De moord op Theo van Gogh

De definitieve bevestiging van zijn gelijk

Een erger scenario had ook hijzelf, kampioen van de misantropische gedachte, niet kunnen verzinnen. De moord op Theo van Gogh markeert een dieptepunt in de naoorlogse Nederlandse verhoudingen. Vanaf nu geldt dat alles mogelijk is. Nederland is «out of control». Met de teloorgang van «Paars» – die in werkelijkheid de ondergang was van de laatste restjes van verzuild Nederland – heeft zich een bijna diabolische dynamiek meester gemaakt van wat ooit – het lijkt al zo lang geleden – een van de sloomste samenlevingen van West-Europa was.

In dat proces speelde Van Gogh een niet te onderschatten rol. Als aanjager, als provocateur, als wrekende hand van het fortuynisme. Hij begon als een romantisch aangelegde eenling, met een voor liefde voor Bürgerschreck en het shockeffect, maar eindigde als spreekbuis van een ware beweging.

Zijn stijl maakte school. De belediging groeide uit tot de laatst overgebleven redeneerstijl. Een ongekende vergroving diende zich aan. Reflectie werd een teken van zwakte. Actie moest er komen, vergelding, wraak – hoe fataler de formulering, des te beter. Het «vrije woord» diende te worden gedrenkt in vitriool. Van Gogh, de opperste eenling, die achter zijn spervuur van hoon en verachting een grote literaire gevoeligheid verbeet, werd zijns ondanks een ideoloog van een beweging. Een beweging die vóór alles streefde naar de vernietiging van wat als het grootste kwaad werd gezien: de «linkse kerk».

In die visie leek het alsof Nederland al sinds eeuwen werd bestuurd door de nazaten van Joop den Uyl. Ad Melkert werd in dat wereldbeeld het symbool van alles wat er fout was gegaan in Nederland, en dan met name van het grootste kwaad van alles: de «multiculturele samenleving», die in de ogen van Van Gogh niet bestond en alleen maar een verhulde invoering behelsde van een nieuwe, theocratisch aangestuurde dictatuur, verpakt in een hoofddoekje of achter een gezichtssluier, een veelkoppig monster dat zich richtte tegen de vrijheid en de kunst.

De beestachtige slachtpartij waarvan Van Gogh het slachtoffer werd, zal door zijn vele medestanders worden gezien als de definitieve bevestiging van zijn gelijk. Iedere poging tot nuancering zal door datzelfde kamp worden geïnterpreteerd als een poging tot rechtvaardiging van 2 november 2004.

Precies zoals de critici van de politiek van Pim Fortuyn door Van Gogh werden vereenzelvigd met diens moordenaar. Alleen de extremen tellen nog mee. Alles wat daartussen zit, is niet langer relevant.

Het is het sentiment van de kruistocht of de jihad, een uitzichtloze tunnelvisie die ook de moordenaar van Theo van Gogh tot zijn daad moet hebben gebracht.