De demonen van de porno het feit dat vrouwen in porno zo vaak verschijnen als ‘niemand’, wil nog niet zeggen dat ze dan ook maar meteen ‘iedereen’ representeren een man die wordt betrapt met porno, wordt iemand anders, niet de man die mevrouw meende te ke

Vies, voos, zedenbedervend, moraalondermijnend, vrouwenonderdrukkend. Porno is de ultieme metafoor van alle kwaad. En kinderen de ultieme metafoor van de onschuld. Daar krijg je rare combinaties van.
IN 1979 WERDEN DE affiches die de nieuwe James-Bondfilm, Moonraker, aankondigden, beplakt met stickers met de tekst: ‘Take my body off your poster.’ Het was een poster waarop van alle kanten vrouwen kwamen aanzweven naar het stralend middelpunt James Bond.

Een eenvoudig zinnetje, waarin niettemin alle kwalen en misverstanden besloten liggen waar het pornografiedebat en, in mindere mate, het debat over de verbeelding van het vrouwelijke in het algemeen, aan leed en nog steeds lijdt. Direct al werd er door John Ellis in het filmblad Screen op gewezen dat de begeleidende tekst van de feministische actievoersters geen aanval vormde op het pornografisch karakter van het affiche maar dat juist versterkte. De toeschouwer van pornografie is immers een gluurder naar (seksuele) activiteiten van anderen. Door de tekst op de sticker werd de toeschouwer behalve gluurder ook nog eens afluisteraar, en wel van de dialoog tussen de afgebeelde vrouwen en de producenten van het affiche.
De negatie van de consument van pornografie is een merkwaardige constante in het debat over pornografie. De vrouwen die in het debat het woord namen, uitten in schrille bewoordingen hun verontwaardiging over de beledigende afbeeldingen, maar daarmee kwamen we nog niks te weten over het functioneren van porno. Behalve dan dat de betekenisgeving voor het overgrote deel arbeid was die verricht werd aan de kant van de kijker.
Het buitensluiten van de gebruiker heeft evenwel een functie in de pornografie. Door bepaalde feministische kringen, kringen van moraalridders en fatsoensrakkers maar ook deels door de collectieve verbeelding, is pornografie naar buiten gekatapult: buiten onze relaties, buiten de samenleving en buiten het ‘normaal menselijke’. De problemen die opdoemen op het moment dat men probeert de gebruikers aan het woord te laten, zijn vergelijkbaar met die van de onderzoeker die probeert de psychologische constitutie van de nazi-beul te doorgronden en vervolgens het verwijt krijgt dat hij of zij het onzegbaar kwade goedpraat. Heteroseksuele vrouwen die manlief aantreffen met de broek op de knieen tussen de pornografische afbeeldingen, reageren niet zelden zoals de vrouw in de film The Invasion of the Bodysnatchers, die ontdekt dat het lichaam van haar man bezet is geraakt door een buitenaardse peul. Zo'n man wordt iemand anders, niet de man die mevrouw meende te kennen. Want, zo impliceert een dergelijke redenering, de man die mevrouw kende, zou zoiets nooit doen.
PORNOGRAFIE IS DUS NIET alleen het grote kwaad, het is het grote kwaad van buiten. Zo kwamen de clowns in Oude Pekela van buiten het dorp om porno te produceren. Gemeenschappen dienen zich af te grendelen van de buitenaardse invasie van het kwaad door, zoals in de Verenigde Staten, de schoolbibliotheken te screenen op verborgen dragers van de pornografische boodschap.
