Verkiezingen: De burger in tijden van neergang

De democratie is breekbaar

De verkiezingsuitslag van volgende week zal laten zien hoe Nederland verandert. Het lege midden in de politiek is een van de signalen. Het probleem voor de politiek is dat ze geen ervaring heeft met een middenklasse zonder perspectief op vooruitgang. Het alternatief? Een nieuw, opbeurend politiek verhaal.

Medium essay breekbaar

In De wereld van gisteren: Herinneringen van een Europeaan (1942) beschrijft Stefan Zweig hoe kwetsbaar een land in crisistijd is. Rond 1900 was het nergens gemakkelijker wereldburger te zijn dan in dat land met zijn wat vermoeide, maar onbevangen en multiculturele hoofdstad Wenen, waar de grondregel van het stedelijke bestaan ‘leven en laten leven’ een ongekende creatieve drang en intellectuele energie losmaakte. ‘Het was goed, gemakkelijk en onbezorgd leven in dat oude Wenen. De Duitsers in het Noorden keken enigszins geërgerd en minachtend neer op ons, buren aan de Donau, die in plaats van tüchtig te zijn en naar een straffe orde te streven, ons genietend líeten leven, goed aten, plezier hadden in feesten en het theater en daarbij voortreffelijke muziek maakten.’ Aan het einde van zijn leven keek Zweig (1881-1942) ontgoocheld terug op de vervlogen droom van vrijheid en kosmopolitisme: ‘In latere decennia zal blijken welke misdaad men aan Wenen heeft begaan door deze stad, wier wezen en cultuur juist bestond in haar geestelijk boven­nationale karakter, met geweld te willen nationaliseren en provincialiseren. Want het genie van Wenen was van oudsher geweest dat het alle tegenstellingen van volksaard en taal harmonisch in zich verenigde.’

Al ver voor de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland in 1936 zag Zweig de tekenen van verval. De dagelijkse omgang tussen mensen raakte gaandeweg gestempeld door achterdocht, de politiek kwam in de greep van schreeuwerigheid en grofheid, kunst en creativiteit werden verdachte uitingen van buitenissigheid, de bewegingsvrijheid leed onder telkens nieuwe verboden, voorschriften en procedures. De lichtheid van het bestaan die Zweig zo aanstond in het Wenen van zijn jeugd was verdwenen. De moraal van de geschiedenis die hij vertelt, is dat de kritische krachten in een samenleving op signalen van neergang attent moeten zijn.

Er zijn ook waarschuwingstekens van een veranderend Nederland. Een tijd van crisis, zoals nu door de voortdurende economische stagnatie, is ook een moment van de waarheid voor de ordenende systemen van een samenleving. Dan manifesteren zich zwakheden die in normale tijden achter de voorspoed versluierd blijven. Dat geldt voor de democratie niet minder dan voor de economie.

In de economie van zowel Europa als de Verenigde Staten zijn met de schuldencrisis systeemfouten aan het licht gekomen waartegen de gebruikelijke stimulerings- en correctiemaatregelen vooralsnog niet blijken opgewassen. Tot het uitbreken van de crisis kon het systeem dat falen nog aan het oog onttrekken door consumenten en overheden in staat te stellen steeds hogere schulden te maken. Dankzij easy money leefde de middenklasse in de VS in de waan dat ze rijk was, konden de Zuid-Europese staten hun burgers banen, pensioenen en diensten leveren en sloten Nederlandse gezinnen hoge hypotheken en andere kredieten af. Dat is ‘geleende welvaart’, in een beeld van econoom Jaap van Duijn. Vooral de onzekerheid of de consumenten en overheden dat voorschot op de toekomst kunnen aflossen lijkt het economisch systeem in een permanente staat van stagnatie te brengen.

In het Westen faalt het 21ste-eeuwse kapitalisme nu in wat het moet doen: het veiligstellen van de basiszekerheden van het bestaan zoals werk, voldoende inkomen, sociale zekerheid, zorg. Die chronische onzekerheid in het dagelijks leven van burgers belast ook de democratie. In goede tijden kijkt de brede middenklasse, optimistisch gestemd, naar boven en heeft zij vertrouwen in de instituties die het perspectief op de weg omhoog bieden, zoals de overheid, de rechtsstaat, de Europese Unie. Dan is zij een steunpilaar van de democratie. In slechte tijden kantelt het perspectief van de middenklasse. Dan doemen overal bedreigingen op die de angst voor de vrije val voeden.

