Pijnlijke geschiedenis Videla’s Vuile Oorlog

De derby Argentinië-Argentinië

Op 18 november begon in Argentinië de rechtszaak tegen oud-militairen die in de Esma werkten. De voormalige gevangenis was in Nederland groot nieuws door de arrestatie van Transavia-piloot Julio P. De Argentijnen keken nauwelijks van de aanhouding op: hun verleden staat prominent op de agenda.

TANKS IN DE STRATEN van Buenos Aires, militairen, duistere figuren in pak met machinegeweren en natuurlijk de Moeders met hun witte hoofddoekjes: plotseling waren de beelden weer terug op de Nederlandse televisie, voor een dag of drie althans. De oorzaak was deze keer niet een discussie over ‘de vader van de bruid’, Jorge Zorreguieta, maar de arrestatie van de Nederlands/Argentijnse Transavia-piloot Julio P.
Videla, junta, 1976-1983, dertigduizend verdwijningen: zo luidde de wat eendimensionale Nederlandse samenvatting van de laatste dictatuur in het Zuid-Amerikaanse land. Julio P. heeft er deel van uitgemaakt, vermoedt de Argentijnse rechter Sergio Torres, die hem op 22 september in Valencia liet arresteren. De Spaanse regering gaf vorige week groen licht voor zijn uitlevering aan Argentinië.
P. zou als jonge piloot ‘vluchten des doods’ hebben uitgevoerd, waarbij Argentijnen verdoofd uit vliegtuigen werden gegooid boven de Rio de la Plata. Het op die manier laten verdwijnen van mensen behoorde – samen met het stelen van baby’s van later vermoorde gevangenen – tot de gruwelijkste uitwassen van het militaire regime dat een ‘Proces van Nationale Reorganisatie’ wilde uitvoeren.
Buiten Argentinië versterkte de arrestatie van P. wederom de associatie van het land met dictatuur en desaparecidos – een woord dat een begrip werd en in de rest van de wereld nauwelijks vertaling behoeft. Dat P. tot de dag voor zijn pensionering ongestoord kon rondvliegen, werd bovendien gezien als symbolisch voor de straffeloosheid die er in het Zuid-Amerikaanse land zou heersen.
Maar dat laatste klopt niet. Het is zelfs omgekeerd: als we de arrestatie van P. een symbolische lading zouden geven, dan staat ze voor de vasthoudendheid waarmee Argentinië een kwart eeuw na de terugkeer van de democratie onvermoeid bezig blijft met de verwerking van het verleden.
‘Argentinië heeft de meeste vorderingen gemaakt op het gebied van justitie en herinnering. Meer dan andere landen in Latijns-Amerika, meer dan Zuid-Afrika en zelfs meer dan Europa na de Tweede Wereldoorlog’, zegt Patricia Tappatá de Valdez, al een leven lang actief voor de mensenrechten en momenteel directeur van de ngo Memoria Abierta.
Als klein bewijsstuk voor haar bewering ligt er een boek op tafel met de titel Memorias de la ciudad: Señales del terrorismo de estado en Buenos Aires. Het is onlangs verschenen en laat zich lezen als een alternatieve stedengids, of zelfs een praktijkgericht geschiedenisboek. Per wijk beschrijft Herinneringen van de stad de plekken die verwijzen naar de dictatuur: 240 sporen van ‘staatsterrorisme’, 202 eerbewijzen (vaak door buurtcomités gelegde stoeptegels op een plek waar een desaparecido voor het laatst is gezien) en het verhaal achter 38 clandestiene gevangenissen, waarvan de Esma het meest berucht was.
Het zijn plekken waar een oplettende wandelaar in Buenos Aires niet omheen kan. Stoeptegels en monumenten, plakkaten en namen van pleintjes: het verleden is overal. En niet alleen op straat. Wie kranten of tijdschriften koopt, komt eveneens volop in aanraking met de periode 1976-1983. De linkse krant Pagina 12 besteedt er veel aandacht aan, maar de conservatieve La Nación doet daar weinig voor onder. Elke dag berichten de media over nieuwe rechtszaken tegen oud-militairen, over vonnissen en arrestaties. In de vele praatprogramma’s op de televisie duiken regelmatig vertegenwoordigers van mensenrechtenorganisaties op. Het zijn bekende Argentijnen geworden en ze praten al lang niet meer alleen over de dictatuur; sommigen lijken fulltime ‘opinioloog’. Op een andere zender is een soapserie te zien, met ook daarin verwijzingen naar de dictatuur.