Tot een beter begrip van het verschijnsel leidt dit natuurlijk allerminst. In zekere zin is het schokkend hoe een idee de waarneming kan vertroebelen. Ik heb in de jaren dat het pornodebat in de feministische beweging onafgebroken werd gevoerd, regelmatig bijeenkomsten bijgewoond waar vrouwen werkelijk collectief hysterisch werden van het zien van weliswaar tamelijk onsmakelijke, maar verder weinig schokkende filmpjes. De organisatie van een vrouwenfestival over erotiek die voor de zekerheid pornofilms van voor de oorlog, in de beste Franse o lala-traditie hadden geprogrammeerd, brak dat toch nog op. De voorstelling werd goeddeels verhinderd. Wat er op zulke momenten in mensen vaart - beter gezegd: wat eruit komt - is zo'n explosief mengsel van noties en gevoelens over seksualiteit, man-vrouwverhoudingen en maatschappelijke verhoudingen, dat een rationele discussie over het verschijnsel pornografie verder onmogelijk is. Incest, verkrachting, seksueel misbruik van kinderen en pornografie zijn in de hoofden van veel mensen al lang loten van dezelfde stam. Dat het merendeel van de pornografie bestaat uit plaatjes die verondersteld worden opwindend te zijn voor mannen en filmpjes waarin mensen in alle mogelijke standjes neuken en klaarkomen, doet er dan niet meer toe.
Dat sommige radicaal-feministen en ultraconservatieve moraalridders elkaar daarbij van tijd tot tijd enthousiast in de armen vallen, hoeft niet te verbazen. Beide partijen definieren pornografie op dezelfde manier. In de ultraconservatieve visie is pornografie ten eerste gewelddadig, ten tweede windt het mensen op een ongezonde manier op, ten derde wordt de geslachtsgemeenschap als doel op zich voorgesteld, los van de liefde, ten vierde seksualiseert pornografie de hele mens, en ten vijfde is pornografie een uitdrukking van moreel verval.
De radicaal-feministische visie noemt pornografie eveneens gewelddadig, gericht op de geslachtsdaad los van andere waarden als communicatie, gericht tegen een vrouwelijke invulling van seksualiteit, en een uitdrukking van mannelijke seksualiteit bestaande uit het overmeesteren van vrouwen. Slechts dat laatste verschilt dan van het morele verval van de ultraconservatieven - de andere bezwaren zijn onderling uitwisselbaar.
OVERIGENS ZIJN WE ook met deze statements nog steeds niets wijzer over wat pornografie nu eigenlijk is. Terug naar Moonrakers en de stickers die met zoveel vlijt werden geplakt. Take our bodies off your posters. Onze lichamen. Een strategie met rampzalige gevolgen. Het is jouw lichaam dat daar op het witte doek wordt verkracht, zei de radicaal-feministische theorie.
Maar ten eerste is het mijn lichaam helemaal niet zolang ik die identificatie niet in mijn eigen hoofd tot stand breng. Het feit dat vrouwen in de pornografie zo vaak verschijnen als 'niemand’, behalve een lichaam, wil nog niet zeggen dat ze dan ook maar meteen 'iedereen’ representeren. De notie was ongetwijfeld bedoeld om de betrokkenheid te genereren zoals dat met betrekking tot verkrachting in het echt ook gebeurde onder het motto 'het kan jou ook gebeuren’. Maar in plaats van daar direct achteraan te zeggen, 'en laten we eens kijken hoe we dat kunnen voorkomen’, werd de weg ingeslagen van een dusdanige identificatie met het slachtoffer van verkrachting dat alle vrouwen slachtoffer werden van wat een vrouw werd aangedaan. Maar slachtoffers van seksueel geweld zijn meestal echt en behoorlijk zwaar beschadigd. Dat slachtoffers zich als slachtoffers gedragen is begrijpelijk en deels onvermijdelijk. Maar welk zinnig doel kan het toch dienen dat de niet-slachtoffers de beschadigingen, kwetsuren, woede, angsten van de slachtoffers dusdanig incorporeren dat ze niet meer van de slachtoffers te onderscheiden zijn?
Bij pornografie wordt dit effect nog verdubbeld; niet alleen ben ik het niet die op de pornografische afbeelding wordt verkracht, er wordt helemaal niemand verkracht. Er wordt hooguit een verkrachting verbeeld. En die verkrachting wordt bij het overgrote deel van de pornografische afbeeldingen ook nog grotendeels geconstrueerd door de toeschouwer. Of weten we precies en algemeen te duiden wat onderwerping is en wat overgave, wat pijn is en wat genot?
