Breekpunt Jeruzalem

De derde partner

De datum waarop Jasser Arafat de soevereine Palestijnse staat zal uitroepen, is uitgesteld. Ondertussen blijft in de vredesonderhandelingen de verdeling van Jeruzalem het moeilijkste punt. Schrijver Meir Shalev heeft een oplossing.

Een paar jaar geleden schreef ik in een Israelische krant dat er in Jeruzalem een nieuwe ondergrondse verzetsorganisatie moest worden opgericht. Ik dacht aan een ondergrondse van weldenkende moslims, weldenkende joden en weldenkende christenen die de handen ineen zouden slaan om de heilige plaatsen in Jeruzalem op te blazen.

Ik kreeg veel reacties op dat stuk. Verreweg de meeste waren negatief. In sommige werd ik mild op de vingers getikt, in andere werd me de huid vol gescholden of werd ik bedreigd met heel creatieve strafmaatregelen. Maar de interessantste reactie kreeg ik uitgerekend van een vriend van me. Als het ons al zou lukken Jeruzalems heilige plaatsen op te blazen, zouden er volgens hem alleen maar heilige kraters in de grond ontstaan. De heiligheid van Jeruzalem, zo zei hij, was als een ketchupvlek die er in de was niet uitging.

Om die reden ronsel ik geen mensen voor een ondergrondse en verzamel ik geen dynamiet. Maar ik probeer nog wel te wijzen op het gevaar van Jeruzalem: de heilige plaatsen in de heilige stad in het heilige land mogen het hart van gelovigen over de hele wereld sneller doen kloppen, maar ze zijn de bron van alle kwaad en alle ellende die over de inwoners van de stad zijn uitgestort. En niet alleen over hen. Als een oververhitte kerncentrale is Jeruzalem een gevaar voor de hele omgeving.

Zo zien we dezer dagen dat de vredesonderhandelingen tussen Israeli’s en Palestijnen weer vastlopen op de zandbank die Jeruzalem heet. Al veel te lang zit het vredesproces hier aan de grond en graven beide partijen zich in op hun posities. De Israelische premier, meestal een rationele man, begon ineens te reppen van «verdediging van Israels heiligdommen». En Jasser Arafat, die nooit vies is geweest van retoriek, nam plotseling geen genoegen meer met de verdediging van de islamitische heiligdommen, maar had het nu ook over terra sancta. Zo riep hij zichzelf uit tot een erfgenaam van zowel Saladin als Richard Leeuwenhart.

Diep in mijn hart vermoed ik dat de Israelische premier in zijn nopjes is met de harde opstelling van de president van de Palestijnse Autoriteit. Barak kan zich nu voordoen als de toegeeflijke partij die bereid is tot een compromis, zonder er de prijs voor te betalen. Maar het gaat eigenlijk om iets anders. Alle commentatoren, politici en bemiddelaars hebben het over twee partijen, de Israeli’s en de Palestijnen, en vergeten de derde onderhandelingspartner: Jeruzalem, een cynische, oude stad die gepokt en gemazeld is en alles al heeft meegemaakt, elke truc uit de trukendoos kent, niet gauw onder de indruk is van gespannen situaties en er zelfs van geniet.

Als inwoner (vooralsnog) van Jeruzalem wil ik hier wijzen op een aantal factoren waarvoor moet worden opgepast tijdens de onderhandelingen over de stad.

De eerste factor waarmee rekening moet worden gehouden, zijn de doden van Jeruzalem. Dit spookleger, dat in sommige opzichten doet denken aan de dode zielen uit het boek van Gogol, is groter en machtiger dan de levende inwoners van de stad. Gogol heeft overigens een bezoek gebracht aan Jeruzalem en dat volstond om hem zo ver te krijgen dat hij na terugkeer in Rusland met het tweede deel van Dode zielen de kachel aanmaakte. Blijkbaar begreep hij dat literaire fictie nooit op kon tegen de Jeruzalemse werkelijkheid. Een andere schrijver, de Amerikaan Herman Melville, bracht in dezelfde tijd ook een bezoek aan Jeruzalem. Zijn treffende uitspraak citeer ik uit het hoofd: «Jeruzalem is omringd door graven, en de doden zijn er het sterkste gilde.»

Ondertussen zijn er nog doden en graven bijgekomen. Sommigen zijn een natuurlijke dood gestorven, anderen — zoals Jeruzalem het graag ziet — zijn gevallenen voor Jeruzalem. Dat zijn de gesneuvelde Britse, Turkse, Israelische en Jordaanse soldaten, en de slachtoffers van terreur en bezetting. Wie tegenwoordig naar Jeruzalem komt, rijdt de stad binnen door een van haar beide grote begraafplaatsen: de Olijfberg in het oosten of Har ha-Menoechot in het westen. Dat is niet alleen een kwestie van gebrekkige stadsplanning, maar ook een statement: die begraafplaatsen zijn de prestigieuze buurten van de stad, met haar oudste, invloedrijkste en gewichtigste inwoners. Zij bepalen haar toekomst tot op het laatst der dagen, en wanneer dan de Messias arriveert, zullen zij Hem verwelkomen.