Onzekerheid is nu het toekomstperspectief. Dat is in de Verenigde Staten niet anders dan in Europa. De filosoof John Gray karakteriseert de welvarende toestand waarin de Amerikaanse middenklasse tot de des­illusie van 2008 dacht te verkeren als een ‘schijnbeeld van voorspoed’ (De Groene Amsterdammer van 28 juni 2012). Hij verwacht dat de VS een toekomst van neergang staat te wachten, waarin een steeds groter deel van de middenklasse in een ‘schaduwwereld van scharrelbaantjes’ komt te leven. Volgens de Raad voor maatschappelijke ontwikkeling (rmo) verwachten, voor het eerst sinds de oorlog, ook in Nederland steeds meer mensen dat de kinderen het in de toekomst minder zullen hebben, als gevolg van de verslechterde bestaanszekerheid. Wie degradeert moet sterk in de schoenen staan om niet anderen de schuld te geven. Behalve tegen de klassieke prooien van elke rancuneleer, zoals de vreemdelingen en de ‘elite’, kan die onvrede zich keren tegen de instituties die de democratie schragen.

De democratie is dus geen vanzelfsprekendheid. Het nuchtere feit van alledag is, wist president Franklin Roosevelt ten tijde van zijn New Deal al, dat mensen elke dag brood eten, niet alleen op de lange termijn. Zo lenig en trefzeker de democratie kan zijn in tijden van voorspoed, zo traag en onzeker oogt zij als het tegen zit. Dan krijgt de gedachte aan een technocratie, of zelfs een autocratie met een sterke man een verleidelijke kracht, in de hoop dat zo’n bestel wel de radicale oplossingen kan bieden die geboden zijn. No bourgeoisie, no democracy, zo vatte de Amerikaanse socioloog Barrington Moore het verband tussen een welvarende middenklasse en de democratie al eens kortweg samen. De grote sprong voorwaarts die de democratie heeft gemaakt sinds de Tweede Wereldoorlog gaat gelijk op met de groei van een brede middenklasse, om te beginnen in de VS en Noord-Europa. Een nieuwe golf van democratisering begon in de jaren zeventig in Zuid-Europa, waar de dictaturen in Spanje, Portugal en Griekenland omvielen, en culmineerde in 1989 in de val van het Oost-Europese communisme. Sinds 1970 verdrievoudigde al met al het aantal democratieën wereldwijd tot 120. Het gaat hier om een zichzelf versterkend proces. Een liberale democratie biedt gunstige voorwaarden voor welvaartsgroei en tegelijkertijd doet het perspectief van stijgende welvaart de roep om politieke participatie aanzwellen.

Dat verband tussen een hoge ontwikkelingsgraad en democratie is geen toeval. Burgers in de middenklasse zijn doorgaans goed opgeleid, hebben bezit, beschikken over een stabiel inkomen en zijn met de wereld verbonden, allemaal omstandigheden die een democratische gezindheid stimuleren. Behalve dat zo’n bestel de vrijheid vergroot, biedt het de mogelijkheid het eigen lot met dat van anderen te verbinden om samen sterker te staan in de verdediging van de eigen belangen. Het omgekeerde is ook waar. Althans, een blik op de geschiedenis wijst uit dat landen met alleen extreme rijkdom en extreme armoede gevoelig zijn voor oligarchische toestanden en politiek radicalisme.

Dat roept de bange vraag op welk effect de democratie zal ondervinden wanneer het perspectief van de kiezers wisselt van voorspoed naar neergang. Een teken aan de wand is het onderzoek uit november 2011 waarin de Wereldbank waarschuwde voor een scherpe val in de publieke steun aan de democratie in de Oost-Europese EU-lidstaten. In Hongarije schrapt de regerende rechts-nationalistische Fidesz het dunne vernis­laagje van de democratie al weg, met maatregelen om de rechterlijke macht in haar gareel te zetten, de oppositie monddood te maken en andere ingrepen die een autocratie van deze partij vestigen.