Wie wil, koopt elke week een nieuw boek over die recente geschiedenis van Argentinië. En zelfs tijdens een persconferentie van de Argentijnse bondscoach Diego Maradona komt het verleden onverwacht om de hoek kijken. Toen het land zich onlangs kwalificeerde voor het WK vroeg een journalist hem wat het moeilijkste was geweest van dat proces. ‘Proces!? Proces!?’ reageerde Maradona als door een wesp gestoken. ‘Dat woord bevalt me helemaal niet. Het doet me denken aan Videla en zo.’

DAT LAATSTE VOORVAL zegt net zo veel over de verbale excessen van Maradona als over zijn land. In de buurlanden Chili, Brazilië of Uruguay – waar in de jaren zeventig en tachtig eveneens dictators aan de macht waren – is zoiets ondenkbaar. Er wordt daar soms wel over het verleden gesproken, maar het onderwerp staat niet zo prominent op de agenda als in Argentinië.
Volgens Tappatá de Valdez komt dat door de sterke civil society van haar land: ‘De positie van de kerk tijdens de dictatuur heeft daarin een rol gespeeld. Mensen konden zich nergens meer toe wenden, ook niet tot de kerk. De middenklasse in de steden, waar de meeste slachtoffers vielen, is zich toen gaan organiseren.’
Argentinië is een lappendeken van organisaties die opkomen voor de mensenrechten. De Moeders en de Oma’s van de Plaza de Mayo zijn daarvan het meest bekend. Sinds 1995 bestaat ook H.I.J.O.S. (Spaans voor ‘kinderen’), opgericht door kinderen van verdwenen ouders en voormalige politieke gevangenen. De Nederlandse afdeling van H.I.J.O.S. heeft geholpen bij het onderzoek dat leidde tot de arrestatie van Julio P.
Zijn zaak is exemplarisch voor de manier waarop Argentinië – onder aanvoering van die civil society – het verleden verwerkt. Ten eerste omdat, zoals historicus Hugo Vezzetti schrijft, ‘het juridische podium nog steeds de belangrijkste plek is waar de strijd om de herinnering plaatsvindt’. Ten tweede omdat het in Argentinië vooral de slachtoffers zijn die zich daarvoor inzetten.
Ook 26 jaar na het einde van de dictatuur is dat onverminderd het geval. Politicologe Catalina Smulovitz, verbonden aan de universiteit Torcuato di Tella, gaf een artikel over de vele initiatieven op dat gebied daarom de titel ‘I can’t get no satisfaction’. Smulovitz: ‘Ik dacht een tijd dat de roep om gerechtigheid en schadeloosstelling in de loop der jaren zou afnemen. Maar als ik de actuele situatie bekijk, twijfel ik daaraan. Er vindt een overdracht van generatie op generatie plaats.’
De inzet van de eerste generatie voorvechters van de mensenrechten, gecombineerd met internationale druk, zorgde ervoor dat eind 1985 de top van de militaire junta’s lange gevangenisstraffen kreeg. Dat was een unicum voor Latijns-Amerika. De democratisch gekozen president Raúl Alfonsín had slechts twee jaar eerder de macht overgenomen van de militairen die werden bestraft. In opdracht van hem had een onderzoekscommissie in 1984 bovendien al het rapport Nunca Más (Nooit Meer) gepubliceerd, een uitgebreid verslag van de verschrikkingen van de dictatuur. ‘Dat was mogelijk in Argentinië omdat de strijdkrachten waren ingestort’, zegt Smulovitz. ‘Ze konden niet hun eigen voorwaarden stellen aan de machtsoverdracht.’
De transities in Brazilië, Chili en Uruguay werden door het leger gecontroleerd. Doordat de relaties tussen leger en de politieke elite hecht zijn, heeft Brazilië nooit serieuze pogingen gedaan zijn dictatuur (1964-1985) te verwerken. Chili heeft dictator Augusto Pinochet (1973-1990) niet kunnen veroordelen voordat hij in 2006 overleed. Uruguay nam in 1986 een wet aan die amnestie verleent aan overheidsfunctionarissen (militairen, politieagenten, geheim agenten) voor misdaden gepleegd tijdens het militaire regime. Tijdens een referendum op 25 oktober bleek de meerderheid van de Uruguayanen voor instandhouding van deze wet. In Chili en Uruguay zijn wel enkele oud-militairen veroordeeld, maar bij uitzondering.
