Joachim Radkau, Max Weber: Die Leidenschaft des Denkens

De demonen van Max Weber

Joachim Radkau

Max Weber: Die Leidenschaft des Denkens

Carl Hanser Verlag, 1008 blz., e 45,-

Max Weber (1864-1920), een van de grootste en meest universele geesten van zijn tijd, was een vat vol tegenstellingen. Anders dan de meeste Weber-vereerders voor hem – met voorop Marianne Weber, die de eerste biografie over haar echt genoot schreef: Max Weber: Ein Lebensbild (1926) – doet zijn meest recente biograaf Joachim Radkau geen moeite de tegenstellingen glad te strijken en van het onderwerp van zijn studie een harmonieuze en evenwichtige persoonlijkheid te maken, integendeel: hij laat ze door de opzet van zijn biografie nog beter uitkomen. En hij doet nog meer, iets wat eerder nog niet zo consequent gedaan was: hij toont op overtuigende wijze aan dat de veelzijdigheid van Webers wetenschappelijke werk rechtstreeks voortvloeit uit zijn gecompliceerde karakter en zijn contrastrijke natuur.

Weber zag zichzelf in de eerste plaats als wetenschapper, maar het lot van de Duitse natie lag hem zo na aan het hart dat hij menigmaal overwogen heeft zich actief in de politiek te mengen. Hij had uitgesproken ideeën over hoe Duitsland zich op het wereldtoneel diende te gedragen. Na Bismarck, voor wie Weber een mengeling van bewondering en afschuw had, was de Duitse politiek volgens hem in handen gekomen van louter bureaucraten (na «literaten» voor Weber het allerergste scheldwoord) en hij zag Duitsland afglijden naar de rang van een tweederangs staat, een gemakkelijke prooi voor het machts hongerige Rusland.

In 1895 zet Weber zijn politieke standpunten voor het eerst uiteen in zijn beroemd-beruchte inaugurele rede aan de universiteit van Freiburg. Daarin pleit hij onverbloemd voor een radicaal imperialistische politiek. Politiek is in zijn visie geen vreedzame aangelegenheid waar ethische normen gelden, maar een eeuwigdurende strijd om economische speelruimte op de wereldmarkt. Stilstand op dat ge bied is achteruitgang, alleen groei garandeert het voortbestaan van een natie.

Kortom, spierballentaal. Radkau brengt dit op overtuigende wijze in verband met één kant van de persoonlijkheid van Weber: zijn zelfverzekerde, harde, mannelijke kant. Die komt bijvoorbeeld tot uiting wanneer hij zich laat voorstaan op zijn «Trinkfestigkeit» en zijn bereidheid om met iedereen op de vuist te gaan die hem in zijn eer aantast. Maar er is ook nog een andere Weber: de nerveuze, teruggetrokken twijfelaar, de kamergeleerde die wars is van alle academische beslommeringen en zich verre houdt van politieke hoogvliegerij. En die Weber zien we vooral terug in de tijd na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog. Dan is hij een van de weinige publicisten die oog houdt voor de reële politieke situatie en die met afschuw reageert op elk politiek radicalisme, of het nu van links komt of van rechts.

Een ander thema dat de discrepantie in Webers persoonlijkheid en wetenschapspraktijk illustreert is dat van de waarde vrijheid. In zijn wetenschapstheoretische ge schriften en in zijn beroemde rede Wissenschaft als Beruf houdt hij een vlammend pleidooi voor het uitbannen van alle waarden uit de wetenschap, maar tegelijkertijd verkondigt hij ook de stelling dat niets voor de mens van waarde is wat hij niet met hartstocht doen kan. En in zijn inaugurele rede gaat hij zelfs zo ver te stellen dat «de wetenschap van de economie een politieke wetenschap is. Ze is een dienares van de politiek (…), van de blijvende machtspolitieke belangen van de natie.»

