Media

De denkkom

Vele jaren al ben ik gefascineerd door het fenomeen publieke opinie. In onze samenleving komt zij over het algemeen ter sprake in verband met zogenoemd opinieonderzoek, dat wil zeggen met ondervragingen door een of ander bureau over ‘de mening’ van ‘de bevolking’. Over de uitkomsten van dergelijk onderzoek kan ik meestal niet nalaten te grinniken - als ze me niet verbazen. Het is immers evident dat de verkondigde meningen in verreweg de meeste gevallen pas opkomen nadat je erover gelezen hebt of ernaar gevraagd wordt.

Je hebt ze niet, die meningen, je krijgt ze. ‘Nederlander wil geen euro minder voor zorg’, kopten de kranten rond de laatste Prinsjesdag op basis van een grootse enquête. 'Nederlanders willen meer natuur.’ 'Kerst volgens Nederlander veel te commercieel.’ 'Nederlander stoort zich aan zwerfaval.’ Stoor ik me aan zwerfafval? Eerlijk gezegd denk ik er nooit over na en interesseert het me nauwelijks. Toch schijn ik me eraan te storen en is mijn irritatie voor derden reden om actie te ondernemen.
Dergelijke subtiele manipulatie van meningen en meninkjes is niet het belangrijkste aspect van publieke opinie. Dat is de welhaast ongrijpbare invloed van de diepere lagen ervan op ons doen en denken. Neem de omslag die met betrekking tot allochtonen tussen 1995 en 2005 heeft plaatsgevonden. In 1995 zat Hans Janmaat met drie zetels in de Kamer en werd alom als paria beschouwd. Wat die man over eigen volk en buitenlanders durfde te verkondigen werd door bijna iedereen als een schande ervaren. Ikzelf deed ook mee aan de collectieve verontwaardiging door in 1994 met Leon de Winter een Handleiding ter bestrijding van extreem rechts te publiceren. Het is een fraai stukje intellectuelenmythologie en ik ben er dan ook niet trots op.
Niet dat ik de mening van mijn broer Haye over de PVV en de doodstraf (zie de Volkskrant van eind augustus, begin september) deel of er ook maar aan denk de partij van Wilders te steunen. Dat doe ik niet en zal ik ook niet doen. Maar in mijn omgeving hoor ik voortdurend meningen die aan die van Janmaat doen denken, ja zelfs deze in radicalisme ver overtreffen. Ze worden verkondigd door fatsoenlijke mensen en stuiten hoogstens op tegenspraak, niet op verontwaardiging. Opmerkelijk in dit verband is ook de ontwikkeling die De Winter in de nasleep van 11 september doormaakte. Terwijl hij anno 1994 met mij nog meende dat extreem-rechtse standpunten leidden tot een onvrije samenleving en gebaseerd waren op onjuiste feiten, ja zelfs onzinnig genoemd moesten worden, was hij tien jaar later een spraakmakend, Nederlands vertegenwoordiger van het Amerikaanse neoconservatisme - niet dat de twee hetzelfde zijn maar verwant zijn ze wel degelijk. Hierbij bleef het niet. De Winter kreeg voor zijn denkbeelden ook een podium (Elsevier) en veel aandacht. Kortom, een mening die in 1995 taboe was, was tien jaar later in brede kring bon ton.
Terwijl het bijna onmogelijk is een dergelijke omslag te traceren, laat staan te verklaren, is het nog onmogelijker hem te ontkennen. Wat dit betreft is er een fraaie uitspraak van een Amerikaanse sociaal wetenschapper uit de vorige generatie, Edward Pendleton Herring. Publieke opinie, schreef hij, is als mist: goed zichtbaar van een afstand maar verdwijnend naarmate je dichterbij komt.
Maar al is zij als mist, publieke opinie heeft ook een ongekende kracht. In zoverre is een opmerking van de Zwitserse bankier en minister van Financiën onder Lodewijk XVI Jacques Necker weer de moeite waard. Hij noemde publieke opinie een 'almachtig gerechtshof, een onzichtbare macht die zonder geldelijke middelen, bureaucratie of leger voor stad, hof en zelfs koninklijk paleis wetten uitvaardigt’. Inderdaad, zo is het. Publieke opinie, tijdgeest of hoe je het fenomeen en zijn varianten ook maar wilt noemen is de kom waarin wij leven en elkaar onder zachte of minder zachte dwang gevangen houden. Zij is als het bakje waarin de vis zwemt. Net zo min als deze het water kent, kennen wij onze tijdgeest. Pas achteraf, als er weer een nieuwe mentaliteit heerst, zijn we in staat de oude te doorzien.
Een en ander werpt ontnuchterend licht op wat wij met nogal wat naïveteit als de basis van het democratisch systeem beschouwen: het publieke of democratische debat. Onnadenkend zien we het als een vrijmarkt waar het ene argument afgezet wordt tegen het andere en het beste de doorslag geeft. Maar zo (fraai) is het dus niet. Van vrije meningen op een vrije markt is slechts ten dele sprake. Een debat is eerder als het draaien van steeds dezelfde rondjes in steeds hetzelfde kommetje, tot het moment dat het onzichtbare glas door een onverwachte gebeurtenis, slimmerik of durfal gebroken wordt en we ons, welhaast vanzelfsprekend, naar een volgend kommetje verplaatsen. Daar, in die andere sfeer, doen we vervolgens hetzelfde. Zo voortdurend. Kortom, de bandbreedte van ons denken en debatteren is veel kleiner dan we beseffen. We zitten opgesloten in een welhaast onzichtbare denkkom.