En er is nog iets met dat 'onze lichamen’. Het suggereert dat ik me alleen bezorgd zal maken, me op zal winden of actie zal ondernemen als 'het mij ook kan gebeuren’ - of eigenlijk, het gebeurt mij al, want ik ben die mevrouw. Toch ben ik samen met heel veel andere vrouwen wonderwel in staat om me betrokken te voelen bij iets wat mij nog in geen honderd jaar kan overkomen. Het heeft iets beledigends om daar niet toe in staat geacht te worden. En het heeft grote gevolgen. Want bezorgdheid over en belangstelling voor de vrouwen die in de porno-industrie werken, zou kunnen uitmonden in krachtige actie om de arbeidsvoorwaarden in die sector te verbeteren, een behoorlijke betaling te garanderen, evenals uiteraard vrijwilligheid.
Maar nee, de totale identificatie zet een heel ander psychologisch proces in gang, waarvan de bouwstenen haat, zelfhaat, jaloezie, woede en vernedering zijn. Voer nog maar eens een normaal gesprek met iemand via wie je zojuist bent vernederd. Immers, door haar vernederende plaats in de afbeelding over te nemen, is tegelijkertijd jouw positie tegenover je mannelijke sekspartner beslissend ondermijnd omdat je in de afbeelding bereid was dingen te doen of je te laten welgevallen waartoe je in werkelijkheid niet bereid bent.
Hoe zit het trouwens met die gewelddadige verbeelding die de pornografie zou beheersen? Sinds Nancy Friday weten we dat vrouwen zich suf fantaseren over verkrachting, overmeestering en wat al niet meer. Maakt u zich geen zorgen, riepen de therapeuten ons toe, want uw fantasieen hebben weinig van doen met uw werkelijke wensen, en als u daar zin in heeft, kunt u ook best eens een paar fantasieen naspelen. Nu wil ik graag geloven dat de meerderheid van de leden van het mannelijk geslacht er een lichtelijk achterlijke emotionele huishouding op na houdt, maar zijn ze zo stom dat ze fantasie en werkelijkheid niet uit elkaar kunnen houden? Het lijkt me raadzaam om een man die je vraagt om zijn hele voetbalelftal op rij te bevredigen omdat hij dat zojuist in een pornofilm heeft gezien, eenvoudig weg te doen. Dat is vele malen effectiever dan een actiegroep tegen pornografie oprichten. Overigens betogen de zeldzame bekentenissen van pornografieconsumenten juist dat pornografie een soort illustratie is van de macht die vrouwen over mannen hebben, de macht waaraan een heel voetbalelftal willoos is overgeleverd.
DE MANNELIJKE SPELER in pornofilms voor heteroseksuelen is intussen zo mogelijk nog meer 'niemand’ dan de vertolksters van vrouwelijke rollen. De vrouwelijke pornoster communiceert tenslotte met de toeschouwer en daarbij mag haar mannelijke tegenspeler niet teveel in de weg zitten. Hij moet eenvoudig weg te denken zijn. Sommige radicaal-feministen zijn zo onverstandig zichzelf in de plaats te denken en voelen van de heldin, en zien het verhaal ook nog eens voor werkelijkheid aan, maar voor mannelijke consumenten is dit nu juist de bedoeling.
Een andere verklaring voor de opmerkelijke kleur- en karakterloosheid van mannelijke spelers in pornofilms is dat mannen in deze wereld de parameters voor seksuele aantrekkelijkheid van vrouwen bedenken en zichzelf daarbij hebben weggemaakt. Uiterlijk noch uitstraling doen ertoe omdat mannen degenen zijn die uitzoeken, niet degenen die uitgezocht worden. Pornografie activeert bij veel mannen een horrorvisioen en in hun ijver om vrouwen in het keurslijf van de ultieme aantrekkelijkheid te persen, hebben ze het monster van Frankenstein gebaard: vrouwen die zo goed in staat zijn om in te spelen op de seksuele behoeften van mannen dat er geen verweer tegen mogelijk is, en die dus een macht uitoefenen waarbij de macht van geld en status verbleekt. Vanuit die invalshoek vindt de gemiddelde pornoconsument het helemaal geen goed idee dat zijn sekspartner van vlees en bloed zich gaat gedragen als de pornoheldin.