In Nederland is de langjarige trend in de kiezersbeweging, nog eens bevestigd in de peilingen voor de verkiezingen van 12 september, dat kiezers het midden verlaten en de radicalere versies van de centrum­partijen cda, pvda, vvd opzoeken. Voorzover deze trend een indicatie is van maatschappelijk onbehagen rijst het beeld van burgers die hun persoonlijk geluk van buitenaf bedreigd zien door krachten waarop zij geen greep hebben, de politiek voorop. Zij verhalen dat op partijen die zij vanwege hun internationale oriëntatie en Europese beleid verantwoordelijk houden voor het ‘binnenhalen’ van deze bedreigingen. In hun perspectief verschijnt de globalisering als een bedreiging, waarbij ze zich minder dan vroeger ingebed weten in beschermende structuren als landsgrenzen, economisch protectionisme of de verzorgingsstaat. Dit onbehagen kan ook voortkomen uit de al dan niet reële vrees onvoldoende te zijn toegerust voor de flexibiliteit die de moderniteit van mensen verlangt.

De angst te verliezen wat men heeft, uit zich in politieke zin in een keuze voor de rechter- dan wel linkerflank. Aan beide zijden van het politieke spectrum wordt ingespeeld op de zucht naar behoud van het bestaande. Daarbij lijkt het vooral te gaan om het angstgevoel dat de ‘eigen’ cultuur op het spel staat, naast de vrees voor een neoliberale Europa-politiek die de verzorgingsstaat ontmantelt en buitenlanders in staat stelt de banen ‘in te pikken’. De ‘Polen’ zijn hiervoor spreekwoordelijk geworden.

Dit beeld wordt bevestigd in onderzoek van Martijn Lampert, socioloog bij het bureau Motivaction, naar de mate waarin de middenklasse zich aan nieuwe omstandigheden weet aan te passen. Nog vóór de schuldencrisis de toekomst verduisterde, concludeerde Lampert al dat de grootste groep in de middenklasse inmiddels wordt gevormd door burgers die het meest van allen hechten aan zekerheid, voorspelbaarheid en status. Zij houden zich afzijdig van politiek en overheid, zien de mondialisering en migratie als een bedreiging, zijn materialistisch ingesteld en voelen zich weinig verbonden met een groter verhaal dan hun eigen leven. Hun kring van empathie is beperkt tot de nabije geliefden. Hun oriëntatie is vooral op de korte termijn gericht. Deugden als zelfbeheersing, doorzettings­vermogen en matiging zijn daardoor minder ontwikkeld, wat onder meer tot uitdrukking komt in bovenmatig hoge schulden, overgewicht, alcoholmisbruik, schooluitval.

Uit onzekerheid en gebrek aan vertrouwen zijn deze Nederlanders, een groeiende groep, volgens Lampert weinig bereidwillig om veranderingen en nieuwe ontwikkelingen te omarmen. De houding tegenover de overheid is tweeslachtig. Ze vinden duidelijkheid en richting van de overheid van belang en hebben ook hoge verwachtingen van de wet als oplossing van hun problemen. Tegelijkertijd zijn ze teleurgesteld in wat de overheid daadwerkelijk voor hen blijkt te kunnen doen. Ze voelen zich daardoor niet erkend en niet gerespecteerd, door de overheid noch door de gevestigde politiek, en daarom is de democratie voor hen zeker niet per se de beste bestuursvorm. Zij zijn eerder cynisch toeschouwer dan betrokken deelnemer aan de democratie.

Ook Lampert concludeert dat de behoefte van deze groep aan nieuwe ankers en gezag zich uit in de vlucht naar de flanken van de politiek. In het verkiezingsprogramma van de pvv hebben hun wensen, frustraties en wrok tegen de overheid een politieke vorm gekregen. Uit het programma spreekt een onwankelbaar vertrouwen in autoritaire, repressieve machtsuitoefening en een onverholen egoïsme. In de verkiezingscampagne heeft Geert Wilders de bedreigde levensstandaard van de Nederlander met de Europese crisispolitiek aaneengesmeed tot een virulent vijandbeeld. Met de oneliner ‘Brussel regeert en dicteert, de burger gireert en crepeert’ is hij er opnieuw in geslaagd het veelkoppige monster van de moderne complexiteit handzaam te reduceren tot één probleem, genaamd ‘Europa’, nadat eerder moslims, Polen en Grieken die rol vervulden. Voor de andere partijen blijkt het lastig zich te verweren tegen dit soort schematische versimpelingen van de werkelijkheid. Dat onvermogen moeten zij ook zichzelf aanrekenen. Het ontbreekt ze tot dusver aan een offensief, wervend politiek verhaal om Wilders’ vijandbeeld te ontmantelen.

