Amerika, GEEN BELEID

De democratie van Bush zal ooit komen

De democratieën in de regio geven terroristische organisaties de vrije hand of voeren excessieve vergeldingsacties uit. De landen die zich koest houden, worden autocratisch geregeerd. Blaast Bush stilletjes zijn democratiseringsagenda af? Heeft Amerika Israël in de hand, of is het juist andersom?

WASHINGTON – In zijn tweede inaugurele rede, op 20 januari vorig jaar, liet president Bush er geen twijfel meer over bestaan: de democratisering van het Midden-Oosten was voortaan inzet van het Amerikaanse buitenlandse beleid. Uit nationaal belang. Want een democratischer wereld is een veiliger wereld. Sindsdien hebben kenners van de Amerikaanse buitenlandse politiek zich eindeloos afgevraagd wat die democratiseringsagenda in de praktijk betekent. En of Bush de politieke consequenties ervan voor zijn rekening neemt. De president zelf vond het simpel, herhaalde hij in speeches en interviews: veiligheid en vrijheid liggen in elkaars verlengde. Hij noemde daarbij meer dan eens het boek The Case for Democracy: The Power of Freedom to Overcome Tiranny and Terror. «Als u iets van mijn denken over buitenlandse politiek wilt begrijpen, moet u dat boek lezen», vertelde hij een journalist van de conservatieve Washington Times. De auteur is Natan Sharansky, ooit een Russische dissident die negen jaar doorbracht in een sovjetgevangenis maar tijdens het bezoek aan Bush inmiddels minister in de Israëlische regering. In het buitenlandse beleid, aldus Sharansky, nu lid van de Knesset voor Likoed, moeten belangen en waarden met elkaar samenvallen. Bush is het daarmee eens. Tenminste, dat beweert hij.

Desondanks heeft het White House Watching in Washington een abrupte wending genomen. Want Bush ging in de afgelopen weken nadrukkelijk op de eigen handen zitten toen Amerika’s belangrijkste bondgenoot in het Midden-Oosten, tegelijk de oudste democratie in de regio, bommen begon te gooien op de twee jongste democratieën in de regio, Libanon en Palestina-op-de-Gazastrook.

«Een paar van mijn intellectuele vijanden keken inderdaad even raar op hun neus», zegt Ed Abbington, een voormalige consul-generaal van de VS in Jeruzalem, die uit onvrede met het beleid van Madeleine Albright opstapte en daarna adviseur werd, in Washington, van Abbas en de Palestijnse Autoriteit. «Zij namen die democratiseringsgedachte van Bush serieus. Maar met de beslissing om de prille democratie in Libanon, nota bene het paradepaardje van Bush’ doctrine, te laten verdwijnen onder het puin van flats en zelfs communicatietorens heeft Bush voor een geheel ander soort veiligheid gekozen. Niet die van de democratie. Want met bommen op je dak en een kapotte infrastructuur heeft het bouwen van democratische instituties niet de hoogste prioriteit.»

«Vrijheid en veiligheid liggen natuurlijk niet in elkaars verlengde», aldus William Galston, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Maryland. «Die creëren juist een spanningsveld waarin politici een midden moeten zien te vinden. Belangen en waarden vallen al helemaal niet altijd samen. Sharansky heeft gewoon een uiterst matig boek geschreven. Bij een crisis als deze heb je er helemaal niets aan. De democratie Israël bombardeert haar buurland overigens met instemming van tachtig procent van haar bevolking. En ik denk dat die raketten Hezbollah electoraal ook geen pijn doen. So far for peaceloving democrats.»

Organisaties als Hezbollah, Hamas en die van Moqtada el-Sadr in Irak zijn de koorts, zoals journalist Jeffrey Goldberg van The New Yorker het noemt, waar iedere patiënt doorheen moet om beter te worden. Maar soms, zo gaat de rest van Goldbergs metafoor, sterft de patiënt aan die koorts.

Dat is pijnlijk voor de idealist Bush. Maar alleen voor deze Bush. Want de machtspoliticus Bush treedt in tijden van crisis nog altijd eerst in overleg, zoals afgelopen zondag, met de antidemocratische Saoedi’s, bijvoorbeeld met minister Prins Saud al-Faisal van Buitenlandse Zaken en vriend-in-nood Prins Bandar, wereldberoemd door Michael Moore’s film Fahrenheit 9/11. Dat zijn geregeerde bondgenoten in Egypte en Jordanië de raketaanvallen van Hezbollah veroordeelden, plezierde de politicus Bush ook. Dat de nieuwbakken premier van het «bevrijde» Irak de vergeldingsactie van Israël veroordeelde en parlementariërs zelfs gewag maakten van «slagers» deerde deze Bush niet.

