David Marquands Willem-Dreeslezing

De Derde Weg voorbij

De Europese sociaal-democratie bezint zich op een nieuwe koers. Hoe nieuw is de Derde Weg van Tony Blairs New Labour? Historicus en voormalig Labour-parlementslid David Marquand legde in de laatste Willem Drees-lezing de vinger op de zere plek.

Zover ik me kan herinneren, heb ik mijn hele politieke leven derde wegen bewandeld. In mijn jonge jaren was de regering-Attlee aan de macht. Uit een van de eerdere beleidsstukken van de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Ernest Bevin, blijkt dat de regering een Derde Weg, of op zijn minst middenweg, aanhield tussen het kapitalisme van de Verenigde Staten, dat hij beschreef als ‘red in tooth and claw’, en de totalitaire dictatuur van de Sovjet-Unie. In het begin van de jaren vijftig werd ik meegesleept door de welsprekendheid en passie van Aneurin Bevan, de charismatische leider van de linkervleugel binnen Labour. Hij bood het idee van een 'derde macht’ tussen het communisme in Rusland en het Amerikaanse kapitalisme. Later in de jaren vijftig werd ik in vervoering gebracht door Hugh Gaitskell en Tony Crosland, de bekendste sociaal-democratische revisionisten van die tijd. Ook ik zag mezelf als een revisionist, hoewel we dat woord, voor zover ik me kan herinneren, niet gebruikten. Wij boden, dat dachten we tenminste, een derde weg tussen het fundamentalistische socialisme van Oud Links en het klassegebonden, bekrompen conservatisme van de Tories.

Dus het idee van de Derde Weg is helemaal niet zo nieuw. Sterker nog: het is mij, geloof ik, gelukt de oorsprong ervan bloot te leggen terwijl ik onderzoek deed naar een totaal ander onderwerp. Ik ontdekte dat de grote filosoof van de Church of England, de zogenaamde judicious Hooker, die in de zeventiende eeuw grote bekendheid verwierf, een warm pleitbezorger was van het Anglicanisme als via media tussen Genève en Rome. Dus het is heel wel mogelijk dat de notie van een Derde Weg om wat voor reden dan ook deel uitmaakt van de Britse politieke cultuur, en dat al eeuwenlang.

Binnen de regering-Blair wordt het concept mijns inziens in meer functionele zin gebruikt. Wat er van deze regering ook te zeggen valt, één ding is duidelijk. Tony Blair als leider van de Labour Party, of zo u wilt van New Labour, is verrassend succesvol gebleken in het smeden van een nieuwe sociale coalitie. Die bezorgde centrumlinks of in ieder geval de anticonservatieve krachten in Groot-Brittannië de meest overtuigende verkiezingsoverwinning sinds 1906. Blair is direct na zijn aantreden als Labour-leider deze alliantie, die zich uitstrekt over het hele sociale spectrum, van de berooide bevolking uit de binnensteden tot de welgestelden uit de voorsteden, zorgvuldig gaan versterken. En de uitslag van de verkiezingen in 1997 toont aan dat hij daarin glansrijk is geslaagd.

Een belangrijke reden waarom de retorica van de Derde Weg zoveel mensen aanspreekt, is ongetwijfeld gelegen in het feit dat hij poogt dit zeer diverse en heterogeen samengestelde verbond bijeen te houden. Het discours beoogt de winnaars onder het neoliberale bewind van Mrs. Thatcher en John Major het vertrouwen te geven dat New Labour geen afbreuk zal doen aan hun gewin; dat de verworvenheden van het vorige bewind, zoals dit electoraal gezien zo belangrijke deel van de Blair-achterban ze ervaart, bij haar in goede handen zijn. De politieke functie van de term 'Derde Weg’ mag niet onderschat worden en ik vind het niet overdreven cynisch deze kanttekening te plaatsen.

