De demonische jodenjacht van stella goldschlag (13)

Zij is waarschijnlijk de meest bizarre en, met dokter Petiot in Frankrijk, in elk geval de meest demonische uit de vriendenkring van het Derde Rijk: de in 1922 geboren Stella Goldschlag. Het in een onberispelijk orthodox milieu in Berlijn opgegroeide joodse meisje met de asblonde haren van de Germaanse vrouwe Freya - ze noemde zich op het fameuze joodse Goldschmidt Instituut ook Freya - werd vanaf het voorjaar van 1943 een ware Jagerin en Tigerin voor de Berlijnse Gestapo.

In dat jaar probeerden naar schatting nog altijd zo'n vijfduizend joden zich wanhopig in Duitsland te verbergen voor de nazi-jagers. De meesten van hen waren ouderen die tot het laatste nippertje hadden gewacht en nu geen kans meer zagen uit Duitsland weg te komen; verder waren het jonge, strijdbare mannen die de handschoen tegen de Gestapo opnamen. Zij werden U-boten genoemd: ze zwierven door de door de bombardementen steeds labyrinthischer wordende spookstad Berlijn, waar de Gestapo verbeten de jacht op de laatste joden bleef voortzetten.
De U-boten wisselen om de paar dagen van verblijfplaats, soms om de dag. Overdag brachten ze hun tijd vaak door in cafes, theaters, bioscopen, waar het uitgaansleven nog tot het najaar van 1944 betrekkelijk onverstoord voortging.
Sommigen van die joodse jongens probeerden er zo arisch mogelijk uit te zien. Een van hen, Gunther Rogoff, trof het dat hij er werkelijk uitzag als een Pruisische luitenant. Hij schafte zich een piekfijn Duits uniform van hoge rang aan en kon met deze ‘recht schneidige’ identiteit allerlei stunts uithalen om joodse mensen tijdig uit de naziklauwen te redden. Hij leerde Stella Goldschlag kennen toen deze, onder het mom te bemiddelen voor onderduikadressen, voor de Gestapo op joden joeg. Ze legde daartoe de vriendelijkste contacten met kennissen en verwanten en kreeg zo steeds meer namen en adressen los. Op het meest onverwachte moment zette zij dan de val open. Als een schaduw liet Stella zich volgen door de joodse V-man Rolf Isaaksohn, die zich ook aan de Gestapo had verkocht. Ze trouwde nog tijdens de oorlog met hem, nadat ze zelf een rol had gespeeld in het verraad van haar eerste man, de musicus Manfred Kubler. Stella had ook Gunther Rogoff op het oog, die slechts door zijn fabelachtige escape- talent wist te ontkomen.
Na de oorlog wilde Rogoff, zoals hij liet blijken tijdens de twee processen tegen Stella - een in Oost- en een in West-Duitsland -, niet geloven dat zij de volbloed-verraadster was, die door de joden die haar verraderswerk ten slotte hadden getraceerd de 'blonde engel des doods’ werd genoemd. Rogoff bleef ervan overtuigd dat Stella haar demonische werkzaamheden slechts onder dwang kon hebben uitgevoerd, of om haar ouders te redden.
Dat laatste heeft ze inderdaad gedaan, althans in eerste instantie. Om haar te chanteren zetten de Duitsers haar ouders een tijdlang op een Sperr-lijst, maar toen zij tenslotte toch werden gedeporteerd, bleef Stella haar verraderlijke werk verrichten. Het totale aantal slachtoffers moet in de honderden hebben gelopen.
Op het Goldschmidt Instituut gedroeg Stella zich als jong meisje al zo arisch mogelijk. Ze kleedde zich uitdagend, spotte met het joodse geloof, dweepte met het katholicisme: ze droeg een rozenkrans als halssnoer. Ze was een uigesproken allumeuse, die jongens gek van verliefdheid kon maken. Ze verslond de weerloos in haar verzonkenen, in de woorden van Gunther Kunert, die naast haar op de schoolbank heeft gezeten, 'zoals de slang het gebiologeerde konijn verslindt’. Ze schepte er genoegen in haar minnaars te laten vallen en in diepe wanhoop achter te laten. Ze wilde iets in de mode, of bij de film, maar eenmaal van de middelbare school heerste in nazi- Duitsland inmiddels de nauwelijks versluierde pogrom - ze kon gaan werken in een speciaal voor joden ingerichte fabriek van Siemens in Berlijn.
