Een radicale afwijzing van de Verlichting

De deugden

Andreas Kinneging

Geografie van goed en kwaad: Filosofische essays

Spectrum, 533 blz., € 29,95

In het huidige debat over de islam is niets zo ergerlijk als de goedkope en gemakzuchtige wijze waarop sommige vijanden van de multiculturele samenleving de Verlichting in stelling brengen. Onze westerse beschaving zou zijn gebaseerd op de waarden van de Verlichting en wanneer moslims hier willen leven – en dus deel willen uitmaken van die beschaving – dan zullen ze moeten kiezen voor de short cut to Enlightenment. Wie de waarden van de Verlichting afwijst plaatst zichzelf buitenspel en doet moedwillig afstand van de rechten en vrijheden die worden geassocieerd met de Verlichting.

Het interessante en sympathieke van Andreas Kinnegings boek Geografie van goed en kwaad is dat het weliswaar een uitvoerig en omstandig pleidooi voor de westerse beschaving is, maar zich tegelijkertijd fel keert tegen deze «stupide, zelfgenoegzame oppervlakkigheid», die voorbijgaat aan alle kritiek die de afgelopen drie eeuwen op de Verlichting is geformuleerd. Bovendien is onze beschaving natuurlijk niet pas begonnen met de Verlichting en is het zowel onverstandig als schadelijk om oudere denktradities per definitie te beschouwen als achterhaald en overbodig.

De traditie die volgens Kinneging tot schade en schande van onze moderne samenleving vrijwel volledig in vergetelheid is geraakt, is die van het natuurrecht. Volgens het natuurrecht bestaat er een vooraf gegeven morele orde, die tot uiting komt in een aantal deugden. Terwijl in het joodse denken de deugden een zeer ondergeschikte rol speelden, vormde de deugd bij Homeros de centrale morele categorie. De deugden vormden een goddelijke en dus objectieve maatstaf van goed en kwaad. In de vijfde eeuw voor Christus werd dit denken door de sofisten onder vuur genomen en deed het waarden relativisme zijn intrede. In de ogen van de sofisten, die hiervoor door Nietzsche zouden worden geprezen, waren goed en kwaad geen objectieve begrippen en bestond er dus helemaal geen «moraal op zich».

Sofisten als Protagoras en Gorgias werden fel bestreden door Plato, die stelde dat er achter de wereld van de door ons waar te nemen verschijnselen eeuwige, onveranderlijke ideeën scholen. Hoewel die ideeën niet rechtstreeks kenbaar zijn, kunnen ze in ons handelen wel oplichten, kunnen we herkennen of ons handelen «deugt».

In de Grieks-Romeinse ethiek werden vier kardinale deugden onderscheiden. Dat waren de individuele deugden verstandigheid, moed en gematigdheid, die culmineerden in de sociale deugd rechtvaardigheid. Deze deugdenleer werd door het christendom overgenomen en uitgebreid met de theologische deugden geloof, hoop en liefde. Dat wil niet zeggen dat de christelijke kerk de Grieks-Romeinse ethiek ongewijzigd overnam. Kinneging maakt een duidelijk onderscheid tussen de klassieke oudheid waarin «eer» centraal stond, en de joods-christelijke traditie waarin «geweten» de hoofdrol speelde. Die twee ethische tradities hebben eeuwenlang naast elkaar bestaan en elkaar ook aangevuld. Deze deugdethiek, waarbij de zeven deugden werden gespiegeld in de zeven hoofdzonden, vormde honderden jaren lang het fundament van de westerse samenleving.

Volgens Kinneging zijn er drie historische breuken aan te wijzen die het ethisch denken op een volstrekt ander – en in zijn ogen funest – spoor hebben gezet. Allereerst was daar de Reformatie, toen «deugd» als centrale ethische categorie werd vervangen door «plicht». De tweede breuk volgde met de Verlichting, toen «plicht» op zijn beurt werd vervangen door «de rechten van de mens». De derde breuk voltrok zich met de Romantiek, die de platoonse notie van een morele orde verwierp en verving door noties als individualiteit, creativiteit en subjectiviteit.

Het belang van die oude ethische tradities, en de nadelen die hun teloorgang met zich meebrengt, worden door Kinneging op uiterst heldere wijze uiteengezet in een groot aantal essays, die zijn onderverdeeld in afdelingen over respectievelijk persoonlijke ethiek, gezinsethiek en publieke ethiek. Hij zet hierin de deur open van een intellectuele schatkamer waarvan velen nauwelijks het bestaan nog vermoeden. Aanvankelijk heb je als lezer nauwelijks door dat het hier om een bundeling van reeds bestaande essays gaat, maar gaandeweg beginnen de nadelen van een dergelijke bundel met artikelen over onderwerpen die zo sterk met elkaar verwant zijn, zich op te dringen. Regelmatig begint een hoofdstuk met een uitvoerige samenvatting van denkbeelden die in het vorige hoofdstuk uitgebreid behandeld zijn, en over het algemeen komen er nogal wat herhalingen in voor. Ook de uitgesproken didactische stijl van Kinneging, die als een goed docent op belangrijke zaken hamert en puntsgewijze opsommingen geeft, wordt op den duur wat monotoon en daardoor vermoeiend.