De tweede factor waarvoor moet worden opgepast in Jeruzalem zijn de vips uit zijn geschiedenis. Ik heb het over de bouwers en verwoesters van de stad, de profeten en legeraanvoerders, de belangrijke pelgrims en de stichters van godsdiensten en sekten. Om een theatraal beeld te gebruiken: op het Jeruzalemse toneel zijn zulke belangrijke mensen verschenen dat iedereen die er tegenwoordig leeft slechts een armzalige figurant of een overbodig decorstuk is. Maar met uw permissie gebruik ik liever een beeld uit mijn familie, want Jeruzalem gedraagt zich precies als een van mijn oude tantes.

Die tante, wier naam ik hier niet zal noemen, was in haar jonge jaren een befaamde schoonheid. Op haar oude dag bladerde ze steeds in albums met foto’s van haar min naars, zuchtend van weemoed en genoegen. Die gewoonte was misschien belachelijk, maar ze deed er niemand kwaad mee. Integendeel, de hele familie glimlachte erom. Maar in het geval van de heilige stad lacht niemand. In haar oude albums staan minnaars van de orde van grootte van koning David en Jezus van Nazareth, en wij, burgers en leiders van vandaag, vallen bij hen in het niet. Die historische vips nemen actief deel aan de vergaderingen van de gemeenteraad en aan de vredesonderhandelingen. En helaas rijzen dan steevast vragen als: wat heeft Ehud Barak te bieden aan een stad waar Richard Leeuwenhart en de koningin van Seba van zover naartoe zijn gekomen? Wat kan Jasser Arafat zeggen tegen een stad die door Mohammed op een vliegend paard is bezocht? Wat kan Clinton betekenen voor een stad die door koning David is uitgekozen en waarin Salomo een tempel heeft gebouwd? En wat heb ik, een onbeduidende Jeruzalemse schrijver, voor nieuws te melden aan een stad waarin Jesaja en Jeremia hun profetieën hebben geschreven?

De derde factor waarmee in Jeruzalem rekening gehouden moet worden, zijn de herinneringen en de profetieën. Persoonlijk heb ik niets tegen herinneringen en profetie en, integendeel. Omdat ik zelf mijn brood verdien met het schrijven van verzinsels, heb ik veel waardering voor degenen die herinneringen en profetieën op schrift stellen, want op het gebied van leugen en bedrog zijn ze me veruit de baas. Maar literaire fictie brengt niemand in gevaar, terwijl voor de Jeruzalemse verzinsels mensen bereid zijn hun bloed te offeren, of erger nog, andermans bloed te vergieten.

Verder moet men in Jeruzalem uitkijken voor de kreten, de clichés en de gebruikelijke, afgezaagde manieren van denken. Jeruzalem wordt aan ons verkocht als de mooiste, de oudste en de heiligste stad ter wereld. Maar de kwalijkste en meest loze kreet is zijn hoogdravende benaming «eeuwige stad van de vrede». Iedereen zegt dat, maar Jeruzalem heeft het grootste deel van zijn dagen gesleten onder bezetting en in oorlog, en bijna altijd om krankzinnige redenen. Dit is de plek om erop te wijzen dat de heilige stad, in tegenstelling tot haar inwoners, van oorlogen houdt. Die verhogen haar status. Ze prikkelen haar. Ze zijn het bewijs voor de liefde van haar bewonderaars.

De laatste tijd klinkt hier een nieuwe kreet: «goddelijke soevereiniteit». Het voorstel om de stad onder Gods gezag te plaat sen bevestigt de veronderstelling dat Jeruzalem niet alleen de hormonale afscheiding van zijn minnaars verhoogt, maar ook hun IQ ver laagt. Maar bovenal is het een gevaarlijk voor stel.

Zoals iedereen weet gaan de grote theologische conflicten niet om God zelf, maar om degenen die pretenderen Hem op aarde te vertegenwoordigen. Desondanks moeten we het bij de behandeling van het voorstel ook over de Schepper hebben. En ik veroorloof me het publiek eraan te herinneren dat God, met alle respect, in de kwestie Jeruzalem heeft bewezen niet over de talenten te beschikken die een soeverein heerser nodig heeft. Hij heeft niet het vereiste kalme temperament en Zijn bestuurlijke kwaliteiten doen zelfs onder voor die van onze orthodox-joodse politieke partijen. En voor zover wij weten, komt er niets dichter in de buurt van God dan zij.