Welke betekenis kent New Labour nu zelf toe aan de Derde Weg, behalve die van politiek bindmiddel? Zoals ieder politiek thema wordt het door verschillende mensen verschillend geïnterpreteerd. Het is zeker geen eenduidige ideologie of intellectueel standaardpakket waarover brede consensus bestaat. Daarvoor is het te weinig concreet en eenduidig. Dit maakt dat het weliswaar veel moeilijker te doorgronden is, maar dat het in sommige opzichten ook veel interessanter en wellicht ook veelbelovender is. Toch zien we in het gedachtegoed van de Derde Weg dat zich de afgelopen drie of vier jaar heeft verspreid ook enkele heldere en gemeenschappelijke thema’s. De eerste opvatting waarover onder het gros van de Derde-Weg-adepten geen verschil van mening lijkt te bestaan, is dat globalisering een onvermijdelijke en steeds sneller op ons af komende realiteit is. Bij een van zijn eerste publieke optredens in Malmö, kort nadat hij premier was geworden, vertelde Tony Blair de verzamelde leiders van socialistische partijen in Europa dat de wereld 'een revolutie van verandering’ doormaakte. 'Nieuw, nieuw, nieuw’, riep hij uit, 'alles is nieuw.’

De revolutie waarop hij doelde is onweerstaanbaar en onontkoombaar en het is sentimenteel gemijmer om daar anders over te denken. De enige rationele koers voor een politieke partij die richting wil geven aan deze revolutie is om deel te hebben aan de globalisering die de wereld in sneltreinvaart een ander aanzien geeft en voorlopig nog wel even zal voortduren.

Hieruit volgt opvatting nummer twee. Om Blairs eigen woorden te gebruiken: in deze bijzondere, revolutionaire wereld is nog altijd plaats voor traditionele sociaal-democratische waarden. Maar deze waarden kunnen niet langer in de praktijk worden gebracht op basis van traditionele sociaal-democratische doctrines. Het onderscheid dat Blair aanbrengt tussen waarden en doctrines is opvallend. Waarden blijven, maar doctrines moeten worden aangepast. In de praktijk betekent dit dat de dichotomie van rechts neoliberalisme en linkse sociaal-democratie, die de Britse politiek in de jaren tachtig structureerde, moet worden overstegen door een nieuwe benadering waarin elementen van beide ideologieën zijn verwerkt, maar die in essentie nieuw is. Blair zegt vaak dat hij niet alleen de sterke punten van het neoliberalisme uit de jaren tachtig en de sociaal-democratie uit de jaren zestig en zeventig probeert te verenigen, maar dat hij een nieuw pad zoekt. Maar dat nieuwe pad moet wel duidelijk herkenbare neoliberale en sociaal-democratische sporen vertonen.

Wat zien we nu terug van dit alles? Bij het beantwoorden van deze vraag beperk ik me tot Groot-Brittannië. Dat doe ik omdat de Derde Weg in belangrijke mate een op de Britse situatie geënt concept is. De eerste implicatie waar Derde- Weg-adepten zelf de aandacht op vestigen, is dat gelijke uitkomsten, volgens hen de centrale doelstelling van de traditionele sociaal-democratie, niet langer haalbaar, realistisch of zelfs wenselijk zijn. Hedendaagse socialisten moeten zich richten op gelijke kansen. In hun belangwekkende, gemeenschappelijke verklaring zeggen Tony Blair en Gerhard Schröder: 'Het bevorderen van sociale rechtvaardigheid werd soms verward met de eis tot gelijk verdeelde welvaart. Dit heeft ertoe geleid dat het belang van het belonen van inzet en verantwoordelijkheidsbesef werd verwaarloosd en dat de sociaal-democratie werd geassocieerd met eenvormigheid en middelmatigheid.’

Veel socialisten hebben hierop bijzonder verontwaardigd gereageerd. Sommigen, zoals ex-communist en historicus Eric Hobsbawm, beschuldigden Tony Blair ervan 'Thatcher in drag’ te zijn. Ik ben het hier niet mee eens. Ik denk dat er een belangrijk verschil is tussen Blairs Derde Weg van gelijke kansen en de ideologie die ten grondslag lag aan het beleid van Thatcher. De Thatcher-volgelingen waren voorstander van een in omvang beperkte doch zeer machtige en ook zeer dominante staat. In hun ogen was het de rol van de regering om obstakels voor vrije marktwerking weg te nemen. Dat was een zeer belangrijke rol die tot een concentratie van macht in het beleidscentrum leidde, maar het was tegelijkertijd een minimalistische rol. Individuele bedrijven en individuele economische spelers moesten vervolgens zelf maar zien hoe ze hun eigen plek konden veroveren op de markt, die inmiddels een mondiaal karakter heeft.

