Essay over ‘Plataforme’

De depressieve luciditeit van Michel Houellebecq

Michel Houellebecq zorgt weer voor rumoer met uitspraken over de islam, homo’s en feminisme. In zijn boeken, ook zijn laatste, Plateforme, is hij vooral getuige van en medeschuldig aan de welvaartsmaatschappij waarin seksualiteit zo ongeveer het enige is wat mensen nog bezighoudt. Door de commercie wordt onze wereld steeds eenvormiger en worden menselijke relaties steeds oppervlakkiger. «Iedereen heeft tegenwoordig op een bepaald punt van zijn leven het gevoel dat hij een mislukkeling is.»

Nog niet zo lang geleden moesten veel jonge vrouwen, bij gebrek aan seksuele voorlichting, de geheimen van de liefde zien te ontfutselen aan de literatuur. Althans, voorzover die genade vond in de ogen van hun ouders, school of kerk. Over de fysiologie van de begeerte werden ze door romans en feuilletons niet veel wijzer, over de metafysica van de verleiding, het huwelijk en het geïdealiseerde moederschap des te meer. Op hun achttiende hadden ze geen eerste vriendje, maar, zoals Couperus het zou uitdrukken, een «eerste roman» achter de rug. Of een eerste abortus, want onwetendheid maakt slachtoffers. Voor jongens gold mutatis mutandis dezelfde handicap, ook al hadden ze als aankomende heren der schepping meer ruimte om te experimenteren.
Wij, nazaten van de seksuele revolutie van de jaren zestig, kunnen ons die toestanden nauwelijks meer voorstellen. We houden onszelf graag voor dat we zijn bevrijd van alle remmingen en gevoelens van schuld en schaamte die «de daad» vroeger omringden. Maar wat hebben we ervoor teruggekregen? De seksuele bevrijding maakt even goed slachtoffers. De moderne verwachtingen omtrent verleiding en begeerte kunnen even dwingend zijn als die van vroeger en afschuwelijke littekens achterlaten, vaak even onzichtbaar voor de buiten wereld als de buitenechtelijke zwangerschappen, geslachts ziekten en neurotische angsten van weleer. Om het verlies op waarde te kunnen schatten, hoef je maar één one night stand te beleven met een partner die niet in staat is zich over te geven en die enkel toneelspeelt volgens de heersende verwachtingen oftewel de seksuele norm. Het hartverscheurende is dat de begeerte, die onder dat toneelspel verborgen zit, vaak des te heviger is.
Hoe dwingend de norm kan zijn, blijkt uit de Amerikaanse datingpraktijk met zijn minutieuze gedragsregels en zorgvuldig geprogrammeerde seksuele ervaringen. Maar ook hier in Europa verdringt de mechanica van de begeerte — ontleend aan reclames, jongerenbladen, videoclips, voorlichtingsfolders, publieksfilms en (andere) porno — in toenemende mate de spontaniteit, intimiteit en tederheid waarnaar een mens ten diepste verlangt. Hoe komt het dat we die hunkering onderdrukken hoewel we dachten haar te hebben bevrijd? Er zijn theorieën te over waarmee je de statistische manifestaties van het verschijnsel kunt verklaren, maar er zijn schrijvers nodig om ons te vertellen hoe het werkt.

Sinds Herodotus hebben talloze auteurs hun best gedaan de chroniqueurs van hun tijd te zijn, maar slechts weinigen hebben begrepen wat dat inhoudt: niet om je heen kijken, maar de blik naar binnen richten. Tot voor kort gold Bret Easton Ellis als de meest radicale aanklager van de hedendaagse vermarkt ing van alle waarden, inclusief de seksualiteit. De auteur van American Psycho was niet voor niets afkomstig uit Amerika, bakermat van de siliconenborsten en verlengde penissen, waar mooie vrouwen van jongsaf aan hun aantrekkingskracht als asset beschouwen en succesvolle mannen met trophy wives trouwen. Om de morele verdwazing van het yuppenkapitalisme te belichamen, nam Ellis zijn toevlucht tot een psychopaat. Hij groef dieper in zichzelf dan hij voor mogelijk had gehouden en lag letterlijk wakker van het schrijven van de gruwelscènes waarin zijn protagonist, de beursmakelaar Patrick Bateman, de vrouwelijke hardbodies van zijn voorkeur vermoordde.
