De vergeten revolutie

De derde weg liep definitief dood

14 oktober 2009 - Twintig jaar na de vreedzame revolutie blikken vijf voormalige dissidenten terug. Trots, maar ook teleurgesteld. Van hun ideaal van een derde weg, tussen DDR-socialisme en westers kapitalisme, is niets terechtgekomen. ‘De mensen wilden geen experimenten meer.’

Medium derde weg

LEIPZIG/BERLIJN – Rond de Nikolaikirche in Leipzig is het deze maandagavond even als twintig jaar geleden. Binnen bidden de kerkgangers voor vrede. Buiten klinkt het beroemde ‘Wir sind das Volk’ – op de huizenrij tegenover de ingang van de kerk worden beelden geprojecteerd van de historische ‘Maandagdemonstraties’ die hier in de herfst van 1989 plaatsvonden. Ze luidden het definitieve einde in van de DDR.

‘Een wonder’, noemt Christian Führer deze vreedzame revolutie. Met zijn mouwloze spijkerjas en zwarte koffer vol stickers (‘Genfood? Nein danke’) heeft hij meer weg van een actievoerder dan van een pastoor in ruste. Führer is beide. Zijn Nikolaikirche was het brandpunt van het Leipziger protest. ‘Na de eerste echt massale, zonder geweld verlopen demonstratie, op 9 september 1989, kon ik nog maar één ding denken: de DDR is vanavond niet meer wat zij vanochtend geweest is. Vandaag is er iets gebeurd.’

Op het plein buiten lichten als de duisternis is ingevallen één voor één blauwe, paarse en groene tegels op. Het symboliseert de trage ontwikkeling van het protest. Eerst de jaren in de woestijn, toen Führer met enkele andere moedigen vrijwel alleen stond. Een periode waarin hij naar eigen zeggen dag en nacht bang is geweest voor de Stasi: ‘Maar het geloof was sterker. En soms helpt een beetje humor ook.’ En het resultaat mocht er zijn. Beetje bij beetje – steen voor steen – zwol het eenzame protest aan tot een massabeweging.

De vreedzame revolutie van 1989 wordt dit jaar overal in Duitsland groots herdacht met tentoonstellingen, feesten en debatten. Een winkelketen maakt zelfs reclame met ‘revolutionaire kortingen’. Maar er is iets vreemds aan de hand. Als het over de Wende gaat, spreekt iedereen over de Leipziger massademonstraties, de nacht dat de Berlijnse Muur viel en de Duitse hereniging. Ook de grootse daden van politici als Kohl, Gorbatsjov en Genscher blijven niet onbenoemd. Maar over de eerste tegels die oplichtten, de lange voorgeschiedenis van de revolutie, gaat het veel minder.
Tot ergernis van de dissidenten van het eerste uur. ‘In het Westen heeft destijds niemand begrepen hoe het protest in de DDR in de herfst van 1989 zo snel zo’n massale omvang kon aannemen’, vertelt Vera Lengsfeld, een spil in de DDR-oppositie en tegenwoordig CDU-politica. ‘Het geheim achter dat succes waren de dissidenten. Vanaf begin jaren tachtig kende vrijwel elke grotere stad wel een groep oppositionelen. Die zijn steeds sterker, moediger en actiever geworden. Er waren zeker honderd van zulke clubjes, met uiteindelijk meer dan drieduizend activisten.’

Hun daden worden dikwijls over het hoofd gezien. Om van hun ideeën maar te zwijgen. Achteraf gezien lijken de protesten in de DDR onvermijdelijk uit te lopen op de Duitse hereniging. Dat eendimensionale beeld van de geschiedenis klopt niet, zegt Lengsfeld: ‘Nog in de herfst van 1989 pleitten alle oppositiepartijen die toen werden opgericht in hun programma voor een democratisering van de DDR. Niemand rekende op de val van de Muur. Laat staan een snelle Duitse hereniging.’