In de laatste jaren van zijn lange journalistieke leven stond _NRC Handelsblad-_columnist Jérôme Heldring regelmatig stil bij de vraag of de economische crisis ook in een test voor het Europese project zou uitmonden. Welvaart werkt volgens hem nationaliserend, voorzover het gaat om de zekerheden die de verzorgingsstaat biedt. Het vooruitzicht van minder bestaanszekerheid en teruggang in de particuliere welvaart versterkt dat nationaliserende effect. Dat kan vruchtbaar zaad zijn voor zowel agressief rechtspopulisme als linkse behoudzucht.

Zowel extreem nationalisme als verzorgingsstaatconservatisme houdt een valse belofte van behoud van oude zekerheden in. Beide recepten vergen de opzegging van internationale rechtsstatelijke verdragen, een afscheid van het Europese engagement en een terugkeer van een verzorgings­staat die mensen niet emancipeerde maar juist afhankelijk maakte. En toch kost het de partijen in het midden moeite deze realiteit over het voetlicht te brengen. De democratie is dus breekbaar.

Lange tijd hebben politiek en samenleving zich gekoesterd in de gedachte dat vooruitgang de maat is en tegenslag tijdelijk. De gewenning daaraan is zo sterk dat de politiek zich geen raad lijkt te weten nu de terugslag wellicht niet tijdelijk is. Achteruitgang is in de wereld van nu, waarin de roofbouw op hulpbronnen als energie en grondstoffen steeds drastischer vormen aanneemt, waarschijnlijker dan vooruitgang. Dat feit wordt door de politiek genegeerd, onderdrukt, soms zelfs ontkend. De partijen blijven hun programma’s baseren op de veronderstelling dat vooruitgang straks weer onze toekomst zal zijn, ondanks de toestand van chronische onzekerheid in Europa en de VS.

In Foreign Affairs spreekt de Amerikaanse politicoloog Charles Kupchan van een ‘crisis van de onregeerbaarheid’. Kupchan signaleert dat burgers steeds méér van hun regering verwachten terwijl de overheid tot steeds minder in staat is. De oorzaak schuilt in de mondialisering. Dat proces berooft de regering gaandeweg van de klassieke middelen die haar ten dienste staan om tegemoet te komen aan de behoeften van burgers. Zo brokkelt de beschermende schil die de nationale verzorgingsstaat ooit bood onherroepelijk af onder de druk van de toenemende internationale concurrentie. Ook nationale stimuleringsmaatregelen voor de economie boeten aan effect in, nu het geld voor een groot deel direct weglekt naar het buitenland.

Het ingrijpende effect van de mondialisering op het dagelijks leven maakt dat kiezers van hun regering meer bescherming van hun bestaanszekerheid eisen. De regering antwoordt met de eis van méér flexibiliteit, met als excuus dat ze als gevolg van de mondialisering niet anders kan. Zo wordt de kloof tussen de wensen en verlangens van de burgers en de mogelijkheden van de regering steeds wijder. Dat zet de democratie onder druk, zeker in een tijd waarin de werkloosheid oploopt, de welvaart krimpt en de verzorgingsstaat op het hakblok ligt.

Macchiavelli leerde al dat elke regering die het volk niet te vriend weet te houden onheil over zich afroept. De vrees voor een vertrouwensbreuk met de burgers kan politici schrikachtig maken voor het doen van concessies en het sluiten van compromissen. In de VS is dit effect waarneembaar in de vlammende polarisatie tussen Democraten en Republikeinen. In Europa durven politici tegenover revolterende kiezers minder dan ooit de concessies te verdedigen waartoe de samenwerking in de EU noopt. De realiteit dat de Europese welvaart zonder Europese eenwording zou wegzakken in een diep dal dreigt het af te leggen tegen het beeld dat de EU alleen de belangen van de ‘financiële markten’ dient.