Bret Easton Ellis heeft sinds enige jaren welwillende concurrentie van een Fransman die — bescheidener maar effectiever — zijn pijlen richt op de alledaagse seksuele misère in het Westen. Niettemin is zijn programma ambitieuzer. Waar Ellis elke begeerte van de moderne mens als een afgeleide van de markt beschouwt, gaat Michel Houellebecq een stap verder. Hij beschouwt de seksualiteit als een apart strijdperk met zijn eigen wetten, wapens en winstcalculaties. «In onze samenleving vertegenwoordigt seks een tweede differentiatiestelsel dat volkomen onafhankelijk is van geld, en dat tweede stelsel blijkt minstens zo meedogenloos als het eerste», schrijft hij in Extension du domaine de la lutte (1994), zijn eerste roman: «Het economisch liberalisme is de uit breiding van de strijd naar alle leeftijden en klassen van de samenleving. Op dezelfde manier is het seksueel liberalisme de uitbreiding van de strijd naar alle leeftijden en klassen.»

De hoofdpersoon uit zijn nieuwe roman Plateforme, die vorige week in Frankrijk verscheen, legt in een voor Houellebecq typerende, lapidaire stijl uit waarom mannen ondanks veertig jaar seksuele bevrijding nog altijd naar de hoeren gaan. Was het object van hun begeerte vroeger als gevolg van maatschappelijke conventies vaak onbereikbaar, tegenwoordig lijkt het genot zelf buiten bereik te zijn geraakt. «Je vindt nog maar zelden vrouwen die in staat zijn te genieten of een ander graag genot schenken. Een vrouw verleiden en met haar naar bed gaan is een bron van vernederingen en problemen geworden. Als je bedenkt hoeveel gezeik je moet aanhoren voordat je zo'n grietje in bed krijgt, en dat ze vaak ook nog een slechte minnares blijkt te zijn die maar doorzeurt over haar problemen en haar vorige vriendjes — waarbij ze laat doorschemeren dat je niet helemaal aan haar verwachtingen beantwoordt — en dat je bovendien verplicht bent minstens de rest van de nacht met haar door te brengen, dan snap je dat mannen zich liever een hoop kopzorgen besparen door een bescheiden bedrag neer te tellen.»
Niet enkel de mannen lijden onder de sensuele vervlakking. Zijn minnares vult aan: «De mannen die ik ken zijn werkelijk een ramp, er is er niet één bij die nog gelooft in liefdesrelaties; maar ze hebben wel de mond vol van vriendschap, betrokkenheid, al die flauwekul die tot niets verplicht. Ik heb het punt bereikt dat ik het woord vriendschap niet meer kan horen, ik ga ervan over mijn nek.»
Het grote onbehagen in de westerse cultuur is volgens Houellebecq van seksuele aard, en dat komt omdat na de opbouw van de welvaartsmaatschappij de seksualiteit zo ongeveer het enige is wat mensen nog bezighoudt, en dan nog met mate, aangezien ze zich in de meeste gevallen bij voorbaat tot de verliezers rekenen. Onze door de commercie uitgeholde wereld wordt steeds eenvormiger, menselijke relaties worden steeds oppervlakkiger, «iedereen heeft tegenwoordig op een bepaald punt van zijn leven het gevoel dat hij een mislukkeling is».