‘Er wordt gedaan alsof de vreedzame revolutie wel tot de Duitse hereniging móest leiden’, vindt ook Marion Seelig, net als Lengsfeld een voormalige dissidente. ‘Alsof er een rechte lijn liep van Wir sind das Volk naar Wir sind ein Volk. Zo was het niet.’

Grote delen van de vroege oppositie ging het om iets heel anders. Zij verlangden naar een ‘derde weg’, een democratisch-socialistisch alternatief tussen de autoritaire DDR en het kapitalistische Westen. De dominantie van zulke denkbeelden onder dissidenten is logisch verklaarbaar, denkt historicus Ilko-Sascha Kowalczuk, van wie dit jaar het overzichtswerk Endspiel: Die Revolution von 1989 in der DDR verscheen. ‘De meeste conservatieven en anticommunisten vertrokken naar het Westen. Het waren linksen, liberalen en protestanten voor wie het “hier sta ik, ik kan niet anders” gold. Zij dachten: dit is ook mijn land. En dus bleven ze om het te veranderen.’

Ook de ondersteuning die de DDR-oppositie kreeg uit de Bondsrepubliek kwam uit de progressieve hoek, stelt Kowalczuk. Prominente christen-democratische en sociaal-democratische politici negeerden de dissidenten lange tijd. Zij haalden in de jaren tachtig juist de banden aan met het regime van Erich Honecker. Het waren vooral de West-Duitse Groenen die de oppositie actief bijstand verleenden, met kritische boeken, camera’s en zelfs drukpersen. In de activistische taz verscheen regelmatig een Oost-Berlijnse pagina. De berichten werden deels door de oppositie zelf geschreven.

Pas eind 1989, toen de massa op het toneel verscheen, raakten de ideeën over een derde weg op de achtergrond. De uiteindelijke overwinning had daardoor voor veel dissidenten een wrange bijsmaak. Het gehate DDR-regime was ineengestort. Maar was dit nieuwe, verenigde Duitsland nou hetgeen waar ze al die jaren voor gestreden hadden?

‘Er liep geen rechte lijn van Wir sind das Volk naar Wir sind ein Volk’

OP DE BINNENPLAATS van de voormalige Stasi-gevangenis in de Berlijnse wijk Hohenschönhausen heft Wolfgang Rüddenklau zijn hand ter afscheid van een groep scholieren die hij heeft rondgeleid. Op de omliggende muren ligt nog prikkeldraad, voor de ramen zitten tralies. De gebouwen zijn opgetrokken uit het grauwgrijze steen dat Berlijn in de lange winter zo’n deprimerend aanzien geeft. Alles net als vroeger, toen DDR-dissident Rüddenklau, een belezen anarchist met wilde baard en lange, grijze haren, hier gevangen zat.

Met een kop thee en een pak shag ploft hij even later buiten neer op een stoel. Als medeoprichter van de ‘milieubibliotheek’, een van de belangrijkste oppositionele groeperingen voor 1989, was dienstweigeraar Rüddenklau er vanaf het begin van de jaren tachtig bij. Maar eigenlijk moet de geschiedenis van de val van de Muur met het jaar 1968 beginnen, vertelt hij: ‘De Oost-Duitse generatie ’68 werd sterk beïnvloed door de ideeën over een hervormd communisme van Robert Havemann en zanger Wolf Biermann. Net als in West-Duitsland ontstonden ook in de DDR zogenaamde K-groepen: conspiratieve clubjes radencommunisten, trotskisten en maoïsten. Zij werden vooral bevolkt door kinderen van hoge partijfunctionarissen: de rode adel. De Stasi heeft deze groepen eind jaren zeventig allemaal opgerold. Maar enkele mensen bleven actief. Zij brachten hun ideologische kennis en ervaring over naar de veel opener sociale bewegingen van de jaren tachtig. Net als in het Westen stonden daarin groepen centraal die zich met vrede, het milieu en de Derde Wereld bezighielden. Zij opereerden onder het dak van de kerken. Die genoten in de DDR een voor het Oostblok ongekende vrijheid. De milieubibliotheek waar ik me voor inzette, was gevestigd in de Berlijnse Zionskirche.’