Bezwaarlijker echter is het feit dat de door hem zo bewonderde klassieke traditie nergens echt ter discussie wordt gesteld. Zo doet hij Karl Poppers kritiek op de totalitaire consequenties van Plato’s staatsopvatting af in een voetnoot en gaat hij niet in op Isaiah Berlins bezwaren tegen het platoonse monisme. In zijn hoofdstuk over het huwelijk uit hij weliswaar terecht kritiek op de Romantische opvattingen over de liefde en de buitensporig grote rol die seks is gaan spelen, maar zijn weergave van de klassieke denkbeelden over het huwelijk en het gezin roept echter wel wat vragen op.

Kinneging stelt dat in de traditionele visie het huwelijk aan drie essentiële normatieve kenmerken moet voldoen: het dient hiërarchisch, permanent en exclusief te zijn. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, zal dit resulteren in harmonie en welzijn van het gezin; wanneer deze voorwaarden ontbreken zullen strijd, conflict en chaos het gevolg zijn. Van al deze kenmerken geeft Kinneging de klassieke argumentatie weer en zodoende schrijft hij dus dat het voor het welzijn van het gezin onvermijdelijk is dat de man de baas is. Hij levert hierbij geen commentaar, zodat de indruk wordt gewekt dat hij dit alles onderschrijft. Nu zullen veel mensen, na de experimenten van de «Seksuele Revolutie», niet zo veel moeite hebben met de noties van permanentie en exclusiviteit, maar wat betreft die hiërarchie ligt dat toch wel wat anders. Er zullen vermoedelijk weinig lezers zijn die precies willen weten hoe het er in huize Kinneging aan toegaat, maar het zou in dit geval prettig zijn geweest als de auteur was ingegaan op de consequenties van die hiërarchiegedachte.

Lezend in dit overigens prettig tegendraadse boek rijst dan ook het vermoeden dat Kinneging ook waar het gaat om het hiërarchische karakter van het huwelijk de klassieke opvattingen onderschrijft en niets wil weten van de emancipatie van de vrouw. De gelijkheid van man en vrouw is immers een idee dat het eerst in de Verlichting is geformuleerd, door François Poulain de la Barre in diens De l’égalité des deux sexes (1673), en als Kinneging ergens een broertje dood aan heeft, dan is het aan de Verlichting.

Anders dan zijn Leidse collega en conservatieve wapenbroeder Paul Cliteur ziet Kinneging de Verlichting niet als fundament van onze beschaving, maar juist als «het begin van de ondergang» daarvan. Tijdens het lezen begon ik me dan ook steeds meer te verbazen over het omslag van dit boek, waarop Vermeers schilderij De geograaf (waar naar alle waarschijnlijkheid Anthonie van Leeuwenhoek model voor heeft gestaan) is afgebeeld. Dit schilderij kan dienen als icoon van de natuurwetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw, waar de Verlichting min of meer een afgeleide van was. Uiteraard pleit Kinneging niet voor een terugkeer naar de natuurwetenschappelijke theo rieën van Aristoteles en Ptole maeus, maar wel acht hij het funest dat de Verlichting de natuurwetenschappelijke paradigmata heeft toegepast op mens en maatschappij. De grote boosdoeners zijn bij hem dan ook Bacon, Descartes en vooral Hobbes.

Het zijn niet in laatste plaats de ideeën historische schetsen van Kinneging die tot tegenspraak noden. Zo is veroordeling van Hobbes als een verderfelijke rechtspositivist zeker voor discussie vatbaar, aangezien er onder de Hobbes-vorsers velen te vinden zijn die in hem in de eerste plaats een natuurrechtdenker zien. Ook het in een voetnoot wegzetten van Oakeshott als hopeloze Verlichtingsdenker is veel te gemakkelijk, terwijl het hoogst opmerkelijk mag heten dat Kinneging in zijn essay over Tocqueville opeens en kritiekloos op de proppen komt met het zeer omstreden begrip Algemeen Menselijk Patroon (AMP), zonder overigens de bedenker ervan, de marxistische historicus Jan Romein, te noemen. Maar verreweg de meeste problemen roept hij over zich af door steeds onbekommerd te spreken over «de» Verlichting. Hoewel hij soms wel een onderscheid maakt tussen de Franse en de Schotse Verlichting – waarbij de laatste iets minder erg is maar uiteindelijk toch wordt verworpen omdat het im mers een variant van «de Verlichting» is – gaat hij nergens in op het tegenwoordig vaak gehanteerde en vooral door het werk van Jonathan Israel bekend geworden onderscheid tussen de «radicale» en «gematigde» Verlichting. Door grotendeels voorbij te gaan aan de recentere literatuur over dit onderwerp is hij in staat de Verlichting vrijwel gelijk te stellen aan het utilitarisme van Jeremy Bentham, wat ongeveer hetzelfde is als «het» christendom verwarren met het bevindelijke calvinisme van de Gereformeerde Bond.

