Theodor W. Adorno - Thomas Mann, Briefwechsel 1943-1955

De dialectiek van het snobisme

Theodor W. Adorno - Thomas Mann Briefwechsel 1943-1955

Fischer Taschenbuch Verlag, 179 blz., € 12,57

Uit de briefwisseling tussen Thomas Mann en Theodor Adorno blijkt hoezeer de latere aartsvader van de Frankfurter Schule genoot van de omgang met de 28 jaar oudere, wereldberoemde romancier. Ze leerden elkaar kennen in het voorjaar van 1943, toen Mann net was begonnen aan Doktor Faustus. In die roman, ook wel gekarakteriseerd als een «geistesgeschichtlichen Archäologie des deutschen Faschismus», sluit de componist Adrian Leverkühn een pact met de duivel. Op muzikaal gebied was Mann naar eigen zeggen blijven steken in de Spätromantik en daarom maakte hij graag gebruik van de uitgebreide informatie en adviezen van de musicoloog Adorno.

Hoewel Mann sommige notities van Adorno vrijwel letterlijk had overgenomen, begon hij zich al spoedig te ergeren aan het feit dat Adorno overal liep te pochen over zijn bijdrage aan Doktor Faustus. Adorno moet nattigheid hebben gevoeld, want toen de roman eindelijk af was, vroeg hij Mann of hij wellicht model had gestaan voor de figuur van de duivel, die zich in het boek ontwikkelt van souteneur en theoloog tot musicoloog. Ook dit zag Mann als een bewijs van Adorno’s hoogmoed, aangezien het in zijn ogen duidelijk moest zijn dat zijn duivel was gemodelleerd naar Gustav Mahler.

Ondanks deze spanningen ademt de briefwisseling de geest van het erudiete en musische Duitse Bildungsbürgertum. Thomas Mann geldt tegenwoordig ongeveer als de icoon van deze culturele elite, en ook Theodor Adorno was afkomstig uit deze kaste. Naar eigen zeggen was de laatste «geheel en al opgegroeid in een door theoretische en kunstzinnige interesses beheerst milieu». Als zovele intellectuelen uit de twintigste eeuw voelde Adorno zich aangetrokken tot het marxisme. Zijn klaarblijkelijke sympathie voor de uitgezogen en geknechte arbeiders moet echter ook deel hebben uitgemaakt van zijn «theoretische interesses», aangezien hij weinig belangstelling voor ze toonde en zijn politieke ideeën immer hoog boven de dreckige feiten bleven zweven.

Dit alles bleek duidelijk nadat Adorno in 1937 was gaan werken voor het door zijn vriend Max Horkheimer geleide Institut für Sozialforschung. Dat was in 1924 opgericht als onafhankelijke marxistische onderzoeksinstelling die zich bezighield met de analyse van politieke en economische vraagstukken. Onder invloed van de in 1931 aangetreden Horkheimer begon het instituut echter zijn aandacht te verleggen naar meer algemene processen van «vervreemding», waarbij het marxisme werd aangelengd met een forse scheut Freud.

Een van de mensen die Horkheimer aantrok was de Nederlander Andries Sternheim. Als zoon van een failliete joodse handelaar was Sternheim op zijn veertiende diamantbewerker geworden. Hij was actief in de vakbeweging en de sdap en had zich ontwikkeld tot een auto didactische intellectueel, en werd hoofd van de bibliotheek en documentatieafdeling van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen. Als man van de empirische gegevens en statistieken kwam Sternheim ironisch genoeg bij het instituut op het moment dat dit de richting insloeg van wat later bekend werd als de Kritische Theorie. Hoewel hij veel werk had verzet voor de in 1936 gepubliceerde Studien über Autorität und Familie had Sternheim forse kritiek op de conclusies van het boek. In tegenstelling tot Horkheimer en Erich Fromm, die in het traditionele gezin een autoritair en onderdrukkend instituut en een voedings bodem voor het fascisme zagen, waardeerde Sternheim het juist als een plek waar de basis werd gelegd voor een democratische levenshouding. Bovendien verzette hij zich tegen de neiging van de andere «Frankfurters» om kapitalistische democratieën op een hoop te gooien met totalitaire regimes.

Na voltooiing van Autorität und Familie kreeg Sternheim opdracht een handboek te schrijven over het fenomeen «vrije tijd». Toen hij zijn onderzoeksopzet moest bespreken met Adorno bleek welke kloof er gaapte tussen Theorie en Praxis. In een ongehoord hufterige brief aan Horkheimer meldde Adorno dat hij onmogelijk kon samenwerken met zo’n stuk onbenul. De synopsis van Sternheim was «het product van de diepste, neurotische domheid» en er viel geen touw aan vast te knopen: «Dat het door ‹redigeren› verbeterd zou kunnen worden acht ik uitgesloten; men zou de hele man opnieuw moeten redigeren. Als het slechts om de kwaliteit van Sternheim ging, zou ik werkelijk voor onmiddellijke liquidatie kiezen, zonder dat ik daarbij de verdenking van Russisch anti-intellectualisme op me zou laden.»

Het enige inhoudelijke bezwaar dat Adorno tegen Sternheim aanvoerde, was dat deze het totalitaire karakter van het Derde Rijk overdreef, dat hij de nationaal-socialistische ideologie veel te serieus nam. Gecombineerd met zijn enorme onderschatting van het antisemitisme maakten deze politieke inzichten Adorno na de oorlog blijkbaar bijzonder geschikt om te poseren als antifascistische intellectueel par excellence. Noem het de dialectiek van het snobisme.

Sternheims biograaf Bertus Mulder heeft aangetoond dat die blinde vlek voor het anti semitisme, waar ook Horkheimer last van had, Sternheim uiteindelijk fataal zou worden. Nadat de vestiging van het instituut in Genève was opgeheven, mochten Sternheim, Walter Benjamin en de twee andere joodse medewerkers niet mee naar de nieuwe hoofdvestiging in New York. Sternheim werd ontslagen als hoofd van de Geneefse vestiging en keerde terug naar Amsterdam. Samen met zijn gezin werd hij in maart 1944 in Auschwitz vermoord. In dezelfde tijd glorieerde Adorno in Californië als muzikale buikspreker van Thomas Mann.