Extension du domaine de la lutte werd al snel beschouwd als een waardige opvolger van L'Étranger, de existentialistische geloofsbelijdenis van Albert Camus uit 1942, en dat is waarschijnlijk terecht. In zijn roman schildert Camus het leven af als volkomen zinloos tenzij de mens er zelf een zin aan geeft, hoe abject die ook mag zijn in de ogen van anderen. Wat goed of fout is, moet de moderne mens zelf uitmaken: nu de metafysische leidraad van God of de Geschiedenis ons is ontvallen, staan we moederziel alleen tegenover de «welwillende onverschilligheid van het universum». In dezelfde nietzscheaanse trant schrijft Houellebecq in zijn essay Rester vivant (1991) dat «de dood van God in de westerse wereld de opmaat is geweest tot een geweldig metafysisch feuilleton, dat nog altijd niet is afgelopen».
De ik-figuur in Extension du domaine de la lutte is zo mogelijk nog alledaagser dan Camus’ held Meursault. Hij draagt niet voor niets geen naam. Hij is nog minder dan Meursault overtuigd van zijn eigen gelijk, nog «holler» in de zin dat Houellebecq hem nauwelijks van vlees en botten, van een biografie voorziet. Hij werkt als programmeur in de IT-sector, een functie die hij louter opvat als een rollenspel dat niets toevoegt aan de samenleving of aan zijn eigen leven. Het belangrijkste verschil met L'Étranger zit echter in de plot: Houellebecq voert een nog absurder handeling op dan de strandmoord van Meursault. Zijn variant is zo overstelpend banaal en onmiskenbaar hedendaags dat hij Camus in de schaduw stelt. Het strand is de verbindende factor, maar de ik-figuur van Houellebecq pleegt geen moord, hij zet iemand anders daartoe aan: zijn onaantrekkelijke collega Tisserand, wiens mislukte versierpogingen hem welhaast veroordelen tot een wanhoopsdaad.
Hij koopt een vleesmes en drukt het Tisserand in handen nadat deze in een disco voor de zoveelste maal is afgewezen: het meisje van zijn keuze heeft de voorkeur gegeven aan een zwarte jongen en begeeft zich met hem naar het strand om de liefde te bedrijven. Hij draagt Tisserrand op het duo te vermoorden, maar de poging mislukt omdat Tisserand het meisje noch de jongen haat en eigenlijk alleen naar liefde hunkert. In Camus’ roman vormt het aansluitende strafproces de filosofische kern van zijn verhaal; in Extension du domaine de la lutte hoeft niemand rekenschap af te leggen. Als summum van absurditeit rijdt Tisserand zich dezelfde nacht te pletter op de snelweg. Hier sluit zich voor de goede verstaander de cirkel, aangezien Camus in 1960 door een auto-ongeluk om het leven kwam.
De verteller stort mentaal in omdat hij zijn gefnuikte verlangen naar liefde niet eens in een wraakactie heeft kunnen omzetten, zozeer is hij van zijn menselijkheid vervreemd. Om te herstellen onderneemt hij een trektocht door de Ardèche en bestijgt «nutteloze maar niettemin steeds terugkerende hellingen». Hij voelt zich gevangen in zichzelf; hij beseft dat hij in een theoretisch paradijs woont, een wereld waarin het geluk in alle soorten en maten te koop zou moeten zijn, maar juist door die vanzelfsprekende beschikbaarheid, in zorgvuldig afgewogen doses en voorzien van reclameslogans, heeft het geen betekenis. Hij weet niet eens meer wat dat is, geluk. «De zin van mijn doen en laten is me allang niet meer duidelijk», stelt hij vast terwijl hij een laatste top beklimt, als een moderne Sisyfus zonder steen, een verwijzing naar het gelijknamige essay van Camus.