In de bibliotheek kon iedereen die daar interesse in had systeemkritische literatuur vinden. De plek groeide uit tot een verzamelpunt voor oppositionelen uit de hele DDR. Er is nog een andere reden waarom zij achteraf bezien cruciaal was voor de fluwelen revolutie. Rüddenklau en zijn milieubibliotheek speelden een hoofdrol in de eerste overwinning van de oppositie op de staat, in de herfst van 1987.

Bij een grootscheepse inval van de Stasi in de Zionskirche werden verscheidene dissidenten opgepakt. Rüddenklau kwam hier, achter de muren van de gevangenis van Hohenschönhausen, vast te zitten. Maar de ‘Zions-affaire’ liep uit op een debacle voor de Stasi. Tegen alle verwachtingen in liet de oppositie zich niet intimideren. ‘Overal gingen mensen de straat op’, vertelt Rüddenklau. ‘Onze zaak kwam elke dag op het West-Duitse journaal. Dat zette het DDR-regime enorm onder druk. Voor het eerst moesten ze met bewijzen komen voor hun wilde aanklachten – en bewijs was er onvoldoende.’ Rüddenklau herinnert zich het moment nog levendig dat hij doorkreeg dat hun zaak allerminst uitzichtloos was. Het was op de tweede dag van zijn gevangenschap. Een van de anders zo botte cipiers schoof hem zomaar drie pakjes sigaretten toe. ‘Mijn god, dacht ik onmiddellijk, wat is daarbuiten aan de gang?’ Een dag later waren Rüddenklau en zijn kameraden al weer vrij. ‘Voor DDR-burgers was dat het signaal: het regime heeft geen tanden meer. De keizer staat zonder kleren!’

VANAF DAT MOMENT raakten de ontwikkelingen in een stroomversnelling. Begin 1988 deed de Stasi een tweede poging de gestaag groeiende oppositie te onthoofden. Aanleiding was de jaarlijkse officiële demonstratie ter ere van de vermoorde Duitse communisten Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg, door het regime als voorgangers geclaimd. De oppositie greep de betoging aan om voor haar eigen ideeën de straat op te gaan.

Vera Lengsfeld was een van hen. In de jaren tachtig richtte ze verschillende milieugroepen op en was ze actief voor het kritisch-marxistische ‘tegenstemmen’. Na de val van de Muur schoof ze naar rechts. Via de Groenen kwam ze terecht bij de CDU, waarvoor ze lange tijd in de Bondsdag zat. Als de 57-jarige politica in een café in haar woonwijk Berlijn-Pankow begint te vertellen over haar tijd in de DDR-oppositie vallen de gesprekken aan de omliggende tafeltjes stil. ‘Ik had die dag een spandoek bij me: “Iedere DDR-burger heeft het recht zijn mening vrij en publiekelijk te uiten”. Zo stond het letterlijk in de Oost-Duitse grondwet’, blikt Lengsfeld terug. ‘Ik was op een door de staat georganiseerde demonstratie, met een passage uit de grondwet op mijn spandoek. Toch ben ik die dag samen met honderdvijftig andere burgerrechtenactivisten gearresteerd en aangeklaagd, onder meer voor hoogverraad.’