Pornografie ontdaan van ideologische onzin mag dan een tamelijk geruststellend en ook interessant onderwerp vormen om over te filosoferen, porno in de collectieve verbeelding is dat echter beslist niet. Zoals voor veel mensen porno het ultieme kwaad is, zijn kinderen de metafoor voor de ultieme seksuele onschuld. Of zuiverheid. Dus als de woorden kind en porno achter elkaar worden gezet, moet er wel iets helemaal mis zijn.
Met andere woorden, als je duidelijk wilt maken dat er iets helemaal mis is, dan is het vanuit het effectbejag een goed idee om met kinderporno aan te komen. Zo werd in Oude Pekela waarschijnlijk het seksuele misbruik van een of twee kinderen door een bekende de gemeenschap weer uit geprojecteerd door de collectieve fantasie over de clowns. Of misschien was het wel alleen maar de ontdekking dat kinderen seksueel in het geheel niet 'onschuldig’ zijn.
Met rampzalige gevolgen voor de meeste kinderen. Want de fantasie van hun ouders werd, zoals Peter Hofstede in de Haagse Post al snel constateerde, alsnog gerealiseerd toen die ouders hun peuters naar het ziekenhuis sleepten waar mensen aan hun geslachtsdelen gingen zitten en grote lampen op hen werden gericht. De schending van de lichamelijke integriteit vond alsnog plaats, nu onder het motto van onderzoek, de gevolgen van het vermeende misbruik werden moeiteloos gegenereerd door de 'therapie’, de manier waarop de kinderen werden ondervraagd. Dat de regie van de hele film in handen was van een huisarts en zijn vrouw die aanhangers waren van een Nederlandse tak van de ultraconservatieve moreel-vervalbestrijders werd maar langzaam aan duidelijk. Het getuigt van een meedogenloos cynisme dat mensen in hun ijver om de verderfelijkheid van kinderporno aan te tonen bereid zijn om het zelf te vervaardigen.
DE AMERIKAANSE FOTOGRAAF Don Mader kwam tweemaal met het Nederlandse strafrecht in aanraking. Zijn geexposeerde foto’s werden in beslag genomen op beschuldiging van kinderporno. De man fotografeert jonge jongens en tijdens de produktie is nooit enige onrechtmatigheid geconstateerd. Dat er vervolgens kijkers zijn die de afbeeldingen gebruiken bij hun seksuele fantasieen is een ander verhaal. Maar wie loopt daar schade bij op? Op grond van een dergelijke constructie zou evengoed de kalender van het Wereldnatuurfonds kunnen worden verboden.
Het feit dat de discussie over porno zo vaak een bizar verloop heeft, komt omdat het vrijwel onmogelijk is om pornografie te verlossen van het vermeende demonische karakter. Dat hoeft op zichzelf niet zo'n probleem te zijn, er zijn wel meer verschijnselen in deze wereld waarover een rationele discussie niet mogelijk is. Maar als er mensen worden vervolgd omdat ze verdacht worden van betrokkenheid bij het pornobedrijf is er toch iets ernstigs aan de hand.
Dat de bestrijders van pornografie er geen been in zien het gewenste doel, het verbieden van porno, te bereiken door forse gaten te slaan in de bescherming van het recht op de vrijheid van meningsuiting is een ramp. De uitwassen van porno zijn uitstekend te bestrijden met dezelfde wetgeving die ondernemers verbiedt om hun werknemers als slaven te behandelen. Wil men porno als geheel uit deze maatschappij doen verdwijnen, dan ontstaan er steeds levensgevaarlijk ruime omschrijvingen van wat pornografie is, verordeningen die de vrijheid van meningsuiting in het algemeen aantasten en bovendien de rechtszekerheid van burgers aantasten. Het zou een hele opluchting zijn als er eens een andere vijand wordt geconstrueerd - een die het waard is om met zoveel energie en emotie tegen tekeer te gaan.