De visie van New Labour wijkt hier in belangrijke mate sterk van af. New Labour gelooft ook in de vrije markt. Daarom houdt het zo koppig vast aan deregulering van de door de regering-Thatcher nagelaten arbeidsmarkt. Maar het streeft ook naar een actieve staat om gelijke kansen en internationale concurrentie te bevorderen, hoofdzakelijk door investeringen in menselijk kapitaal en door het ombouwen van de oude verzorgingsstaat in wat wel wordt aangeduid als een workfare state.

Een tweede implicatie die voortvloeit uit de Derde Weg is dat de notie alsof er kapitalisme in verschillende gedaanten zou bestaan – met name het Rijnlandse model van stakeholder-kapitalisme en het Angelsaksische shareholder-model, waartussen een keuze mogelijk zou zijn – niet langer te verdedigen is, zover het dat ooit al was. Globalisering heeft het Rijnlandse model achterhaald. De enige praktisch bruikbare variant van kapitalisme in the real world is de Angelsaksische variant. Sociaal-democraten moeten dat model als gegeven uitgangspunt hanteren bij het maken van beleid. Hieruit volgt dat belastingen laag moeten blijven en overheidsuitgaven beperkt moeten worden. Volgens Blair en Schröder hebben de overheidsuitgaven als percentage van het nationaal inkomen min of meer hun acceptatiegrens bereikt. Deregulering is het devies, gekoppeld aan fiscale orthodoxie. Nu zult u wellicht enigszins snerend zeggen dat dit een terugkeer is naar de politieke economie van Gladstone aan het eind van de negentiende eeuw. De homogene liberale economische wereldorde laat echter geen ruimte voor nationale voorkeuren. Regeringen die de spelregels in de wind slaan, worden terecht gestraft voor hun onbezonnenheid. En daar hebben we ons maar bij neer te leggen.



Nu de zwakke punten in het verhaal van deze 'sociale vernieuwers’ en van hun moderniseringsproject. Allereerst geeft het een wel erg versimpeld beeld van de geschiedenis van de Britse Labour-beweging. Mensen die het in feite wezenlijk met elkaar oneens waren, worden allemaal over een kam geschoren en aangeduid als Old Labour. De echte verschillen tussen Hugh Gaitskell en Aneurin Bevan of tussen James Callaghan en Tony Benn, of tussen John Smith en Michael Foot blijven gemakshalve onvermeld. Dit is niet alleen historisch gezien onjuist, het doet ook onrecht aan de pre-Blair revisionistische stroming binnen de sociaal-democratie, gedurende de afgelopen vijftig jaar de belangrijkste tegenhanger van het oud-linkse fundamentalistische socialisme. Deze episode uit de geschiedenis van de Labour-partij is inmiddels goeddeels vergeten.

De Derde Weg geeft ook een verkeerde voorstelling van de ware aard van het egalitarisme dat de kern vormde van de traditionele sociaal-democratie. In Groot-Brittannië is de meerderheid van de sociaal-democraten nooit voorstander geweest van equality of outcome, zo er al enige betekenis aan deze vreemde term kan worden toegekend. Ze was voor gelijke waardering, gelijke macht, gelijke toegang tot de voorwaarden voor een goed leven en individuele ontplooiing. Dit gold zowel voor de zogenaamde revisionisten, voor mensen als Gaitskell en Crosland, als voor de socialistische hardliners.

