Voor «een beetje populisme»

De democratie vitaliseren

Een beetje populisme is goed voor de demo cratie. De toegenom en aandacht voor personen in de politiek hoeft de democratie niet te verzwakken, maar kan deze juist versterken. PvdA-leider Wouter Bos verdedigt deze stellingen.

Het intellectuele en politieke debat over onze democratie blinkt uit door somberheid. Populisten zijn dan vooral goedkope politici die iedereen beloven dat ze alles kunnen krijgen en liefst ook nog gratis. En de opkomende aandacht voor de persoon van politici wordt weggezet met termen als schwarzeneggerisering van de politiek. Ofwel: het zou alleen nog maar gaan om het kontje en niet om de inhoud.

Maar de toegenomen aandacht voor personen is juist goed voor de democratie en van populisten valt heel wat te leren. Niet als modegril, maar omdat een aantal zaken in onze samenleving fundamenteel veranderd zijn.

De Leidse hoogleraar Andeweg stelt dat de manier waarop wij in ons land de democratie hebben georganiseerd eigenlijk sinds 1919 niet meer is veranderd, maar de samenleving wel. Volgens hem is de meest ingrijpende ontwikkeling in dit verband de opkomst van de geschoolde en mondige burger. Behalve op deze «ontvoogding» van de burger wijst Andeweg op een andere fundamentele ontwikkeling: de «ontzuiling» van de burger. In het verzuilde Nederland dienden voort durend compromissen gesloten te worden en dat legde een zware verantwoordelijkheid bij de voormannen van de partijen en maatschappelijke organisaties. De politieke activiteit van burgers was meer mobilisatie van bovenaf dan participatie van onderop. Daarmee is volgens Andeweg gaandeweg een verschil ontstaan tussen de invloed die ons bestel toekent aan de burger en de rol die de burger kan en wil spelen in de politiek. Hij ziet een toenemende behoefte aan meer gerichte invloed dan alleen de grofmazige keuze op een politieke partij, dus ook invloed op persoonskeuzes en beleids inhoud.

De groeiende roep om meer rechtstreekse vormen van democratie is dus geen modeverschijnsel. Ook het geklaag over de kloof tussen burgers en politici was niet van tijdelijke aard. Het hing samen met fundamentele veranderingen in onze samenleving die nog steeds om een antwoord vragen.

In de Partij van de Arbeid heeft altijd een enorm wantrouwen tegen directere en persoonlijkere vormen van democratie bestaan. Tijdens de debatten over de direct gekozen burgemeester viel vaak het argument dat de PvdA toch voor de «spreiding van kennis, inkomen en macht» is, en dat het daarom een goed sociaal-democratisch beginsel is om macht niet te willen concentreren bij één persoon. Ook zijn er die vinden dat je door referenda te omarmen de functie van het parlement om zeep helpt.

Ik zie dat anders. Ten eerste betekent spreiding van macht niet dat macht niet geconcentreerd mag worden, maar wel dat tegenover macht altijd tegenmacht moet staan. Tegenover een sterke burgemeester een sterke gemeenteraad. Tegenover een sterke minister-president een sterke volksvertegenwoordiging. De spreiding van macht betekent niet dat je geen bestuurder rechtstreeks zou mogen kiezen, maar dat je ervoor moet waken dat deze bestuurder altijd een tegenmacht tegenover zich krijgt.

Ten tweede heeft een sterke overheid een tegenmacht nodig. Dat kan gebeuren door het parlement, maar ook door de burger zelf. Daarom moeten politieke partijen die pleiten voor een sterke overheid burgers in staat stellen om diezelfde overheid op een veelheid van manieren ter verantwoording te roepen. Bijvoorbeeld door een aangenomen wet bij referendum alsnog af te keuren.

Ten slotte kunnen we ook nog een les trekken uit de opkomst van het populisme in 2002. Historisch gezien kan het populisme geduid worden als een beweging van het volk tegen over de politieke elite, die de kloof tussen volk en elite wel eventjes zou dichten. Liefst natuurlijk met behulp van een sterke leider.

Het populisme is echter zowel dr. Jekyll als mr. Hyde. Er is veel aan het populisme wat ook mij niet bevalt, zoals het pleidooi voor een sterke leider zonder tegenmacht, de manier waarop goedkope sentimenten tegen politici als zakkenvullers worden gevoed, het autoritair-cynische wereldbeeld of de vaak tegen het fascisme aanschurende roep om een sterke leider die dat zooitje van parlement en politici maar eens de waarheid moet vertellen.

Daar staat tegenover dat populisten met hun kritiek op een te grote kloof tussen kiezers en gekozenen ook vaak een oerdemocratische en dus legitieme kritiek uitoefenen op de werking van de democratie. Dat was wat mij betreft bijvoorbeeld het geval met de populistische kritiek van Fortuyn op de werking van de democratie in het Nederland van voor 2002.

Hadden bepaalde groepen niet terecht reden om zich slecht vertegenwoordigd te voelen door «Den Haag»? Was het niet zo dat rond een aantal onderwerpen, zoals immigratie en integratie, een Haagse consensus was ontstaan die niet of nauwelijks doorbroken kon worden? Lag de oorzaak daarvan niet mede in de geslotenheid van de politiek bestuurlijke elite? Speelde daarbij niet een rol dat kiezers zich in onze parlementaire democratie alleen maar over pakketten uit kunnen spreken, en nooit over «losse» onderwerpen?