Opnieuw liet het regime zich verrassen door het protest. Tot in Amerika berichtten de media over de zaak. Uiteindelijk moest DDR-leider Honecker een persconferentie inlassen waar hij verklaarde dat alle activisten werden vrijgelaten. Toen trad plan B in werking: de dissidenten moesten als het even kon de grens over worden gezet. Lengsfeld vertrok naar Engeland, naar Cambridge. Daar zou ze nu misschien nog steeds zitten als er niet vlak bij het café waar we hebben afgesproken iets was voorgevallen. Ze wijst uit het raam, naar de overkant van de straat. Daar, aan het met zijn torentjes en trapgevels bijna sprookjesachtige Carl von Ossietzky-gymnasium, werd haar oudste zoon Phillip middelpunt van een affaire die de hele DDR zou bezighouden.

Als enige van haar kinderen was hij in Duitsland achtergebleven. Door hem het land uit te jagen, hoopte de Stasi Lengsfeld definitief te doen afzien van een terugkeer naar de DDR. Dus werd de zestienjarige Phillip samen met vrienden van school gestuurd. Ze zouden een ‘pacifistisch platform’ hebben opgericht. Eenmaal bij zijn moeder in Engeland bleef het knagen. ‘Hij kon weer naar school gaan, maar zijn vrienden in de DDR konden dat niet. Dat was voor hem ondraaglijk’, vertelt Lengsfeld. Opnieuw bewerkstelligde de Stasi met zijn manipulaties het tegendeel. Vera Lengsfeld besloot terug te keren naar de DDR om hun zaak te bepleiten.

Zo kwam het dat Lengsfeld anderhalf jaar na haar onvrijwillige vertrek uit de DDR weer aan de grens stond. Ze geniet zichtbaar als ze terugdenkt aan die ochtend bij de douanepost aan de Berlijnse Friedrichstrasse. ‘Ik heb mijn paspoort getoond en gezegd: “Ik wil hier naar binnen”. Dat weigerden ze. Maar ik had geluk. Achter mij stond een rij met voornamelijk gepensioneerden, die vrijelijk heen en weer mochten reizen tussen Oost en West. Die rij werd snel langer. Sommige oudjes begonnen te mekkeren. “Omdat die haar papieren niet op orde heeft, moeten wij wachten!” Ik heb me toen omgedraaid en voorgesteld. Mijn naam kende in die tijd iedereen. Ik legde uit dat met mijn papieren niets mis was, maar dat ze me er gewoon niet in wilden laten. Ergens achter in de rij begon het vervolgens. “Toelaten!” brulde een bejaarde. Daarna begon een tweede te roepen, toen een derde. Uiteindelijk werden de douaniers zo nerveus van al dat geklaag dat ze me hebben laten gaan.’ Op dat moment kon ze er de lol niet van inzien. ‘Zodra ik voet op Oost-Duitse bodem zette, kreeg ik een paniekaanval. Alles zag er nog precies hetzelfde uit. Hier kom je nooit meer uit! dacht ik.’

‘Voor DDR-burgers was dat het signaal: het regime heeft geen tanden meer’

Het liep anders. Diezelfde avond stond Vera Lengsfeld tussen de menigte die zich eerst verbijsterd, daarna uitgelaten door de grensovergang bij de Bornholmer Strasse drong. Het was 9 november 1989. De Berlijnse Muur was zojuist gevallen.

Medium derde weg 2

IN DATZELFDE JAAR 1989 had de tweehonderdste verjaardag van de Franse Revolutie moeten worden gevierd. Kon het mooier in de ogen van de aanhangers van een derde weg? De verzoening tussen Oost en West, tussen gelijkheid en vrijheid, tussen de uit elkaar gedreven idealen van de Franse Revolutie?