Deze waarden – gelijke toegang tot de voorwaarden voor een goed leven en individuele ontplooiing – zijn ontegenzeglijk en in belangrijke mate verschillend van gelijkheid van kansen. En het gros van de sociaal-democraten, in ieder geval in Groot-Brittannië, benadrukte voortdurend dat kansengelijkheid niet genoeg was. Dat brengt ons bij een nog wezenlijker punt. Voor traditionele sociaal-democraten was gelijkheid in essentie veel meer een kwestie van collectieve consumptie van publieke goederen dan van individuele consumptie van door de markt geleverde goederen. Om gelijke toegang tot de benodigdheden van menselijk welzijn te realiseren, moesten, in marxistische terminologie, belangrijke publieke goederen worden gedecommodificeerd en aan het domein van de markt worden onttrokken. In de wachtkamer van de huisarts was iedereen gelijk: niet in de zin dat iedereen dezelfde behandeling kreeg, maar in de zin dat ze hetzelfde recht hadden op de behandeling die ze nodig hadden. Maar dat was nog geen gelijke uitkomst, want behoeften zijn niet gelijk, zoals Marx maar al te goed wist.

Om dezelfde reden was de traditionele sociaal-democratie nooit echt voorstander van een planeconomie, zeker niet in Groot-Brittannië. De Labour-partij won weliswaar de algemene verkiezingen in 1945 door de belofte van economische planning. Maar na zo’n twee jaar kwam men tot de ontdekking dat in een economie die sterk afhankelijk was van buitenlandse handel en waarin de vakbonden simpelweg niet bereid waren tot meerjarige loonafspraken, het onmogelijk was zoiets als een economisch plan op te stellen. Wat de Labour-regering na 1945 feitelijk deed, was voortborduren op de retoriek van planning zonder de daad bij het woord te voegen. Aan het einde van de regeerperiode sprak men nog altijd over planning, maar men bedoelde daarmee niet langer iets dat ook maar in de verste verte leek op het dirigisme dat men in 1945 nog voorstond. Nu werd er keynesiaans stimuleringsbeleid mee bedoeld. In de jaren zestig publiceerde de regering-Wilson inderdaad een nationaal plan, het enige dat ooit in het Verenigd Koninkrijk werd gepubliceerd. Maar naar aanleiding van de valutacrisis in 1966 werd het plan verscheurd door dezelfde regering die het twaalf maanden eerder had bedacht. En het was sowieso nooit meer geweest dan een aanzet tot een plan.



Maar belangrijker dan dit is dat de Derde-Weg-adepten een aantal potentieel zeer productieve debatten in Groot-Brittannië buiten beschouwing laten die eind jaren tachtig, begin jaren negentig werden gevoerd, toen de regering-Thatcher zichzelf in de wielen begon te rijden. Het begin van de jaren tachtig betekende een schok voor het hele linkse spectrum van socialisten, sociaal-democraten en sociaal-liberalen. Groot-Brittannië kreeg te maken met het meest vérgaande neoliberale experiment waar ook ter wereld, uitgevoerd door een regering die vanuit een immense ideologische bevlogenheid alle constitutionele machtsmiddelen in de strijd gooide om de revolutie door te drukken. En links? Dat was hopeloos gedesoriënteerd. Niemand wist wat te doen en hoe te reageren.

Tegen het eind van de jaren tachtig begon zich toch een reactie af te tekenen. Een reeks nieuwe thema’s diende zich aan. Een daarvan was democratisering en burgerschap. Dit impliceerde een radicale reconstructie van de Britse staat binnen een nieuw constitutioneel kader, met pluralistische checks and balances om machtsmisbruik te voorkomen. Een ander thema was stakeholder-kapitalisme. Was het mogelijk om, in de wetenschap dat kapitalisme de historische strijd tegen het socialisme had gewonnen, een vorm van kapitalisme te creëren die afweek van het Brits-Amerikaanse model dat gebaseerd is op de aloude notie van het absolute eigendomsrecht van bezitters om vrijelijk te beschikken over hun bezit?

Nog een thema van groot potentieel belang was dat van het publieke domein. Hier was de opvatting dat er in een beschaafde samenleving een domein moet zijn waarin goederen niet door de markt worden toegewezen, en waarin een ethiek van burgerschap en dienstbaarheid heerst in plaats van de commerciële waarden van de markt.

Rondom deze thema’s werden de vage contouren zichtbaar, en ik zeg met opzet vage, van een alternatief moderniseringsproject. Dit embryonale alternatief verschilde hemelsbreed van het labourisme uit het verleden; het was in dat opzicht zeker nieuw te noemen. Ook verschilde het van, en vormde een serieus tegenwicht tegen de neoliberale orthodoxie van die tijd. Het was ontegenzeglijk modern, maar even ontegenzeglijk verschilt het van de Derde Weg van het eind van de jaren negentig.