Het is waar dat God «de Heer der wereld» wordt genoemd, maar de wereld is één ding en Jeruzalem een ander. Het valt niet te ontkennen dat God Jeruzalem geen moment rust heeft gegund sinds David het uitriep tot de hoofdstad van zijn rijk. Hij liet de stad verwoesten en haar bewoners verdrijven. Hij sloeg haar met depressie en euforie. Hij stak haar aan met necrofilie. Hij maakte infantiele, jaloerse scènes, Hij schreeuwde, jammerde, dreigde en beloofde, Hij maakte haar het hof, bedroog haar, liep kwaad weg en kwam met hangende pootjes terug, Hij stuurde uit alle windstreken legers op haar af en overstelpte haar met onheilsprofetieën en troostende woorden. Dit alles in een tempo dat wijst op emotionele labiliteit en volstrekte ongeschiktheid voor de functie van soeverein.

Daar komt nog bij dat God nooit blijk heeft gegeven van democratische neigingen. Hij is niet opgetreden tegen degenen die uit Zijn naam pretendeerden te spreken, uit Zijn naam onderdrukten, moordden en martelden. En uit Zijn benoemingen op aarde spreekt zwak leiderschap en gebrek aan consistentie. Daarom kunnen we beter terugkeren naar de leiders van vlees en bloed.

En nu stuiten we op de vijfde factor waarvoor moet worden opgepast in Jeruzalem, gevaarlijker en interessanter dan alle voorgaande: de symbiose die is ontstaan tussen de heilige stad en alle leiders en persoonlijkheden die hun naam aan de hare hebben verbonden. Het systeem is eenvoudig. Jeruzalem eist van hen dat ze de stad opbouwen, voor haar strijden, haar verwoesten, haar inwoners verdrijven, haar herbouwen, haar gedenken, haar verlossen, haar op bedevaart bezoeken, haar belegeren, liederen voor haar zingen, naar haar verlangen. In ruil daarvoor bezorgt zij hun een plek in de geschiedenis.

Hoe aandoenlijk en hoe simpel! Iedereen kent de vurige wens van de leider om zijn naam in de muur van de geschiedenis te krassen. Jeruzalem is een van de effectiefste voertuigen op weg naar de roem. Wie had bijvoor beeld de naam Titus gekend als deze Romein Jeruzalem niet had verwoest? Wie had van Sanherib gehoord als hij het niet had belegerd? Welke Europeaan had Saladin van naam gekend als hij niet tegen de kruisvaarders had gestreden om Jeruzalem? Wie had gehoord van de Byzantijnse keizerin Helena als ze niet met een armzwaai de heilige plaatsen had vastgesteld waarvoor alle volgende jaren het bloed en de tranen van de stad zouden worden vergoten? Wie had zich Nehemia, Herodes en Süleyman de Grote herinnerd als ze de muren en citadels van Jeruzalem niet hadden gebouwd?

Ik vermoed dat Clinton, Barak en Arafat dit ook weten. Met een handtekening onder een vredesverdrag dat het conflict om Jeruzalem oplost, zo weet Clinton, verovert hij een plaats op de erelijst van de wereldgeschiedenis. Bij Barak en Arafat is de situatie ingewikkelder: ze zijn bang de geschiedenis in te gaan als degenen die de stad hebben opgeheven. Daarom durven ze nog altijd niet te doen wat een ware leider doen moet, de heilige stad terugbrengen tot haar natuurlijke proporties, haar recht in de ogen kijken en zeggen: het is welletjes! Geen kruistochten meer, geen bloedvergieten meer, geen tirannie meer van herinneringen, doden, uiterste wilsbeschikkingen en heilige plaatsen! Voortaan, zo moet aan Jeruzalem duidelijk worden gemaakt, is het heden belangrijker dan het verleden, zijn de inwoners belangrijker dan de doden en de gebouwen belangrijker dan de graven.

Daarom trek ik een oud idee uit de kast: de internationalisering van Jeruzalem. Er zijn mensen die Groot-Jeruzalem willen internationaliseren en de inwoners een Jeruzalems paspoort willen verstrekken. Maar ik neem genoegen met een zeker internationaal toezicht op de heilige plaatsen. Ik stel voor dat de toezichthouders boeddhisten, afgodendienaars uit Papoea-Nieuw-Guinea of sjamanen uit Australië zullen zijn. In geestelijk of moreel opzicht doen zij niet onder voor welke moslim, jood of christen ook. En ze hebben nooit een bijzondere emotionele band met de stad ontwikkeld, zodat ze hopelijk immuun zijn voor haar betoverende charmes.

Maar nu ik er nog eens over nadenk, het toezicht op de heilige plaatsen in Jeruzalem kan ook worden overgedragen aan Eurodisney. De opbrengsten van de kaartverkoop kunnen dan ten goede komen aan de stadsbewoners. En als er af en toe een bezoeker komt die de stad wil veroveren of verwoesten, een tempel wil oprichten of de Messias wil ontvangen, dan zullen onze vrienden van Eurodisney dat ongetwijfeld zonder enig probleem voor hem kunnen regelen.

Dit artikel is een door de auteur bewerkte lezing die vrijdag 8 september op een conferentie van de Vrede Nu-beweging in het Olive Tree Hotel in Oost-Jeruzalem werd uitgesproken.

Vertaling: Ruben Verhasselt