En in geen geval laat de verwerking van het dictatoriale verleden daar zich vergelijken met Argentinië. Daar was, aldus historicus Hugo Vezzetti, ‘de rechtszaak tegen de machtigen van voorheen een krachtig symbool voor de nieuwe cyclus en de beloften van de democratie: als dat mogelijk was, was alles mogelijk.’
Maar toen Argentinië in december vorig jaar een kwart eeuw democratie vierde, klonk in de beschouwingen en interviews veel kritiek. De ‘beloften van de democratie’ waren lang niet allemaal waargemaakt en over één punt leek de meerderheid het eens: de rekeningen die te vereffenen zijn met betrekking tot de periode ’76-’83.
Misschien is het een logische paradox: in het land dat het meeste heeft gedaan om het verleden – vooral juridisch – te verwerken, valt daarop ook de meeste kritiek te beluisteren. De discussie over het verleden, zegt Smulovitz, ‘is nog net zo beladen als die over de derby Boca Juniors-River Plate van vorige week’.
Voor een deel komt dat door de stilstand in de periode 1987-2003. Eerst nam Alfonsín twee omstreden wetten aan. De ene stelde een deadline van zestig dagen voor het indienen van aanklachten wegens mensenrechtenschendingen begaan vóór 1983. De andere wet stelde lagere militairen vrij van strafvervolging: zij hadden slechts orders opgevolgd van hun meerderen. President Carlos Meném (1989-1999) koos er daarna zelfs voor alle veroordeelde militairen gratie te verlenen.
Alhoewel de rechtszaken in 2003 hervat werden nadat het congres deze maatregelen had verworpen, is vooral in die periode het beeld van absolute straffeloosheid ontstaan. Argentinië leek even de typische Latijns-Amerikaanse republiek, waar het leger en de elite kunnen doen wat ze willen zonder de consequenties te hoeven aanvaarden.
Aan de andere kant zorgde de stagnatie van 1987-2003 er ook voor dat de mensenrechtenorganisaties zich van hun creatiefste kant lieten zien. Ze gingen door met het verwerken van het verleden en zochten naar alternatieven. Zo dwongen ze ‘rechtszaken van de waarheid’ af waarin oud-militairen en andere getuigen wederom voor de rechtbanken moesten verschijnen. Hun verklaringen dienden niet om veroordelingen te verkrijgen, maar om de waarheid achter de verdwijningen te achterhalen.
Argentinië begon bovendien met het schadeloosstellen van slachtoffers, ook al interpreteerden sommigen dat, vanwege de gratieverlening aan de militairen, als het ‘afkopen’ van schuld. Volgens een schatting van onderzoekster María José Guembe had Argentinië in 2006 al een dikke twee miljard euro betaald aan onderdanen die illegaal hebben vastgezeten en aan familieleden van vermoorde of verdwenen mensen.
In die jaren begonnen de Oma’s van de Plaza de Mayo – die zich inzetten voor het terugvinden van hun in gevangenschap verdwenen kleinkinderen – een databank voor genetische informatie. Met behulp daarvan gingen ze op zoek naar de naar schatting vijfhonderd baby’s die zijn weggegeven aan kinderloze stellen, veelal legerpersoneel. Vorige week maandag werd het 99ste kind teruggevonden.
Het is mede aan de druk van al die verschillende burgerinitiatieven te danken dat het verleden nooit van de agenda verdween. En toen in 2003 de omstreden wetten van Alfonsín eindelijk ongeldig werden verklaard, net als even later de gratieverleningen van Meném, bleken veel van die initiatieven bruikbaar materiaal te hebben opgeleverd voor de opnieuw te beginnen rechtszaken.
Volgens het Centro de Estudios Legales y Sociales zijn inmiddels 1386 zaken aangespannen, waarvan er 59 hebben geleid tot een veroordeling. Iets meer dan vierhonderd verdachten zitten preventief vast; Julio P. is één van hen. Ondanks de enorme capaciteitsproblemen van de rechterlijke macht kan geen enkele voormalige militair er gerust op zijn dat hij op zijn oude dag met rust gelaten wordt.

MAAR HOEVEEL RECHTSZAKEN Argentinië ook voert, de verwerking van het verleden in een rechtbank heeft beperkingen. Een evenwichtige blik op de geschiedenis – een ‘nationaal verhaal’ over wat er tijdens de Vuile Oorlog is gebeurd en waarom – komt er in elk geval niet tot stand.