Zoals al gezegd nodigt Kinneging voortdurend uit tot tegenspraak en zet hij de lezer aan het denken, wat kenmerkend is voor een goed boek. Toch begonnen mijn verbazing en tegenstribbelen op den duur om te slaan in irritatie. Waarom? Kinneging is een slim en erudiet man, zijn kritiek op het huidige geestelijke klimaat deel ik in hoge mate, en ondanks zijn schoolmeester achtige schrijftrant is het een heel leesbaar boek.

Terugbladerend ontdekte ik dat reeds op bladzijde 11 de bron van mijn irritatie werd benoemd: «Dit boek is het werk van een bekeerling.» Als scholier was de in 1962 geboren Kinneging socialist, toen hij ging studeren bekeerde hij zich tot het in die jaren van Thatcher en Reagan zeer in zwang zijnde libertarische liberalisme van Friedrich Hayek, Ludwig von Mises en Milton Friedman, dat alle heil verwachtte van de markt. Dit op de Verlichting en Romantiek voortbouwende denken ging ervan uit dat het oude, op de Grieken en Romeinen teruggaande republikeinse denken, waarin de gemeenschap en de staat een belangrijke rol speelden, niet alleen achterhaald maar ook gevaarlijk was. Als promovendus wilde Kinneging dat eens en voor altijd wetenschappelijk aantonen en stortte hij zich dus op het werk van die oude, gesmade schrijvers. Al spoedig ontdekte hij echter dat het antieke denken over mens en maatschappij «verregaand superieur aan het nieuwe denken dat ervoor in de plaats was gekomen». Nog later kwam hij erachter dat ook in het christendom zeer waardevolle elementen scholen. Vanaf de Renaissance en de Reformatie was het met de westerse beschaving alleen maar bergafwaarts gegaan en had zij in 1968 vrijwel de genadeklap gekregen.

Het ergerlijke aan bekeerlingen is meestal dat er bij hen geen sprake is van voortschrijdend inzicht, van het inpassen van nieuwe inzichten en denkbeelden in een bestaande visie, maar dat zij het ene gesloten en onwankelbare wereldbeeld radicaal inruilen voor het andere. Het is toch opmerkelijk dat iemand die zich zo beroept op de traditie, die niet ziet als iets dat levend is, als iets dat groeit. Na Thomas van Aquino houdt het voor Kinneging op, versteent de kennis over de mens tot een onveranderlijk corpus canonieke teksten. Het idee dat ook de Verlichting en de Romantiek deel zijn geworden van de westerse traditie (wat iets anders is dan dat zij synoniem zijn), is hem duidelijk zuwider.

Omdat hij kennelijk niet terug wil naar de tijd van de ganzenveer en de builenpest, accepteert Kinneging de zegeningen van het natuurwetenschappelijke denken dat vanaf de late Middeleeuwen sterk opkwam. De technologische ontwikkeling valt natuurlijk ook niet terug te draaien; wetenschappelijke kennis kan vrijwel niet ongedaan worden gemaakt. Maar geldt dat ook niet voor het denken over mens en maatschappij? Kun je wel kritisch nadenken over de kosmologie van Ptolemaeus en tegelijkertijd klakkeloos de denkbeelden van Plato en Aristoteles accepteren? Was het niet onvermijdelijk dat in de zeventiende eeuw niet alleen de natuurwetenschappelijke opvattingen van de antieken werden onderzocht maar ook kritisch naar de bijbel werd gekeken? En is het niet even logisch dat later ook is gewezen op de blinde vlekken en gevaren van de diverse «Verlichtingen»?

Wat Kinneging schrijft over de betekenis van de deugdethiek is niet alleen interessant maar ook plausibel. Maar zijn die deugden alleen te funderen op basis van Plato’s ideeënleer? Is alles wat door Descartes, Hobbes, Spinoza, Locke en vele anderen na hen geschreven is, gevaarlijke onzin? Het zijn vragen waarover het laatste woord nog niet is gezegd, ook niet door Kinneging.