Extension bezorgde Houellebecq een cultstatus bij een beperkt publiek. Pas met Les particules élémentaires (1998) ontketende hij een nationale controverse die niet meer heeft afgelaten en zich geleidelijk voortplant naar buitenlandse literaire tijdschriften, boekenbijlagen en politieke discussies. Het boek is, zoals inmiddels bekend mag worden verondersteld, een afrekening met de protestgeneratie van ‘68 die in Frankrijk, anders dan in de meeste westerse landen, een succesvolle mars door de instituten heeft volbracht en in de jaren tachtig, tijdens het tijdperk-Mitterrand, de toppen van de macht heeft bereikt.
De lotgevallen van de halfbroers Bruno en Michel, die op jonge leeftijd door hun «ontaarde» hippiemoeder Jane in de steek zijn gelaten en elk op hun eigen wijze liefdeloos en eenzaam sterven, zijn één grote aanklacht tegen het moderne individualisme. Houellebecq houdt niet zozeer de progressieve bevrijdingsidealen van de jaren zestig verantwoordelijk voor hun teloorgang, als wel de onzalige verbintenis van die bevrijdingsideologie met de zogenaamde vrije markt. Hij verwijt de hippies van weleer dat ze de solidariteit van familie, traditie en levenslange verplichtingen hebben opgeblazen zonder er iets voor in de plaats te stellen, met de verweesde samenleving als gevolg.
Literair gesproken verbleekt Les particules élémentaires naast Extension du domaine de la lutte. Maar omdat Houellebecq in Les particules élémentaires man en paard noemt met alle politieke implicaties van dien, wekte het in Frankrijk een storm van verontwaardiging. De liefdeloze vrijages, de sardonische commentaren die hij zijn verteller in de mond legt en de onderkoelde beschrijvingen van alle topoi van de moderne vrijetijdscultuur, van naaktstranden tot peepshows, bieden een zo ontluisterend beeld van de wereld die de soixante-huitards hebben achtergelaten dat het huilen je nader staat dan het lachen. Temeer omdat bepaalde scènes buitengewoon aangrijpend zijn, zoals het moment waarop de vader van Bruno zijn driejarige zoontje totaal verwaarloosd in de woning van zijn moeder aantreft.
Het boek is dus een aanval op het establishment en dat stempelt Houellebecq tot rebel, niet tot verdediger van een conservatieve moraal. Dat laatste misverstand is wijdverbreid in de Verenigde Staten, waar Les particules élémentaires door veel recensenten werd beschouwd als de zoveelste aanklacht tegen de hippiegeneratie, nog wel — o lala! — afkomstig uit het land van vrije seks en erotisch raffinement. In een recensie noemt de Amerikaan Paul Berman, schrijver van een gezaghebbend boek over de generatie van '68, Houellebecq een aansteller wiens geschriften niet méér zijn dan een «variatie op een aanklacht die in Amerika allang gemeengoed is geworden. Het is de conservatieve aanklacht tegen de generatie van de sixties, het verwijt dat de radicalen van dertig jaar geleden in naam van hooggestemde idealen de elementaire waarden in de samenleving hebben verwoest.» De recensent van The New York Review of Books kwam niet veel verder. Hij deed Houellebecqs boeken af als weerslag van een typisch Franse nachtmerrie over de «geatomiseerde samenleving», terwijl de schrijver de VS nu juist beschouwt als het grote voorland van die atomisering.
In eigen land reageerde het establishment zoals te verwachten viel. Houellebecq werd voor racist, stalinist, pornograaf en homohater uitgemaakt. Hij werd uit de redactie van het linkse tijdschrift Perpendiculaire gegooid, maar diezelfde redactie drong vervolgens wel aan op een interview om hem aan de tand te voelen over zijn boek. Houellebecq ervoer die bejegening door zijn voormalige collega’s als een «politiek proces». Wat de gang van zaken nog dubieuzer maakte, is dat de uitgever van Perpendiculaire ook Les particules élémentaires had uitgegeven. Het zal de schrijver uiteindelijk een zorg zijn; hij heeft zich teruggetrokken op een eiland voor de Ierse kust en geeft naar hartelust interviews, het ene nog schandaalverwekkender dan het andere, met name over de islam, homo’s en het feminisme.