Het probleem waar regeringen voor staan als zij tekortschieten tegenover hun burgers is des te complexer doordat de oorzaak schuilt in wereldwijde, betrekkelijk autonome processen, waarop zij weinig tot geen greep hebben. Een invloedrijke factor is de verplaatsing van arbeid naar lagelonenlanden. Dankzij de komst van wereldwijde communicatie- en transportmogelijkheden konden honderden miljoenen werknemers uit landen als Turkije, Brazilië, India en China hun intrede doen op de internationale arbeidsmarkt. Een groot deel van het werk dat vroeger een bron van inkomsten was voor de Europese en Amerikaanse middenklasse vindt nu daar plaats.

Een nationale regering staat met lege handen tegenover deze vlucht van arbeid, zoals zij ook machteloos staat tegenover de gevolgen van de technologische revolutie. Aan het begin van de industriële revolutie, in het tijdperk van kolen, staal en textiel, maakten technologische innovaties doorgaans nog productiesprongen mogelijk met navenante effecten op de werkgelegenheid. In dit tijdperk van de smart machine vallen de vruchten van de technologische revolutie dis­proportioneel toe aan de getalenteerden en hoger opgeleiden, ten koste van het lager betaalde werk. Francis Fukuyama concludeert dat alle opgewekte praat over de wonderen van de kennis­economie in werkelijkheid een sluier trekt over de harde feiten van de de-industrialisatie (De Groene Amsterdammer van 25 april 2012).

Hoe verschillend ook van aard, de uitkomst van al deze processen is een groeiende ongelijkheid. Vooral lager opgeleide en minder gekwalificeerde mensen dragen de gevolgen. In dat licht is het verwonderlijk dat links, de politieke beweging die uit de strijd tegen de ongelijkheid is ontstaan, zo weinig electoraal profiteert van de brede weerzin die het bandeloze kapitalisme oproept. De liberalen veroverden na de val van de Muur het ideologische primaat over economische vraagstukken. Behalve dan een terugkeer naar de onbetaalbare en demotiverende verzorgingsstaat heeft links geen echt antwoord op de de-industrialisatie van het Westen, de technologische revolutie en de mondialisering, alle drie factoren waardoor de oude arbeidsverhoudingen en de relatie kapitaal-arbeid op z’n kop zijn gezet.

In The Spirit Level beschrijven de Britse epidemiologen Richard Wilkinson en Kate Pickett hoe sociale vooruitgang in een land afhankelijk is van de mate waarin de inkomens- en vermogensongelijkheid binnen de perken blijft. Landen met een relatief egalitaire inkomensverdeling, zoals de Scandinavische, scoren in alle opzichten substantieel beter, of het nu gaat om onderwijsresultaten, armoedebestrijding, obesitas of de levensduur van mensen. Streven naar gelijkheid, het oude ideaal van links, loont dus.

De munitie voor een ideologisch offensief met gelijkheid als brandpunt ligt daarmee klaar en toch laat links het liggen. De SP valt terug in conservatisme over de verzorgingsstaat en verbindt dat, net als de pvv, met dreigende vijandbeelden over Europa met zijn Brusselse ‘klauwen’. Voor de pvda geldt, polemisch gesproken, dat zij niet meer weet wat zij te zeggen heeft doordat ze niet meer weet wat ze wil. Wie in diepere lagen zoekt naar de bron van dat onvermogen moet misschien terug naar 1994. In het verkiezingsprogramma van dat jaar beperkte de pvda haar politieke doel officieel tot een gelijkheid in kansen voor iedereen en staakte zij het streven naar gelijkheid in uitkomsten. Sindsdien is dat de ideologische filosofie van de sociaal-democraten.

Destijds, in 1994, had de pvda goede argumenten voor deze wending. Tactisch gezien verwijderde deze zet oude ideologische rommel van de weg naar samenwerking met de liberalen in Paars. Inhoudelijk had de partij ook valide argumenten. In het verleden was het streven naar gelijkheid in uitkomsten noodzakelijkerwijs gepaard gegaan met zware staatsinterventies om ieder zijn gelijke deel te geven, ten koste van de vrijheid. Artikel 1 van het beginselprogramma zet ‘vrijheid’ nu dan ook voorop. ‘Gelijkheid’ wordt er niet meer in genoemd. Als gevolg van deze wending had de pvda weinig steekhoudend principieel verweer als de maatschappelijke en materiële ongelijkheid toenam.

