaten sonnetten. Die titel klinkt bijna als de Franse dichter Nathalie Quintane die met een van haar eerste bundels Début. Autobiografie ogenschijnlijk ergens een punt achter wil zetten, maar bij Lauwereyns werkt de titel anders. De gedichten in zijn debuut hebben het nagelaten sonnetten te worden. Het zijn mooie kleine taferelen, die niet rijmen maar wel tot een twist met zichzelf leiden. Lauwereyns publiceerde sindsdien nog een aantal bundels, waaronder Buigzaamheden, waarvoor hij in 2003 de Antwerpse Hugues Pernath-prijs kreeg, en Anophelia! De mug leeft, een taaie, lijvige bundel met ettelijk veel notities van en over muggen.
Zijn zojuist verschenen zesde bundel Vloeistof en welvaart is van andere aard. Hij bevat een direct en aansprekelijk geheel aan teksten. Ook al is de dunne bundel opgedeeld in vier afdelingen en stopt ieder gedicht op ongeveer tweederde van de pagina, hij leest als een continue toespraak. De strofes van één of twee regels klinken als montere uitspraken en de toon is opvallend lyrisch. ‘De woorden blijven ontembaar’, schrijft Lauwereyns, en: ‘Het heeft beslist/ met een soort bevrijding te maken,// een schitterend bewijs, een prachtige ontkenning/ dat niets chaotisch is// zonder willekeurig te zijn.’
Lauwereyns lijkt opnieuw in definities te denken. ‘Wiskundige, begreep als kind al: rijmen is een/ pienter algoritmetje voor wilde verbeelding.’ Behalve het schrijven van gedichten passeren een aantal medische begrippen de revue, de eerste proef met de waterstofbom (‘Ivy Mike bewijst: de plooibaarheid van Nieuw Land’), muziekspel met Oosterse instrumenten als de baskoto, en wordt er een verhouding gesuggereerd:

Wanneer je in slaap valt,
je hardgekookte lichaam nog

op pijnlijke prikkels reageert,
van houding verandert,

wanneer je halsbrekende rechterarm te lang
onder mijn hoofdkussen gekneld zit,

slaap ik,

Type-3-communicatie verstoord.

Wat het gevolg kan zijn
van over gloeiende kooltjes lopen

in plaats van één te worden

met het ochtendgloren.

Ik kan de nieuwe bundel van Jan Lauwereyns niet lezen zonder terug te denken aan eerdergenoemde anekdote, die hij vier jaar eerder in De volksverheffing als leidraad nam voor het essay Mijn woorden gehoorzamen mij niet. De Vlaamse dichter en onderzoeker woonde in Amerika, Japan en in Nieuw-Zeeland. In plaats van een wetenschappelijk bevredigende definitie van poëzie te vinden, lijkt hij met zijn nieuwe bundel tot een poëtische benadering van het definiëren zelf te komen. ‘De linke vergelijking zwaait alias vuurtoren/ alle brave vissers en uitgehongerde meeuwen// breuk op breuk hetzelfde liedje toe’, schrijft hij. Lauwereyns, die verder de roman Monkey business en de essaybundel Splash: Lyrische suite over biologie, ritueel en poëzie publiceerde, is een aangenaam intelligente en fijnzinnige schrijver. Het is gezien zijn achtergrond niet verwonderlijk dat hij Engels begint te mengen door zijn woorden, in deze bundel doet hij het laconiek en opzettelijk. ‘Wicked, klonk ik zachtjes.// Wik het, weeg het, but don’t come/ crying later wanneer the deed inderdaad –’ Toegegeven, ik mis de heldere parabels van zijn vroege werk. Maar in tegenstelling tot zijn vorige bundel maakt Vloeistof en welvaart opnieuw nieuwsgierig naar die ongrijpbare wereld waar de dichter vat op heeft. Er zit humor in deze bundel, zelfrelativering en vaart. En dat is essentiële winst.
‘Biochemie. Ze heeft biochemie gestudeerd. Maar waar/ is het lichtknopje?’ dichtte Hans Magnus Enzensberger. De nieuwe, dunne bundel Vloeistof en welvaart van Jan Lauwereyns geeft zich niet snel prijs maar laat zich met plezier herlezen. ‘Met een truc kan ik U gelijkstellen/ aan de zojuist geformuleerde stelling.// Er is geen bewijs voor U=U.// Hoe mooier de sprong, hoe kleiner de plons.’