Maar Houellebecqs hart ligt bij de literatuur, die hij beschouwt als een autonome zone waarvoor elk postmodern cynisme halt houdt. Hij staat naar eigen zeggen «midden in de wereld», zoals het opschrift boven zijn twee laatste romans luidt. Dat vignet verraadt zijn ambitie om een allesomvattend panorama van zijn tijd te schilderen, vergelijkbaar met het werk van Dickens, Balzacs Comédie Humaine of Les Rougon-Macquart van Zola.
Het eerste deel, Lanzarote, stelt wat dat betreft ernstig teleur. De handeling is bijna te onbeduidend voor woorden: de hoofdpersoon, een Franse toerist, bedrijft op het strand van Lanzarote de liefde met twee Duitse niet-exclusieve potten terwijl zijn reisgenoot, een Belgische politie-inspecteur, in een opwelling toetreedt tot een sekte. Na thuiskomst volgt de hoofdpersoon via krant en tv hoe de sekte wordt opgerold wegens kindermisbruik.
In literair opzicht is Lanzarote zo plat als een dubbeltje; de bijbehorende foto’s van het eiland, gemaakt door de schrijver zelf, zijn merendeels vakantiekiekjes. Slechts de eerste hoofdstukken bekoren dankzij de hilarische beschrijving van het moderne toerisme waarin totale voorspelbaarheid en totale verveling hand in hand gaan, zozeer dat bijna elke regel een onstuitbare lach van herkenning oproept.
Alleen de openingsscène is waarlijk typisch voor Houellebecq: de hoofdpersoon introduceert zichzelf al in de eerste zin als een geboren verliezer. «Op 14 december 1999, halverwege de middag, besefte ik dat mijn oudejaarsavond waarschijnlijk de mist in zou gaan — zoals gewoonlijk.» Hij vervoegt zich bij een reisbureau en zoekt samen met de baliemedewerkster naar een passende bestemming, dat wil zeggen een plaats waar het niet te warm of koud is, waar liefst iets te beleven valt maar niet te veel, en waar hij in voorkomende gevallen kan maar niet per se hoeft te neuken. Het gesprekje aan de balie heeft evenwel een «mysterieus, diep menselijk en haast mystiek» karakter omdat het toerisme de laatste mogelijkheid van de westerse mens vertegenwoordigt om te ontsnappen aan zijn land, zijn samenleving en eigenlijk aan zichzelf.
In Plateforme neemt Houellebecq meesterlijk revanche voor de oppervlakkigheid van Lanzarote door op het thema van het sekstoerisme voort te borduren. Tegen alle huidige mores in breekt hij een lans voor de gekochte liefde aan verre stranden, het «zachte, gewillige Thaise kutje» als laatste toevlucht voor de seksueel gekwelde westerling. Nog vóór de verschijning kondigde de Guide du Routard, de progressieve tegenhanger van de Michelin-gids, een smaadproces tegen Houellebecq aan. In het boek zet hij de schrijvers, die «humanitaire protestantse lulletjes» wier «rotkoppen je vrolijk aankijken op pagina vier» van hun gids, genadeloos te kijk vanwege de hypocrisie waarmee ze de gevolgen van het massatoerisme beklagen waarvan ze zelf rijk zijn geworden.
De hoofdpersoon, een schlemiel in onversneden Houellebecq-stijl, vindt ditmaal wel degelijk de liefde in de armen van een reisbureaumedewerkster, met wie hij in de loop van het boek samenwerkt om een wereldwijde keten van vakantie bordelen op te zetten. Plateforme wemelt wederom van de kwaadaardige bespiegelingen over zwarten, homo’s, de islam en het feminisme, en waarschijnlijk zullen de daaruit ontstane rellen opnieuw de strekking van het boek overschaduwen.
