De democratuur van berisha

Luan Rama is journalist van het verboden Albanese dagblad Koha Jone (Onze Tijd)
Het jaar 1997 zal als een zwart jaar de Albanese geschiedenis ingaan. De instorting van de geldpiramiden, het massale protest van de gedupeerden en de hardhandige onderdrukking van de demonstraties door de politie ontketenden in korte tijd een volksopstand, gevolgd door plunderingen en totale chaos. De kans op een burgeroorlog en een exodus naar de buurlanden neemt toe naarmate de gehate president Berisha en zijn gelegenheidscoalitie tevergeefs trachten orde op zaken te stellen. De nieuwste wending, sinds ongeveer een week, is het verschijnen van gewapende benden die in delen van het land de macht overnemen.

Terwijl Europa zoekt naar oplossingen, vraagt iedereen zich af hoe dit kon gebeuren. De ondergang van de piramidefondsen was slechts de aanleiding voor de Albanese crisis, zoveel is duidelijk. De diepere oorzaken zijn van politieke en sociale aard. De ‘democratisering’ van de laatste jaren heeft de oude reflexen en methoden van het stalinisme niet onschadelijk kunnen maken. Na de euforie van de democratische overwinning is Berisha met open armen ontvangen in alle Europese hoofdsteden. Met zijn betogen over markteconomie, pluralisme, rechtsstaat en mensenrechten heeft hij de Europese politici ervan weten te overtuigen dat Albanië op de goede weg was. Maar het aanleren van democratische beginselen en bestuursvormen is moeilijk, zeker als je zelf aan de macht bent.
In plaats van een modern en tolerant beleid heeft Berisha een radicaal en autoritair beleid gevoerd, zowel binnen zijn eigen Democratische Partij als tegenover de andere partijen. Hij heeft alle 'kameraden’ uit de begintijd van de democratische beweging uit de partij gezet. Berisha verenigde op den duur alle belangrijke functies: partijleider, president, bevelhebber van de strijdkrachten en hoofd van de geheime politie. Zijn ontwerp voor een nieuwe grondwet werd in 1994 bij referendum afgekeurd, maar nadat hij ook de Raad van State onder zijn controle had gebracht, kon hij voortaan de stembusuitslagen manipuleren. De presidentsverkiezingen van mei 1996 werden op grote schaal vervalst, terwijl de OVSE-waarnemers er met hun neus bovenop stonden. Hun vernietigende eindrapport concludeerde dat de kiezers 'hun wil niet vrij hebben kunnen uiten’.
Albanië was weer een eenpartijstaat geworden. Tientallen oppositionelen en politieke gevangenen vonden de dood in Berisha’s gevangenissen. In 1994 werd Fatos Nano, leider van de grootste oppositiepartij, de Socialisten (ex-communisten), na een schijnproces tot twaalf jaar veroordeeld wegens verduistering van hulpgelden. Dan te bedenken dat Nano, een hoogleraar uit Tirana die in 1991 even premier was, niet eens een communist is, maar een liberaal en wereldburger. Zijn veroordeling was het begin van een 'omgekeerde klassenstrijd’, waarin Berisha iedereen die hem voor de voeten liep, beschuldigde van communistische agitatie. Onder het mom van zuivering van het staatsapparaat verwijderde hij niet alleen voormalige communistische functionarissen (tot wie hij overigens zelf behoort), maar ook de beste en meest ervaren experts van het land. Zo ontsloeg hij een groep economen van de universiteit van Tirana enkel omdat zij hun voorkeur uitspraken voor de oppositie. De democratie verwerd tot een democratuur, waarin zelfs geen plaats meer was voor de rechtse oppositiepartijen. Ook zij maakten volgens Berisha deel uit van het 'rode front’ dat het communisme terug wilde.
Omdat er van zijn geloofwaardigheid weinig overbleef, bemande Berisha de geheime politie zoveel mogelijk met trouwe aanhangers uit zijn eigen geboortestreek. Dit politieapparaat, de Shik, stond boven de wet en was niet alleen machtiger maar ook viermaal groter dan de beruchte Sigurimi van Hoxha. In heel Albanië regeerde opnieuw de angst. Wie zijn stem verhief tegen de regering of de Democratische Partij kon op staande voet ontslag krijgen. Oppositionele politici, journalisten en academici werden voor de rechter gesleept door ongediplomeerde jongelui uit de gelederen van Berisha die zich na een cursus van zes maanden procureur mochten noemen.
Ook de onafhankelijke pers werd uitgeschakeld. Honderden Albanese en buitenlandse journalisten zijn de afgelopen jaren mishandeld en bedreigd, hele redacties werd het werken onmogelijk gemaakt. Een jaar geleden werd het gebouw van Koha Jone (oplage 60.000) belegerd door honderden politieagenten, de voltallige redactie werd gearresteerd en dagenlang verhoord zonder enige tenlastelegging. Begin dit jaar werd de hoofdredacteur met ijzeren staven het ziekenhuis in geslagen en onlangs is het gebouw door een bende gewapende Berisha-aanhangers in de as gelegd. Sindsdien werken Albanese journalisten met voortdurend gevaar voor eigen leven. Geen enkele oppositiekrant kon nog verschijnen, geen enkele onafhankelijke intellectueel kon nog bijdragen aan een oplossing van de crisis. Albanië was monddood gemaakt.
De opstand van februari was geen vanzelfsprekend vervolg op het protest van de piramideslachtoffers. Pas na de brute onderdrukking van hun demonstraties, de nachtelijke arrestaties en de grootscheepse martelingen en mishandelingen in de in allerijl heropende gevangeniscomplexen uit het Hoxha-tijdperk, ontstak de bevolking in een onstuitbare razernij, die zich zelfs uitte in het levend verbranden van Shik-agenten. De opstandelingen in het zuiden, ook zij die hebben aangekondigd dat ze met een overgangsregering onder leiding van Berisha kunnen leven, eisen nog steeds onvoorwaardelijk de 'ontmanteling’ van zijn geheime politie.
De teleurstelling onder de Albaniërs is immens. Alle demonen uit het recente verleden lijken te zijn teruggekeerd. Terwijl sinistere 'commando’s’ in Tirana en andere grote steden de dienst uitmaken, verklaart Berisha op de Italiaanse televisie dat hij nergens spijt van heeft. Hij ontpopt zich als een totalitaire heerser naar het voorbeeld van Hoxha, niet als een 'toegewijde leerling van Churchill’, zoals hij Europa trachtte wijs te maken. Als de toestand zich enigszins stabiliseert, moeten de Albanezen eerst en vooral ijveren voor een werkelijk 'open’ samenleving, een samenleving waarin, zoals Karl Popper in The Open Society schreef, 'ook de slechtste leider maar weinig schade kan aanrichten’.