Hij had ook als hoogleraar de grootste moeite om kennis en waardeoordelen strikt van elkaar te scheiden. Zelden voldeed hij zelf aan de strenge eisen die hij aan wetenschap stelde. In zijn persoon lijken de nuchtere onderzoeker en de verhitte demagoog voortdurend met elkaar in strijd, en dat is niet in de laatste plaats wat hem zo interessant maakt.

Radkau zet Weber neer als een getormenteerde figuur, iemand die het grootste deel van zijn leven hevig strijd leverde (als het levende bewijs voor zijn eigen stelling dat het leven per definitie strijd is), niet zozeer met de wereld om hem heen, als wel met zichzelf, met de twee zielen die in zijn borst wonen, de asceet en de levensgenieter, de wetenschapper en de politicus, de twijfelaar en de man van de daad. Het was een strijd op leven en dood die zijn hoogtepunt vond in de periode tussen 1898 en 1902, waarin hij te lijden had onder een zware depressie, die hem noopte om zijn leerstoel op te geven en alle academische activiteiten te staken. Zijn ziekte werd gediagnosticeerd als «neurasthenie», een term die in die tijd door psychiaters werd gehanteerd voor allerlei klachten van depressieve aard. Weber werd voor zijn ziekte in verschillende inrichtingen behandeld, overigens zonder resultaat.

Algemeen werd in zijn omgeving en later ook in de Weber-literatuur overwerktheid als oorzaak van zijn ziekte gezien. Weber zelf schijnt beter geweten te hebben; hij geeft bij herhaling aan dat het werk voor hem juist een vlucht was uit de confrontatie met zichzelf, een bliksemafleider voor zijn eigen innerlijke gespletenheid. Wat aan die gespletenheid ten grondslag lag, daarover wist hij zich vooralsnog geen helderheid te verschaffen, hoe diep hij ook in zichzelf groef. Het is een van de centrale stellingen in Radkau’s biografie dat die gespletenheid en dus ook de Grote Depressie alles te maken had met Webers onvermogen om op een bevredigende manier met zijn seksualiteit om te gaan, of, om het in Radkau’s krasse bewoordingen te zeggen, met de verkrachting van zijn eigen natuur, met de weigering om gehoor te geven aan zijn seksuele verlangens.

In zijn aseksuele en kinderloze huwelijk met zijn nicht Marianne was in elk geval geen bevrediging te vinden, hij heeft die daar ook niet gezocht. Al vanaf het begin lijkt Weber – en zijn aanzoekbrief getuigt daarvan – dit huwelijk niet als een harts tochtelijk-erotische verbintenis te zijn aangegaan, maar als een kameraadschappelijk, sociaal-financieel verbond: hij sloot een mariage de raison en geen mariage d’amour. Hij liet er ook geen twijfel over bestaan dat hij zich niet wenste voort te planten; Weber had helemaal niets met kinderen.

Radkau maakt er veel werk van om dit raadselachtige huwelijk te ontrafelen. Hij gaat daarin heel ver. Pagina’s lang gaat het over de seksuele problemen binnen deze relatie, meestal aan de hand van de briefwisseling tussen de echtelieden, maar vooral die tussen Marianne en haar schoon moeder Helene Weber. Het is opmerkelijk met hoeveel openhartigheid deze mensen, le vend in een als «preuts» bekend staande tijd, over seksualiteit praten. Een vast thema in deze vormen de frequente nachtelijke zaadlozingen van Max (de «nächtliche Pollutionen», ook wel «Dämonen» genoemd), steevast gevolgd door slapeloosheid en schuldgevoelens. Als lezer kun je een lach niet onderdrukken als je leest hoe Marianne in een brief aan Helene bijna terloops vermeldt dat Max de laatste dagen weer flink last heeft van zijn demonen, alsof het om eksterogen gaat of een pijnlijke rug.