Een heroriëntatie op het gelijkheidsbeginsel is in de pvda urgent, nu de groeiende ongelijkheid de bestaanszekerheden van de middenklasse aantast. In Nederland geven de officiële cijfers over de inkomens­verhoudingen geen beeld van toenemende verschillen. Maar de wereld achter de cijfers is een andere. Alles wat in jaren van voorspoed doorgaans tot de zekerheden van het bestaan behoorde, zoals werk, betaalbare zorg, goed onderwijs en een welvaartsvast pensioen, is lang niet meer zo vanzelfsprekend. De armoedeval klapt eerder open dan vroeger. Dat geldt te meer nu ook het behoud van inkomen en vermogen minder zeker is en overheidsvoorzieningen allengs schraler worden.

De kritiek die Fukuyama in het Groene-_essay levert op de ‘desastreuze ideeënarmoede van links’ kan zonder meer worden gelezen als kritiek op de verleiding van de ‘Derde weg’ waaraan de pvda na 1994 toegaf. Volgens Fukuyama trad de richtingloosheid in op het moment dat links de ideologische gestrengheid van de sociaal-democratie inruilde voor gefragmenteerde intellectuele trends als het postmodernisme. De _freischwebende Intelligenz van het postmodernisme is een ramp voor een politieke beweging, gekenmerkt als het wordt door de ontkenning van een groot verhaal over de geschiedenis of de samenleving, van een ideologie dus. Daardoor ondermijnde links het eigen gezag bij de mensen die op haar rekenen, aldus Fukuyama.

Bij de pvda vond het postmodernisme een uitweg in het permanente weifelen van Wouter Bos over de ideologie van de sociaal-democratie. Dat werd op nogal ontluisterende wijze zichtbaar in de documentaire De Wouter Tapes, waarin pvda-politicus Frans Timmermans wanhopig werd van de modieuze kromtaal van Bos’ spindoctors. ‘Solidariteit, Wouter, daar gaat het ons toch om? Daarvoor zijn we toch opgericht?’ voegde hij de toenmalige partijleider toe.

De beweging van de pvda richting SP is een van de voorbeelden van de invloed die de middelpuntvliedende krachten op de politiek uitoefenen. Maar ook de vvd heeft een ideologische wending gemaakt waarbij meer en meer afstand is genomen van het sociaal-liberalisme dat de partij sinds haar oprichting in 1948 heeft gedomineerd. In de vvd van nu overheerst de antiretoriek van partijleider Mark Rutte over de staat die geen ‘geluksmachine’ mag zijn. De rode draad in de miljardenbezuinigingen die de liberalen voorstaan, is dat de burgers zichzelf moeten zien te redden. In de traditie van het sociaal-liberalisme draagt de overheid juist mede­verantwoordelijkheid voor de ontplooiing van burgers en het aanleren van vaardigheden. De gedachte is dat een overheid de middelen tot emancipatie biedt en mensen toerust om op eigen benen te staan en van hun vrijheid te genieten. De naoorlogse politiek om de overheid een verantwoordelijkheid te geven op het terrein van cultuur, onderwijs en sociale zekerheid is dan ook evenzeer een liberaal als een christen-democratisch en sociaal-democratisch project.

De vvd lijkt met deze traditie te breken. Het vvd-congres van 1988 bekeerde zich nog met kracht tot het sociaal-liberalisme, na een partijdiscussie over het rapport Liberalisme, een speurtocht naar de filosofische grondslagen. De auteurs, onder wie de latere partijleider Frits Bolkestein, trachtten de vvd juist een andere kant op te bewegen, tot ergernis van een grote meerderheid van het congres. Die ergernis gold vooral de wat nihilistische mensvisie van Bolkestein en de zijnen. ‘De mens is een wezen dat zijn nut wil maximaliseren’, schreven zij. ‘Hij heeft niet een bepaald levenspad af te leggen, maar streeft steeds naar wat hem van moment tot moment leuk, handig, aangenaam of plezierig lijkt. Van een ontwikkeling, een groei in zijn persoonlijkheid in de loop van zijn leven is niet of nauwelijks sprake.’

