De destructieve wereld van mannen

De witte walvis van het komende boekenseizoen is voor mij de roman Blood’s a Rover van James Ellroy (1948). Het is het laatste deel van zijn Underworld USA-trilogie en ik voorzie een pijnlijk afscheid. ‘America was never innocent. We popped our cherry on the boat over and looked back with no regrets.’ Het zijn de openingszinnen van het eerste deel American Tabloid (1995) en de bijl gaat er meteen in. Waar hebben we het over: de Verenigde Staten, 1958-1963, CIA, FBI en de maffia maken elkaar het hof, machtsmisbruik is nog een modewoord voor liberals. Belangrijke spelers: Howard Hughes, Jimmy Hoffa, J. Edgar Hoover, Fidel Castro, Robert en John F. Kennedy.

Was Ellroy vóór American Tabloid een succesvol auteur van beter dan gemiddelde, donkere crime novels, na die roman had Amerika er een nieuwe literaire uitdager bij. Een die er niet voor schroomde termen als masterpiece en Great American Novel in zijn mond te nemen. Beide begrippen had hij te vroeg geuit. Zijn eerste meesterwerk zou pas de opvolger blijken, het overweldigende The Cold Six Thousand (2001). Ik kocht een duur, gebonden exemplaar bij de Leidse boekhandel Kooyker toen ik nog nauwelijks nieuwe boeken kocht. Het was mijn eerste kennismaking met het proza van Ellroy, maar ik besefte onmiddellijk dat hier iets ingrijpends gebeurde. Ik kwam tot ijzeren inzichten over genadeloosheid en de taal van geweld, over de aantrekkelijke en destructieve wereld van mannen. In The Cold Six Thousand is Kennedy dood en ontbrandt de oorlog in Vietnam. En dan die stijl: seeing is believing. Ik noem Ellroy vaak mijn James Joyce.
Afsluiter Blood’s a Rover zal de periode 1968-1972 bestrijken. Ellroy noemt het boek een ‘ghastly tale of political malfeasance and imperialistic bad juju’. De geschiedenis verandert niets aan de toekomst. Dat begreep ik pas nadat ik Ellroy had gelezen.