Het is overigens dezelfde Marianne die allengs, eerder dan haar echtgenoot, tot het besef komt waar bij hem de schoen knelt. En dat is een bewonderenswaardige prestatie. Zij ziet in dat zij, ongewild, de oorzaak is van het probleem: bij haar kan Weber seksueel ge sproken niet aan zijn trekken komen. Zij voelt bovendien aan dat deze seksuele blokkade de ware oorzaak is van Webers depressies en dat er langs de weg van sublimatie geen leniging van de nood te verwachten is. Alleen al het feit dat ze dit pijnlijke inzicht bij zichzelf toelaat is opmerkelijk en prijzenswaardig. Want pijn lijk is het natuurlijk als je moet ontdekken dat de man met wie je al jaren ge trouwd bent, je niet alleen in je kinderwens afwijst, maar ook niet in erotische zin kan bevredigen en dat dat niet het gevolg is van een of andere functionele stoornis, maar simpelweg doordat je geen lust bij hem kunt opwekken. Radkau weet bij de lezer sympathie op te wekken voor het tragische lot van Marianne en bewondering voor de manier waarop zij dat heeft geaccepteerd en er het beste van heeft gemaakt. Hij weet zelfs aannemelijk te maken dat het Marianne Weber zelf is geweest die haar man in 1908 in contact heeft gebracht met Else Jaffé-Von Richthofen, de vrouw die Max Weber uiteindelijk «uit zijn lijden zal verlossen». In 1909 komt het in Venetië (of all places) tot het eerste intieme contact tussen de twee. Maar daar blijkt dat Else tevens op het punt staat een relatie te beginnen met Alfred Weber, de jongere broer van Max. In 1910 komt het om die reden tot een breuk tussen Weber en Else Jaffé; het zal zeven jaar duren voordat ze elkaar weer zien en schrijven.

Het moge inmiddels duidelijk zijn dat Radkau er niet voor terugdeinst diep in het persoonlijke leven van de hoofdfiguren te graven. En soms heb je als lezer de indruk dat hij de grenzen van de discretie overschrijdt en dat hij doorslaat in zijn speculaties over de seksuele eigenaardigheden van Weber, bijvoorbeeld als hij hem sadomasochistische neigingen toedicht. Maar nooit wekt hij de indruk dat hij uit is op sensationele onthullingen of dat zijn observaties voortvloeien uit voyeurisme. Zijn inzet blijft duidelijk; hij wil de raadselachtige persoon die Max Weber is doorgronden, en hij schuwt geen middel om dat doel te bereiken. Hij wil de waarheid over Max Weber achterhalen en hij is ervan overtuigd dat die waarheid niets zal afdoen aan de betovering die van zijn persoon uitgaat, sterker nog, dat die waarheid de fascinatie alleen maar groter maakt – en als je als lezer de laatste bladzijde hebt omgeslagen kun je die overtuiging alleen maar delen.

Maar deze lijvige biografie biedt nog meer. Radkau schetst een rijk beeld van het academische milieu in Heidelberg en van de Duitse geleerdenrepubliek in het algemeen, met boeiende portretten van onder vele anderen Werner Sombart, Ernst Troeltsch, Karl Jaspers, Friedrich Naumann en Alfred Weber. Bovendien beschrijft hij het geestelijke en politieke klimaat in het Duitsland van voor en na de Eerste Wereldoorlog, de stand van de psychiatrie in die tijd, de heersende burgerlijke moraal en de afwijkingen daarvan. Hij is niet bang voor een uitweiding meer of minder, maar die uitweidingen vervelen nooit. Dat heeft wellicht ook te maken met de vorm waarin hij zijn biografie heeft gegoten: het is geen strikt chronologische vertelling van Webers leven en werken. Wanneer zich een thema, een motief in het leven van zijn hoofdpersoon aandient, verlaat hij het tijdspad en neemt rustig de tijd om het betreffende motief uit te diepen, waarbij hij vrijelijk teruggrijpt naar het verleden en vooruitloopt op de toekomst. Deze gelukkige mix van chronologische en thematische aanpak vormt niet de geringste charme van dit boek.

Valt er dan helemaal niets op dit fascinerende werk aan te merken? Toch wel, een kleinigheid, maar evengoed storend: om de een of andere reden ontbreekt de biblio grafie. Wie hier ook verantwoordelijk voor is, de uitgever of de auteur – het zij hem vergeven.