Keerde de vvd zich destijds nog tegen dit radicale individualisme, nu lijkt zij er onbewimpeld voor te kiezen, getuige het beeld dat de partij van ons, burgers, schetst in het verkiezingsprogramma. Wij willen volgens de vvd harder rijden, op bredere wegen, zonder ons te bekommeren om het grotere gevaar dat wij daarmee voor anderen vormen, noch om de extra vuile lucht en herrie die we veroorzaken. We willen dat de staat de grenzen zo ver mogelijk afsluit voor vreemdelingen, van wie wij vrezen dat zij onze welvaart bedreigen. Wij willen ook meer voor onszelf houden en daarom niets meer van onze nationale rijkdom met arme landen delen.

De christen-democraten hebben een veelzijdiger mensbeeld, waarin solidariteit een bepalende waarde is. ‘De liberalen vinden in de ander hun beperking, de christen-democraten in de ander hun bestemming’, zo verwoordde cda’er Petra van der Burg ooit het verschil met de vvd. Maar de partij is door het politiek verbond dat zij in 2010 met de pvv sloot ver van het eigen ideologische huis afgedwaald. De weg terug kost haar zichtbaar moeite. In de formatie van 2010 bespeurde informateur Lubbers nog ‘een ferme politieke wil’ bij het cda om dat verbond te sluiten. Van die wil getuigde minister Hans Hillen, toen hij bij de start van het kabinet een bezwaarde oud-fractiemedewerker met een lange staat van dienst toevoegde: ‘Als het je niet bevalt wat wij gaan doen, emigreer je maar. Naar Albanië.’ Deze belaste geschiedenis blijft als een slagschaduw over het cda hangen, hoezeer de partij de samenwerking met de pvv nu ook relativeert tot ‘een experiment’.

Het leeg geslingerde midden in de politiek is een van die signalen van een veranderend Nederland, waarvoor de verkiezingsuitslag volgende week opnieuw een indicatie zal geven. Het probleem waar de politiek voor staat is dat zij geen ervaring heeft met een middenklasse die het perspectief op vooruitgang ontbeert.

De contouren van het alternatief laten zich nog wel schetsen. Kort gezegd zal het aankomen op een nieuw, opbeurend politiek verhaal, waarin vooruitgang niet zozeer afhangt van de groei van de materiële welvaart, als wel van een sociaal en cultureel welbevinden. Dat verhaal gaat over de noodzaak onszelf in te houden, zonder dat het vervalt in zwaarmoedig antimaterialisme of een ontkenning van het genot van mooie dingen. Die noodzaak is er alleen al omdat we anders nog meer schulden maken, de bron van de ellende.

Partijen die in hun ideologie een beroep doen op je betere ik hebben in de kern dus de beste boodschap voor de toekomst. In het gedachtegoed van de sociaal-democratie, de christen-democratie en het sociaal-liberalisme zit dat beroep besloten. In theorie geeft dat pvda, vvd en cda in deze tijd een voorsprong op partijen die het egoïsme en nationalisme belichamen. Tot dusver kruipen ze uit angst voor de electorale kracht van deze partijen evenwel in hun schulp en verzwakken ze zo zelf het midden, die stabiliserende kracht in de democratie.

Stefan Zweig schreef in 1942 dat de tekenen van de breekbaarheid van de democratie in Oostenrijk voor een goede waarnemer eerder zichtbaar zouden moeten zijn geweest. ‘In ons oude, slaperige Oostenrijk begon zich een merk­waardige verschuiving van structuren af te tekenen. Al de onderaardse scheuren en kloven tussen de rassen en klassen, die het tijdperk der verzoening zo moeizaam met de mantel der liefde had bedekt, scheurden open en werden afgronden en ravijnen. In werkelijkheid was in het laatste decennium voor de twintigste eeuw de oorlog van allen tegen allen in Oostenrijk al begonnen. En pas toen tientallen jaren later het dak en de muren op ons neer­stortten, zagen we in dat de fundamenten allang onder­graven waren geweest.’