Maar uitgerekend in het herdenkingsjaar gingen de verheven idealen van de dissidenten ten onder in de ontketende massa. Terugkijkend zeggen ze het allemaal: ergens in 1988 of 1989, zo tussen het moment dat Vera Lengsfeld het land moest verlaten en haar bizarre terugkeer, verloor de oude oppositie het initiatief. Dat was paradoxaal genoeg het gevolg van haar eigen succes. Eindelijk wist ze de massa’s te mobiliseren tegen het regime. Maar hun wensen verschilden van die van de dissidenten. Hoezeer, dat werd pas duidelijk bij de eerste en enige vrije verkiezingen ooit gehouden in de DDR. Op 18 maart 1990 werd de oppositie weggestemd. Driekwart van de Oost-Duitsers koos voor de door de West-Duitse partijen gesteunde formaties. De dissidentenpartijen kwamen niet verder dan enkele procenten. Daarmee stond niets een snelle Duitse hereniging meer in de weg. Vergeten leek het idee van de oude oppositie om eerst zelf orde op zaken te stellen in de DDR, om vervolgens zelfbewuster en op basis van gelijkwaardigheid, eventueel binnen Europees verband, het gesprek aan te gaan met West-Duitsland.

De kloof tussen de meerderheid van de bevolking en de groepjes dissidenten was eenvoudigweg te groot, denkt Thomas Klein: ‘Wij dissidenten hadden het over luchtvervuiling en persvrijheid. De arbeiders wilden boven alles financiële zekerheid en de vrijheid om te reizen.’ Als historicus schrijft Klein tegenwoordig over de geschiedenis waar hij ooit zelf een prominente rol in speelde. Na de desastreus verlopen verkiezingen in 1990 kwam hij als enige vertegenwoordiger van de ‘basisdemocratische beweging’ Verenigd Links in het Oost-Duitse parlement. Toen had hij er al een heel leven in de oppositie opzitten. Als ‘Oost-68’er’ was hij in de jaren zeventig van de universiteit gestuurd wegens trotskisme. In 1979 en 1980 was hij politiek gevangene in Hohenschönhausen. Daarna werd hij actief in de sociale bewegingen van de jaren tachtig.

Thomas Klein: ‘Net als de westerse welvaartsstaten heeft ook de DDR een soort sociaal contract afgesloten met haar bevolking. Jullie houden je koest en werken fatsoenlijk door, wij zorgen ervoor dat het leven steeds beter wordt – dat was het idee vanaf de jaren zeventig. Die sociale vrede heeft lang standgehouden. Tot eind jaren tachtig, toen het regime zijn belofte van een gestage verbetering van de levensstandaard niet langer kon waarmaken.’ Maar de oude oppositie was niet in staat in dat gat te springen, weet Klein: ‘Zo kon het gebeuren dat Honeckers sociaal contract is afgelost door Kohls belofte van bloeiende landschappen.’

‘De mensen wilden gewoon geen experimenten meer’, denkt Marion Seelig, net als Klein destijds betrokken bij Verenigd Links. ‘We hebben de situatie helemaal verkeerd ingeschat. Zeker, er is gedurende korte tijd een revolutionaire situatie geweest. Het ene regime kon niet meer, het andere ontstond net – dubbele macht dus. Maar dat duurde niet lang. Hoogstens twee, drie weken, waarin we de hoop hadden dat alles anders zou worden.’

