De dichter als ontoloog

In het titelgedicht van de eerste dichtbundel van Kees ‘t Hart gebeurt ogenschijnlijk niet veel bijzonders. Er zitten kinderen - kinderen die leren lezen - in lokalen 'uit te rusten van/ onrustige verhalen’, zo leest men; ‘er hangt een stilte/ zoals tussen auto’s/ op parkeerterreinen/ en tussen bomen’. Alles is kalm. Ook in wat volgt gebeurt er niets anders dan wat er gebeurt wanneer kinderen leren lezen: er is een juf met een wit vel papier, er worden letters nageschilderd en aan de wanden van de klas te drogen gehangen; ‘in de winter steekt/ juf de kaarsen aan/ en kinderen die leren lezen/ mogen zingen// en ze beschilderen papier/ met de lievelingskleuren/ van hun lievelingsdier// kinderen die leren lezen/ denken aan de slaap/ van de komende nacht’. Er is niets aan de hand. Zo gaat het.

Toch is ‘Kinderen die leren lezen’ een gedicht dat bij mij alle alarmbellen tegelijk doet afgaan - en wie niet, zoals ik, de inmiddels vijf prozaboeken die ’t Hart sinds 1988 publiceerde heeft gelezen, moet, aangeland bij dit laatste gedicht uit deze bundel, inmiddels ook weten dat hier, zoals altijd, de schijn bedriegt. Achter het zo vredige tafereeltje schuilt het drama dat de poëzie en ook het proza van ’t Hart volledig beheerst. Je zou dat het drama van de initiatie kunnen noemen, van de intrede in de wereld, de wereld van de betekenissen, van betekenissen die de wereld haar vorm geven, en die daarmee dus tevens de mens, het individu, definiëren als dat wat hij is of voortaan moet zijn. Kinderen die leren lezen worden van zichzelf beroofd, zo zou ik nu bijna willen zeggen, maar dat klinkt wat al te dramatisch, dramatischer in ieder geval dan ’t Hart het ooit zelf zou formuleren. Bovendien is het veel te eenzijdig geformuleerd. Het werk van ’t Hart speelt zich nu juist af op de grens van deelname aan en verzet tegen de op een bepaalde manier vormgegeven werkelijkheid. Het gaat hem om precies die half-bewuste, enigszins droomachtige verstrooidheid van het kind dat leergierig de letters naschildert om zo toegang tot de wereld van de betekenissen te krijgen, maar dat daarmee die toegang nog niet verkregen heeft. Het gaat hem om het moment waarop 'de’ wereld (alle betekenissen die tezamen onze werkelijkheid vormen) begint, maar nog net niet begonnen is, dus nog niet be-tekend is, nog open ligt. Je kunt ook zeggen: nog is wat zij is voordat wij mensen haar met onze betekenissen inperken. Of moet je zeggen: vervalsen…? 'Ik ben een ontoloog’, lees je ergens in het gedicht 'De weg naar Camden’, het lange openingsgedicht van de bundel waarin ’t Hart samen met zijn broer afreist naar het sterfhuis van Walt Whitman, naar Mickle Street in Camden, Philadelphia. Natuurlijk. Whitman. Dichter van het magistrale gedicht 'Salut au monde’ en van de in het gedicht herhaaldelijk geciteerde en gevariëerde regels: 'There was a child went forth every day,/ And the first object he look’d upon, that object he became’ - regels die bijvoorbeeld het in een ander gedicht uit de bundel aangehaalde 'Marc groet ’s morgens de dingen’ van Paul van Ostaijen in de herinnering roepen (Van Ostaijen die zelf in zijn werk aan 'Vader Whitman’ refereerde) en ook diens 'ik wil bloot zijn en beginnen’. Regels ook die herinneren aan een notitie die Cesare Pavese ooit in zijn dagboek maakte: dat het ergste wat een kunstenaar kon overkomen, het gevoel was niet meer aan het begin te staan (en Pavese schreef ooit een proefschrift over Whitman). De dichter als ontoloog, als degene die de dingen tot aanzijn ziet komen, maar dan niet als wat ze in de loop van de geschiedenis zijn gaan betekenen, maar als dat wat ze daadwerkelijk zijn. Dat wil zeggen: niet zoals ze gedacht worden (en moeten worden, als men deel wil uitmaken van de wereld, en ook dat moet), maar zoals ze ervaren worden: 'met adamsappel teen en genitaal’, zoals het heet in het gedicht 'Groet aan Leeuwarden’, 'zoals een kind aan tafel schuift/ en kijkt naar glas/ en tafelkleed// en dan de stad in gaat/ met ogen oren en een mond// en veegt en veegt/ het stof van zijn gelaat’. Je zou in dit alles heel goed een verlangen naar zuiverheid kunnen ontdekken, het verlangen een onbeschreven blad te zijn, zoals dat vaak van de zogeheten 'witte’ of 'hermetische’ poëzie is gezegd. Maar zuiverheid is een begrip dat niet bij deze poëzie past omdat het in de loop van de geschiedenis een betekenis heeft gekregen waaruit alles is weggefilterd waar het ’t Hart nu juist om te doen is. Het woord roept God uit de wolken, de zuivere geest, de 'reine’ afwezigheid, en het staat zo tegenover het blijkbaar 'onzuivere’ lichaam, het stoffelijke. Het gaat in deze poëzie hartstochtelijk om aanwezigheid, om wat dan van lieverlede ook maar onzuiver wordt genoemd ('Ik ben onzuiver als een zware steen/ die langs de weg ligt in de zon’). Maar dat die tegenstelling niet weergeeft waar het om gaat, dat de hele tegenstelling (en alle andere in de taal verankerde tegenstellingen) zelf in feite 'vals’ is, blijkt bijvoorbeeld uit hetgeen ’t Hart in het openingsgedicht over de poëzie van Whitman zegt: 'het beste werk van Whitman is groet/ en afweer van het groeten tegelijk’, zo staat er, als betrof het een wetenschappelijke verhandeling (en ’t Harts poëzie, maar ook zijn proza, heeft altijd iets van een onderzoeks- of stageverslag, een scriptie, alsof het leven een studieprogramma is), 'de poëzie van ruimtelijk verlangen/ ik ben present in mijn afwezigheid’. 'In presentie niet present te hoeven zijn’ - dát is wat de kinderen die leren lezen nog gegeven is, de onhoudbare idylle waarin het mogelijk lijkt op de drempel te blijven staan, waarin wat waargenomen wordt zich nog net niet tot betekenis heeft verdicht, nog niets is dan het verbazingwekkende zichzelf-zijn van alle dingen, waarin de dichter nog zijn eigen zoon is, 'een jongen nog met oren, ogen/ van een man en met een mond/ waarin een stem te drogen hangt’, zoals het heet in het ontroerende gedicht 'De winkelstraat’ waarin een vader en een zoon onderweg zijn naar een snackbar. In Kinderen die leren lezen hangt een stem te drogen. De dichter 'ziet de wereld als een optelsom/ een stapeling van dingen langs/ de straat een rommelmarkt waarin/ het netvlies onbedoelde lijnen trekt// en wat er is dat zie je niet/ (…) dat is voorgoed verborgen’. Dat ligt 'tussen stof en wat geschreven is’, tussen wereld en woord, tussen de dingen en de betekenissen. Daar heeft de dichter zijn gezicht, dat wat hij zelf niet zien kan, maar is.