De retoriek van de Derde Weg miskent eveneens de ware aard van de omslag die momenteel zichtbaar is in de mondiale politieke economie. Ik wil niet te diep op deze discussie ingaan en me beperken tot de constatering dat toen Blair uitriep: 'Nieuw, nieuw, nieuw, alles is nieuw’, hij beter had kunnen zeggen: 'Oud, oud, oud, alles is oud.’ Want het echt opvallende aan de transformatie die we doormaken is dat deze niet nieuw is. Het is zeker waar dat het getemde kapitalisme van de naoorlogse periode verdwenen is. Maar het nieuwe kapitalisme dat ervoor in de plaats is gekomen doet sterk denken aan het kapitalisme dat Marx meer dan honderd jaar geleden beschreef. Tony Crosland, de grote theoreticus van de revisionistische sociaal-democratie in de jaren vijftig, zou waarschijnlijk met stomheid geslagen zijn als hij de huidige politiek-economische ontwikkeling zou gadeslaan. Karl Marx daarentegen zou niet erg verrast zijn.



Is er wel ruimte voor een alternatief? We bevinden ons momenteel in Europa in een zeer vreemde politieke conjunctuur. Nog niet zo lang geleden was de sociaal-democratie ten dode opgeschreven door allerlei politieke commentatoren van rechtse en linkse signatuur. Plotseling beleeft zij echter een revival. It has come back from the cold. Sociaal-democraten regeren in een groot aantal Europese landen. We moeten ons afvragen hoe deze ommekeer tot stand is gekomen. Ik weet te weinig van continentaal-Europese politiek om hierover stellige uitspraken te kunnen doen en ik ben me ervan bewust dat Groot-Brittannië een in veel opzichten unieke voorgeschiedenis kent. Geen ander land in Europa werd blootgesteld aan een experiment van het soort waaraan de regering-Thatcher haar onderdanen blootstelde. Wat ik wél weet is dat het Britse volk zich langzaam maar zeker tegen de sociale en culturele schade begon te keren die de neoliberale revolutie aanrichtte. Er ontstond een spontaan gevoel dat zich het best laat omschrijven als: 'hier moet een eind aan komen’.

New Labour-leiders zeggen vaak: 'We voerden campagne als New Labour en we wonnen als New Labour.’ De waarheid is mijns inziens dat ze wonnen als niet-conservatieven. Een van de redenen was dat de Conservatieve partij uiteenviel. Maar op een dieper niveau ging het erom dat de sociale en culturele schade die het bewind van Thatcher en Major veroorzaakte niet langer getolereerd kon worden en een halt moest worden toegeroepen. Ik weet niet of dat ook geldt voor andere landen op het Europese continent. Ik denk niet in dezelfde mate, maar er zijn ongetwijfeld parallellen te trekken.

Hoe het ook zij, wat me zorgen baart is het volgende. Als de herboren sociaal-democratie niet tegemoetkomt aan het stille verlangen naar herstel van de sociale schade die in de jaren tachtig en begin jaren negentig is aangericht, bestaat het gevaar dat zeer verwerpelijke extreem-rechtse stromingen het ontstane vacuüm gaan opvullen. Vele jaren geleden, voor de Eerste Wereldoorlog, zei de grote Duitse sociaal-democratische leider August Bebel dat antisemitisme het socialisme van de dommen was. Het was een suggestieve uitspraak. Tegenwoordig zou je evenwel kunnen zeggen dat religieus fundamentalisme en racistisch nationalisme de sociaal-democratie van de dommen is. En als de impliciete belofte om de schade ongedaan te maken niet gestand wordt gedaan, bestaat de kans dat de sociaal-democratie van de dommen flink terrein gaat winnen. Hiervoor zijn in een aantal Europese landen al tekenen aan te wijzen.