Aangeklaagde militairen tonen in de Argentijnse rechtbanken doorgaans geen berouw. Zij blijven de twee aloude argumenten herhalen om hun misdaden te verantwoorden. Het zijn de argumenten die Julio P. volgens de getuigenverklaringen van zijn Transavia-collega’s ook heeft gebruikt: Argentinië was in oorlog met ‘de subversie’ en dan gelden andere regels. Bovendien zou het volk (lees: de politiek) het leger zelf hebben gevraagd in te grijpen.
Aan de andere kant zeggen getuigen dat zij, of hun verdwenen familieleden en vrienden, onschuldig zijn geweest. De laatste jaren worden slachtoffers ook steeds vaker als helden neergezet die streden voor een beter land.
Die twee visies hebben volgens historicus Vezzetti wortel geschoten in de Argentijnse maatschappij. Een kleine minderheid kijkt met nostalgie terug op de dictatuur en zegt dat de ‘oorlog tegen de subversie’ de democratie heeft gered. De andere groep, schrijft Vezzetti, ‘richt zich op al het slechte van degenen die het staatsterrorisme hebben uitgevoerd en is niet op de hoogte van de verantwoordelijkheid van de maatschappij en die van de guerrillabewegingen’.
In de rechtbanken botsen deze visies vaak hard op elkaar. Na het afronden van een zaak lopen de slachtoffers naar buiten in de wetenschap dat de dader voor vele jaren de gevangenis in gaat, maar dat hij het ‘zo weer zou doen’. Ze hebben hun veroordeling gekregen, maar een verzoening is verder weg dan ooit.
De overheid leek hier onder president Néstor Kirchner (2003-2007) iets aan te willen doen. Zo is 24 maart – de dag van de coup in 1976 – sinds 2005 een vrije dag, de Argentijnse versie van 4 mei. Ook heeft Kirchner het creëren van ‘herinneringsplekken’ gestimuleerd: de Esma en andere voormalige clandestiene gevangenissen zijn omgebouwd tot museum.
Vezzetti beschrijft die initiatieven echter als ‘mislukt’. Kirchner en diens opvolger, zijn vrouw Cristina, laten de inrichting van dergelijke plekken over aan mensenrechtenorganisaties. ‘Al die organisaties hebben hun eigen visie op het verleden. Zoiets zou onpartijdig moeten zijn.’
Dat vindt ook Tappatá de Valdez, die kritisch is over Néstor Kirchner en zijn opvolgster: ‘Onder de Kirchners slaan we door in stereotypen. Het lijkt soms wel Walt Disney, met helden en slechteriken. Terwijl de waarheid is dat er een enorme politieke polarisatie was die eindigde in een massamoord.’
Vezzetti is een van de weinigen die duidelijk een kritisch standpunt durft in te nemen. Zijn laatste boek (Over het revolutionaire geweld: Onthouden en vergeten) gaat onder meer over de periode vóór 1976 en de mythevorming rondom de guerrillabewegingen van Argentinië. De man die in de jaren zeventig lid was van een maoïstische beweging stelt dat ‘het geweld van de revolutionaire bewegingen en hun verantwoordelijkheid voor het ontstaan van de condities die gunstig waren voor de eruptie van het staatsterrorisme’ vaak vergeten worden in beschouwingen over het verleden.
Smulovitz wijst op de twaalf staatsgrepen in Argentinië sinds 1930, waarvan die in 1976 de laatste was. De militaire coup hoorde volgens haar bij de politieke gebruiken van het land: ‘Langzaam komt nu de discussie een beetje op gang over de coup van ’76. Dat bijna niemand tegen was en dat de komst van de militairen werd begroet met opluchting.’
Maar het wijzen op de verantwoordelijkheid van de linkse revolutionairen en de houding van de gemiddelde Argentijn in 1976 geldt in het land nog steeds als hoogst politiek incorrect. Daaraan hebben de ruim duizend rechtszaken weinig kunnen veranderen. Vezzetti: ‘De discussie over de maatschappelijke verantwoordelijkheid is er nooit geweest. Het is een element dat uitgediept moet worden, omdat we zo werkelijk kunnen leren van het verleden. Maar laten we eerlijk zijn: landen ontwikkelen hun nationale verhaal niet op basis van de waarheid, maar op basis van welk verhaal ze op dat moment nodig hebben.’