ZITTEND TEGEN de gevangenismuur in het laatste beetje zon van de dag tovert Wolfgang Rüddenklau een e-reader te voorschijn. ‘Hier, lees dit eerst maar. Dit is het laatste artikel dat ik in 1998 heb geschreven voor de mede door mij nog in de DDR opgerichte telegraph.’ Een lange politieke kritiek: op voormalige dissidenten als Wolf Biermann die tegenwoordig christen-democratische partijbijeenkomsten opvrolijken; op radicaal-links dat niet verder kijkt dan de eigen subcultuur; op alle andere links dat óf uit fellow travellers bestaat óf de idealen heeft verloochend. Rüddenklau: ‘Mijn hele leven is erop gericht geweest verzet op te bouwen, onder moeilijke omstandigheden. Heel even heb ik gedacht dat we aan het winnen waren. Maar we verloren.’ Hij houdt even in. ‘Dat is triest. Ik houd van het leven. Maar ik zeg het eerlijk: het belangrijkste deel heb ik achter me.’
Gevraagd naar haar gevoelens over de gewonnen revolutie die tegelijk een nederlaag was, haalt Marion Seefeld de schouders op. ‘Je gaat door hè?’ Uit woede over de Kosovo-oorlog heeft ze zich eind jaren negentig aangesloten bij de PDS, de opvolger van de Oost-Duitse staatspartij SED. Een stap waar lang niet iedereen in haar omgeving begrip voor had. Voor haar partij, die zich inmiddels heeft omgevormd tot Die Linke, zit ze sinds jaar en dag in de Berlijnse politiek. De economische crisis en de nog altijd torenhoge werkloosheid in het oosten van Duitsland hebben haar achteraf gesterkt in haar standpunten van eind jaren tachtig: ‘Als woordvoerder van Verenigd Links heb ik altijd gezegd: de DDR wordt het Sicilië van de Bondsrepubliek. Dat wilde toen niemand horen. Tja…’

Het meest optimistisch toont zich nog de Leipziger pastoor Christian Führer: ‘Helemaal tevreden kun je nooit zijn, maar alle eisen die in 1989 gesteld werden, van vrije verkiezingen tot de vrijheid om te reizen, zijn vervuld. Desondanks: de revolutie moet verder gaan. De huidige kapitalistische orde past niet bij onze democratie. De economie heeft een sociaal-ethische heroriëntatie nodig.’

Over één ding zijn alle oppositionelen het eens: het DDR-systeem was nog veel verrotter dan ze indertijd dachten. Hoé rot, dat ontdekte Vera Lengsfeld ruim twee jaar na de val van de Muur: ‘Ik behoorde op 2 januari 1992 met mensen als Wolf Biermann en Katja Havemann tot de eersten die hun Stasi-dossier mochten inzien. Die dag hebben we allemaal in een afgrond gestaard. Dat het zo erg was, hadden zelfs wij ons niet kunnen voorstellen.’ Natuurlijk, dat het in de DDR wemelde van de Stasi-agenten wisten ze al lang. En toch zal het Lengsfeld geduizeld hebben toen ze de namen onder ogen kreeg van de mensen die haar bespioneerden. Onder de schuilnaam ‘Donald’ hield niemand minder dan haar eigen echtgenoot de Stasi op de hoogte van haar gaan en staan. Al die jaren. En er bleken systematische moordplannen te zijn geweest voor de oppositie. ‘Zo hebben ze bij mij een keer een wiel van de Trabant losgedraaid. We konden hem nog net stilzetten langs de weg.’

Daar, te midden van de Stasi-papieren, liep de derde weg voor Lengsfeld definitief dood. ‘Wat wij toen in onze dossiers hebben gezien, waren de praktijken van een systeem waarvan er geen menselijk gezicht kan zijn. Die dag heb ik definitief afscheid genomen van het socialistische idee.’
Zo ver gaan haar voormalige strijdmakkers niet. Hun idealen hebben ze behouden. Maar ze zijn wel een hoop illusies armer. Simpelweg het bureaucratische regime wegjagen en de belofte van een democratisch socialisme alsnog inlossen, zoals veel linkse oppositionelen tot 1989 hoopten, bleek onmogelijk. ‘Het stalinistische systeem maakt alles kapot’, denkt Rüddenklau achteraf. ‘Het vernietigt de Bildung, verbiedt boeken en verbrandt ze. In zo’n systeem is er geen mogelijkheid een oppositie op te bouwen. Dat kon pas toen het systeem in verval was. En toen was er onvoldoende tijd om een volwaardig democratisch-socialistisch alternatief te formuleren. Waardoor we er in 1989 bij stonden als een stel theoretische maagden.’


Beeld: (1) 1989, Leipzig (David Turnley / Corbis). (2) 1989, Berlijn (David Turnley / Corbis).