In het begin van de oorlog zou ze zich toen even in ondergronds werk hebben begeven. Ze werd gearresteerd en Walter Dobberke, het hoofd van het joodse Durchgangslager in Berlijn - dat nota bene was gevestigd in en rond het joodse ziekenhuis - was ervan overuigd dat Stella hem de verblijfplaats kon leveren van zijn aartsvijand Gunther Rogoff. Naar eigen zeggen is Stella afschuwelijk mishandeld, tot dubbele beenbreuken, ruggegraatskromming en continue bloedingen uit mond, neus en oren toe.
Het is echter onwaarschijnlijk dat ze de waarheid sprak. Dobberke was een overtuigde nazi maar hij ging er prat op nooit te folteren. Hij had last van Pruisische disciplineperfectie en kwelde liever op subtiele wijze, zonder zijn eigen handen vuil te maken. Zo liet hij in het ziekenhuis alle verplegingen en zelfs operaties rustig doorgaan; alleen als mensen gezond waren, kwamen ze voor deportatie in aanmerking. Hij had zelf een relatie met een joodse vrouw en mocht ’s avonds graag een kaartje leggen met joden. Als zij verloren, kwamen ze wel boven aan de lijst om gedeporteerd te worden. Dobberke liet de mensen altijd naar de treinen vertrekken met hamers en zakken vol spijkers, tot het laatst toe de mythe in stand houdend dat ze het Oostland gingen koloniseren. Toen de meeste overvalwagens van de Gestapo door bombardementen verloren waren gegaan, zette Dobberke voor het ophalen van door de Greifer verraden U-boten zijn ziekenwagens in voor het ophalen.
Dobberke begon tegen het eind van de oorlog, toen de chaos in Berlijn enorm werd, te verliederlijken omdat zelfs hij geen Pruisische orde meer kon houden in het zorgvuldig opgebouwde Gestapo-systeem. Hij vergreep zich keer op keer aan Stella, die door de routine ook zelf sadistische trekken ging vertonen. Ze stelde er prijs op dat de door haar ontdekte joodse vrouwen direct van hun kinderen werden gescheiden. 'Je ziet ze nooit meer terug’, siste zij de ongelukkigen toe. Haar nymfomanie dreef haar tot het aanknopen van relaties met hoge militairen en SS'ers. Ze raakte in verwachting zonder te weten van wie het kind kon zijn.
Na de oorlog ging ze aan het zwerven. Ze kwam op raadselachtige wijze in het bezit van een soort volmacht als verpleegster en meende bovendien te kunnen aantonen een slachtoffer van de Gestapo te zijn. In oktober 1945 schonk ze het leven aan een dochter, het kind van niemand, de ongelukkige Yvonne, die overigens wel bij haar moeder mocht blijven toen die door de Russen eindelijk werd opgesloten in het voormalige nazikamp Sachsenhausen. Het was, zo beweerde Stella steeds tijdens haar processen, in het kamp veel erger onder de Russen dan onder de Duitsers.
De eerst in Oost- en later in West-Duitsland tegen haar gevoerde processen leverden haar een gevangenisstraf van in totaal vijftien jaar op. Pas door middel van een proces heeft men de jonge Yvonne, die als meisje door haar moeder dagelijks werd getrakteerd op antisemitische scheldtirades, kunnen bevrijden van haar moeder. Yvonne ging naar Israel en werd daar verpleegster.
Stella trouwde nog driemaal, steeds met ex-nazi’s. Tot vandaag de dag verkondigt ze slachtoffer te zijn geweest van een joods wereldkomplot. Yvonne bezoekt elk jaar de bijeenkomsten van klein- en achterkleinkinderen van U-boten, die het hebben overleefd. De bijeenkomsten vinden plaats op de plek waar ooit het Goldschmidt Institut heeft gestaan. Met de anderen zingt Yvonne daar het U-boten-lied dat eindigt met de regel: 'No, Hitler, you didn’t win.’