Wat we nodig hebben is een andere kijk op moderniteit en modernisering. De Britse aanhangers van de Derde Weg hanteren grotendeels een technocratische, beheersmatige visie van moderniteit en modernisering. Dat wil zeggen modernisering van boven naar beneden. Maar een andere visie is denkbaar. Dit kan ik misschien het best illustreren met een vraag. Wat is moderner: organisch voedsel of genetisch gemodificeerd voedsel? Wie waren de moderniseerders: de demonstranten van Seattle of de wto aldaar? Natuurlijk waren ze dat allebei, maar ze hielden er tegenstrijdige opvattingen van moderniteit op na en volgden andere wegen om deze te bereiken. Een sociaal-democratie die verder gaat dan de Derde Weg moet dit eerst onderkennen. Zij moet erkennen dat de demonstranten van Seattle of de tegenstanders van transgene voeding geen verstokte fundamentalisten zijn; het is gewoon onjuist en oneerlijk om ze af te schilderen als volgelingen van een ouderwets soort conservatisme.

Daarnaast moeten sociaal-democraten die de Derde Weg achter zich willen laten, beseffen – en dat is een opvatting die iedere sociaal-democraat zonder morren zal accepteren – dat er een onvermijdelijke spanning bestaat tussen kapitalisme en democratie. Geen tegenspraak, maar een spanningsveld. Geen enkele democratie heeft ooit bestaan in iets anders dan een kapitalistische economie. Het ideaal van een socialistische democratie is nooit gerealiseerd op deze aardbol. Wellicht is het mogelijk, maar het is nog niet gebeurd. Alle democratieën zijn gekoppeld geweest aan kapitalistische economieën. Niettemin is er een spanningsveld tussen de twee. Dat is eenvoudig te verklaren. De fundamentele belofte van democratie is ongetwijfeld gelijk burgerschap. Niemand heeft het recht over anderen te heersen zonder hun toestemming. In theorie zijn alle mensen gelijk. Uiteraard wordt die belofte niet overal gestand gedaan, maar het is wel het uitgangspunt. Maar in een kapitalistische markteconomie zijn beloningen per definitie ongelijk. De spanning tussen gelijkheid, de kern van het democratisch ideaal, en ongelijkheid, onvermijdelijk binnen een kapitalistische markteconomie, moet op een of andere manier worden opgelost. Óf het kapitalisme moet concessies doen aan de democratie, óf de democratie moet concessies doen aan het kapitalisme. Dat is immers de ware betekenis van de term sociaal-democratie. Toen de pioniers van de sociaal-democratie zichzelf sociaal-democraten gingen noemen, bedoelden ze daarmee dat politieke democratie niet genoeg was, dat politieke democratie als zodanig een leeg begrip was, dat politieke democratie een sociale en economische dimensie moest krijgen om een echte democratie te worden. Dat inzicht moet weer in ons bewustzijn worden teruggebracht.

Het nieuwe paradigma van hen die de Derde Weg voorbij willen gaan is nog niet scherp genoeg geformuleerd en zelfs verwarrend. Ik draag daarvoor geen verzachtende omstandigheden aan: in een tijd van snelle verandering is dat onvermijdelijk. Maar ik wil het ten slotte wel opnemen voor de Derde-Weg-adepten die ik in mijn betoog heb bekritiseerd. Politiek gaat over beslissingen, keuzes, gemaakt onder omstandigheden van druk en onzekerheid. Het gaat niet om intellectuele debatten, of over seminars. Academici houden van seminars, daar worden ze voor betaald. Politici moeten dingen doen. Dat realiseer ik me, en ik besef ook dat het vage alternatief dat ik hier geschetst heb nog geen kant en klaar beleidspakket oplevert, dat door ministers, die snel moeten handelen en beslissen, kan worden toegepast. Dus wil ik afsluiten met een pleidooi voor een soort tweestapsbenadering. Accepteer de Derde Weg als het best haalbare op dit moment. Maar laten we in hemelsnaam de noodzaak van diepgaandere discussies, los van de politieke waan van de dag, niet uit het oog verliezen. Als we niet eens nadenken over de vragen die ik hier heb opgeworpen, dan komen we nooit uit bij een coherente regeringsfilosofie die als alternatief voor de huidige zal kunnen dienen.


Dit is een bewerkte versie van de Willem Drees-lezing 2000. Vertaling: Taalcentrum VU. Met dank aan de Wiardi Beckman Stichting.