Dit onderdeel van de populistische kritiek was terecht. Er is dus alle reden om de Nederlandse burgers meer te kiezen te geven en onze parlementaire democratie aan te vullen met meer rechtstreekse elementen. Niet om de representatieve democratie te slopen, maar om haar aan te vullen en daarmee te versterken.

Sommigen benadrukken dat zowel het populisme als de invoering van elementen van meer rechtstreekse democratie een persoonlijkheidscultus versterkt die toch al onverantwoorde vormen aanneemt. De democratie kritiek valt dan bijna samen met een cultuurkritiek op een samenleving vol oppervlakkigheid waarin televisie vercommercialiseert, politiek vervlakt en verkiezingen niet meer over inhoud maar vooral over beelden gaan.

Die redenering is tamelijk onzinnig. Een toename van de aandacht voor personen en persoonlijkheden is immers een fact of life, maar – sterker nog – kan juist een verrijking voor de democratie zijn.

Allerlei onderzoeken laten zien dat mensen al heel lang, waar ook ter wereld, dezelfde criteria hanteren bij het beoordelen van politici. Dan blijkt het vooral te gaan om 1) competentie, 2) integriteit, 3) betrouwbaarheid, 4) uitstraling en 5) persoonskenmerken. Personen en persoonlijkheden zijn dus belangrijk, maar waren dat altijd al. Voorop staan nog altijd de legitieme beoordelingscriteria als competentie, integriteit en betrouwbaarheid.

Iets anders is wel veranderd. De Amsterdamse hoogleraar Liesbet van Zoonen wijst erop dat de informatie die mensen nodig hebben om politici op deze criteria te beoordelen uit steeds meer bronnen komt. Steeds minder alleen maar uit het optreden in de politieke arena en wat daarover te lezen is in gespecialiseerde media of verkiezingsprogramma’s. Steeds méér uit hoe politici zich in het leven van alledag voordoen, hoe ze met gewone mensen omgaan en hoe daarover in populaire media bericht wordt: de commerciële talk shows en de infotainment-achtige media.

Mensen baseren hun oordeel dus niet meer alleen op het gedrag in de Tweede Kamer, maar minstens zozeer op het gedrag bij Barend & Van Dorp. Dat is niet erg. Misschien is het zelfs wel een verrijking van onze democratie.

De personalisering van de politiek kan de politiek immers voor een heleboel mensen boeiender en aantrekkelijker maken. Er bestaat geen echte tegenstelling tussen aandacht voor de persoon en aandacht voor de inhoud. Het is juist de persoon als drager van een boodschap, als «gestold programma», die vertrouwen wint van mensen; veel meer dan een programma van papier en inkt ooit zou kunnen. Daar zitten grote voordelen aan. De steeds belangrijkere rol van de persoon als drager van de boodschap kan de betrokkenheid van mensen bij de politiek en de opkomst bij verkiezingen vergroten, gewoon omdat politiek daarmee menselijker, toegankelijker en boeiender wordt. Dat is een goede zaak en we hebben er rond Pim Fortuyn iets van meegemaakt. De opkomst bij de Tweede-Kamerverkiezingen ging voor het eerst sinds tijden weer omhoog.

Daarnaast is een gepersonaliseerde politiek in een heleboel opzichten ook wel zo eerlijk tegenover de kiezer. Wie naar de stembus gaat, schenkt vertrouwen aan politici. Daarbij zijn programma’s, voornemens en beloften zeer relevant, maar ze vallen of staan met het vertrouwen in de persoon die ze moet uitvoeren. Ze zijn al helemaal weinig waard op het moment dat omstandigheden zo snel veranderen dat programma’s nauwelijks meer waarde hebben maar die persoon toch politieke keuzes moet maken.

Politici gaan langer mee dan programma’s en ze komen voor tal van keuzes te staan waar programma’s onmogelijk in kunnen voorzien. De toegenomen aandacht voor de persoon van politici doet daarmee gewoon recht aan hoe belangrijk hun rol in de praktijk is geworden. Het maakt het overigens ook wel heel moeilijk voor diezelfde politici, omdat ze met moeilijke dilemma’s worden geconfronteerd over hoe ze precies de grens tussen privé en publiek trekken en waar ze media wel en niet toelaten.

Ik ben niet bang voor de personalisering van de democratie, noch voor een beetje populisme. Het kan de democratie vitaliseren en dat is her en der hard nodig. Dat gaat niet ten koste van politieke partijen. Die zullen altijd nodig blijken. Maar partijen die deze ontwikkelingen begrijpen en benutten gaan het veel verder schoppen dan partijen die zich ertegen verzetten.

Wie alles bij het oude wil laten en essentiële veranderingen in onze cultuur en onze samenleving niet wil zien, kan versteend vast blijven houden aan het oude vertrouwde.

Maar die houding zal uiteindelijk schadelijker zijn voor de democratie dan een oprechte poging haar te moderniseren, personaliseren en populariseren.

Dit is een verkorte versie van de Johan

De Witt-lezing, gehouden op 23 februari

te Dordrecht.