Daarentegen is de hoofdpersoon in Plateforme slechts een getuige. Hij besluit nota bene met een vernietigend oordeel over zijn eigen onvermogen en dat van zijn land- en tijdgenoten: «Ik koester geen haat jegens het westen, enkel een immense verachting. Ik weet alleen dat wij allemaal stinken naar egoïsme, masochisme en dood. We hebben een systeem geschapen waarin het gewoon onmogelijk is geworden te leven; en tot overmaat van ramp gaan we hardnekkig door het te exporteren.» In wezen wil Houellebecq zelf niet méér zijn dan een getuige. Hij beschrijft wat zijn personages denken en voelen, niet wat ze zouden moeten denken of voelen teneinde hun leven, het boek of de samenleving in balans te houden.

In al zijn boeken figureert een bepaald type mens, op hemzelf geënt. De homo houellebecquis is begin veertig, hij is eenzaam en staat volmaakt onverschillig tegenover de oppervlakkige drijfveren en commerciële illusies die de hedendaagse samenleving bij elkaar houden. In de natuurlijke staat waarin hij meestal aan het begin van een roman wordt aangetroffen, al dan niet in de gedaante van verteller, is hij niet meer dan een maatschappelijke amoebe. Hij leeft op diepvriesmaaltijden, kijkt tv zonder geluid en rukt zich af in peepshows met dezelfde overgave als waarmee hij de catalogus van Trois Suisses, de Franse evenknie van Wehkamp, bestudeert. Dat alles weerhoudt hem niet van trefzekere bespiegelingen over zijn uitzichtloze positie. Hij is geen dupe, integendeel: hij verkeert, zoals een psychiater in Extension du domaine de la lutte oordeelt, in een toestand van «depressieve luciditeit».
«Ik houd niet van deze wereld», bekent de misantroop van dienst in Extension. «Ik walg van de maatschappij waarin ik leef, van reclame word ik misselijk, van informatica moet ik kotsen. Het enige wat ik als IT'er doe, is de wereld overspoelen met verwijzingen, controleprocedures en rationele beslissingscriteria. Volkomen zinloos, een nutteloze belasting van de zenuwcellen. Deze wereld heeft overal behoefte aan, behalve aan extra informatie.» Maar juist dankzij die onthechting is de homo houellebecquis gevoelig voor de gemoedsbewegingen die een mensenleven de moeite waard maken, zoals oprechtheid, opoffering en liefde. Hij heeft niets te verliezen: alles wat hij aan tederheid en warmte wint is meegenomen. Daarin schuilt zijn kracht, en tevens de kracht van Houellebecqs boeken en van zijn visie op de hedendaagse westerse mens. Ook in zijn meest sardonische buien is Houellebecq nooit cynisch, elke grove uitspraak is als het ware het fotonegatief van een diep verlangen naar liefde en menselijke warmte.
De reden waarom hij zijn personages dermate uitholt, is dat hij een bepaald procédé toepast dat hij ontleent aan zijn grote voorbeeld, de Amerikaanse horrorauteur Howard Phillips Lovecraft, aan wie hij in 1991 een literaire biografie wijdde, H.P. Lovecraft: Contre le monde, contre la vie. Lovecraft was een maatschappelijke mislukkeling die in zijn oeuvre een eigen, mythisch universum schiep, waarbij hij de psychologische diepgang van zijn personages tot een minimum beperkte om de dimensies van dat (gruwelijke) universum des te beter tot hun recht te laten komen.
Precies zo verschaft Houellebecq zijn lezers toegang tot de handeling en de coulissen van zijn romans: zijn personages filteren de wereld van alledag zodat alleen datgene overblijft wat in een hedendaags mensenleven van werkelijke waarde is. Dat het resultaat weinig verheffend is, kan Houellebecq ook niet helpen. Zoals een politie-inspecteur in Plateforme haast terloops opmerkt: «Alle getuigen zijn teleurstellend.»