De oude en autocratische Arabische bondgenoten van de VS konden even grimlachen. Zou Bush door de raketten van Hezbollah en het gewapend verzet van Hamas zijn lesje hebben geleerd? Realiseert hij zich nu eindelijk de waarde van stabiliteit, van de Realpolitik die zijn vader en andere voorgangers bedreven? Dat is de vraag. Nu ineens wél malen om stabiliteit zou voor Bush een te grote breuk zijn. De Amerikaans-joodse rechtsgeleerde die meehielp de nieuwe Iraakse grondwet te schrijven, schreef dat afgelopen week nog eens duidelijk op. Geconfronteerd met de dreiging van terreur, aldus Noah Feldman, «besloot de enig overgebleven supermacht zowel de krachten van vrijheid als instabiliteit op het Midden-Oosten los te laten». Met de oorlog in Irak introduceerde het Witte Huis een stoutmoedig nieuw beleid van «democratisering door destabilisatie». De gevolgen lieten niet lang op zich wachten. De Ceder Revolutie in Libanon had zich volgens Feldman zonder de Irak-oorlog nooit voltrokken. En nu, concludeert Feldman, blijkt dat Bush zijn eigen democratiseringsagenda serieus neemt door juist niet in te grijpen in het conflict. Geen staakt-het-vuren, geen onderhandelingen met Syriërs of Iraniërs. Want democratisering is een modderig project voor de lange termijn. Het kan vijftig jaar duren, maar ooit dient die vrijheids- en vredelievende democratie van Bush zich aan.

Volgens Steven Simon, lid van de invloedrijke Council of Foreign Relations, is de democratiseringsagenda zelfs de oorzaak van de recente escalatie in het Midden-Oosten. «Juist als ze beginnen op te gaan in het alledaagse politieke landschap voelen vergrijzende revolutionaire bewegingen zich gedwongen om hun voortgaande relevantie en vitaliteit te bewijzen. Om van zich te laten horen. Hamas moest de opwinding van de gewapende strijd vervangen door het leveren van publieke diensten. Leiders als Khaled Meshal vinden deze rol volstrekt onacceptabel. Noem het een midlifecrisis», aldus Simon. «In Libanon gebeurde iets soortgelijks met Hezbollah. Aan gewone Libanezen met lokale Libanese belangen valt niet veel eer te behalen. Dan liever de rol van voorhoede in het antizionisme. Voor Hezbollah en Hamas zouden de huidige vergeldingsacties van Israël dus wel eens een blessing in disguise kunnen zijn. Om onschuldige burgerslachtoffers lijken ze toch al niet te malen. Maar de familieleden van die slachtoffers malen daar wel om en wie weet sluiten die zich nu bij de gewapende strijd aan.»

Dat roept de vraag op of Israël zijn beleid heeft afgestemd met de Verenigde Staten. Voormalig diplomaat Abbington: «Ik denk het niet. Vergeet niet dat de Israëliërs door die dubbele ontvoering – met nota bene een tunnel onder de grond – hun broek op hun enkels hadden hangen. Dat speelt. Die vernedering riep om onmiddellijke actie. De regering-Bush, daar ben ik zeker van, is verrast door de snelle escalatie van de vergeldingsactie en al helemaal door de schade die Hezbollah weet aan te richten. Tegelijk reageerde dit Witte Huis als vanouds: koppig en dom. Die houding komt voort uit zijn wereldbeeld. Je hebt slechte en goede mensen. Democratie is goed en autocratie is slecht. Dat slechte mensen in een goede, lees democratische, samenleving op slechte organisaties kunnen stemmen is eigenlijk al een slag te gecompliceerd. In dat licht moet je die paradox plaatsen dat Amerika aan de ene kant zegt de Libanese regering van premier Fouad Siniora te steunen, maar tegelijkertijd de naïviteit heeft te denken dat het mogelijk is Hezbollah volledig uit te schakelen met militaire middelen. Dat is natuurlijk eerder geprobeerd. Met de bekende gevolgen. Dit Witte Huis wil er gewoon niet aan dat, als je geen serieus vredesplan hebt, je niet moet verwachten dat verkiezingen de uitkomsten bieden waar jij naar verlangt. Nu zijn er verkiezingen gehouden, maar is er ook opnieuw een front geopend waar terroristen naar hartelust ongelovigen kunnen vermoorden.»

Het einde van Bush’ democratiseringsagenda betekent dus niet dat de «realisten» op het State Department de touwtjes plotseling weer in handen hebben. Realisten praten met de vijand, om suboptimale resultaten te behalen aan de onderhandelingstafel. Ze maken hun handen vies. Idealisten als Bush, Cheney en Bolton (ambassadeur bij de Verenigde Naties) houden juist niet van het compromis. Met boevenstaten als Syrië of Iran praat je niet. Zelfs niet als gesprekken de traditionele doelstellingen van het Amerikaanse beleid dichterbij kunnen brengen, zoals toegang tot olievelden, terrorismebestrijding en veiligheid voor Israël. Ze zingen liever de lof van de democratie, ook als onduidelijk is hoe die kan worden beveiligd. Democratisering is nu eenmaal een middel voor de erg lange termijn.

Dat in de tussentijd de nieuwe democratische vormen in het Midden-Oosten de traditionele «realistische» doelen van het Amerikaanse buitenlandse beleid in de weg staan, is van minder belang. Zoals Bush zelf in zijn inaugurele rede van januari 2004 zei: «En als de ziel van een natie dan eindelijk spreekt, zouden de nieuwe instituties van die democratie wel eens gebouwd kunnen zijn naar heel andere ge-woontes en tradities dan de onze. Het doel van Amerika is om anderen te helpen hun eigen stem te vinden, om hun eigen vrijheid te verkrijgen en hun eigen manier te vinden.»

In de woorden van de econoom Milton Keynes, toen hij kritiek op zijn werk pareerde: «In the long run we’re all dead.»