Jonge poëten

De dichter als ruimtereiziger

In het werk van enkele jonge dichters wordt het heelal verkend. Het wachten is op de eerste dichter-astronaut. Maar de hemel biedt meer dan alleen sterren.

ALLE ZEGEN KOMT, voor de poëzie, tegenwoordig van boven. Sinds de laatste generatie dichters van de vorige eeuw zichzelf verzamelde in de bundel Sprong naar de sterren staat het Hogere weer volop in de belangstelling van de dichtkunst.


Zoals het voorwoord bij die bloemlezing meldde, bij monde van Ruben van Gogh, keren er in hun poëzie enkele achtergronden regelmatig terug: ‘Een aan sciencefiction ontleende kosmos enerzijds, en een duister postindustrieel stadslandschap anderzijds.’ En zoals Olaf Zwetsloot in een artikel schreef: ‘Veel van de poëten die in Ruben van Goghs bloemlezing Sprong naar de sterren zijn vertegenwoordigd voelen zich, zo blijkt, meer dan andere generaties aangetrokken tot het mysterieuze universum. Is er sprake van een sciencefiction-beweging in de poëzie, de opkomst van kosmo-poëzie?’


De dichter richt derhalve de blik omhoog, vol verwachting, vol enthousiasme, vol hoop. Nieuwe wegen zijn te ontginnen. Een nieuwe ruimte, een nieuw geluid. Kometen, sterrenstelsels, satellieten, hemellichamen: het heelal is de nieuwe inspiratie.


Op de Nationale Gedichtendag was er in de televisie-uitzending ruim aandacht voor de jongste generatie dichters. Hagar Peeters zat in een panel — en zal binnenkort via Viva, Libelle en Elle Neerlands Beroemdste Dichteres worden. Er waren clipjes van jongelingen als Tommy Wieringa en de Dichters uit Epibreren, al jarenlang de trots van Groningen. Frontman Bart FM Droog imiteerde feilloos een kettingzaag met alleen zijn stembanden. Het merg-en-been-geluid uit zijn keel bleek zonder ondertiteling nauwelijks direct in verband te brengen met de Nederlandse taal, maar het was wel degelijk poëzie. Zijn eigen poëzie, dat wel.


De Dichters uit Epibreren zien we sinds die heuglijke dag dus als horende bij de ‘jongste generatie dichters’, ofwel de modernsten. Zij, Bart FM Droog, Jan Klug en Tjitse Hofman, stonden ook in Sprong naar de sterren. En ze keken omhoog: ‘De onheilsprofeten ter klif getrokken/ verwelkomen in veertigvoud/ de komeet waarachter ze schip bevroeden/ ze slaan de hand aan zichzelf// in de zonnetempel/ in afgelegen berggebied/ brandt uit lijken geloof/ naar sterren te stijgen// drie raketten/ voederen het station/ kosmonauten hebben pot verteerd// in mijn sloppenwijk/ kijk ik satelliet-tv/ naar buiten, zie de staartster/ krachtiger dan zonnen stralen// slechts de maan, dat hemellichaam/ waarop eens astronauten sprongen/ draait onbevolkt en onbewolkt// vul het glas bij, proost/ de reizigers toe/ wolven huilen schotels.’ (Uit ‘HALE-BOPP 2’.)


Tjitse Hofman toont in zijn bundel TV2000 ook de vermaarde hang naar het hogere, onderstrepend wat Zwetsloot noteerde: ‘Het is dus niet verwonderlijk dat ook dichters hun geestesoog wenden naar dat Nieuwe Wilde Westen, waar het goud voor het oprapen ligt en waar zij, gewapend met de nieuwste metaforen die de technologie hun te bieden heeft, hun creativiteit de vrije loop kunnen laten.’


Bij Hofman staat er bijvoorbeeld: ‘Ik weet dat het/ niet waar is/ ik weet dat het/ niet waar is/ buiten graait/ de zon naar de wolken/ maar ze willen niet/ opzij en daarom/ is het donker/ in het donker heerst/ herrie ik kan niet/ tegen herrie dan/ gaan de sterren/ vallen daar houd/ ik niet van’. (Uit ‘Para’.)


In het titelgedicht is de moderne technologie niet per se gekoppeld aan de ruimte, maar vooral aan het idee van dynamiek, beweging, verplaatsing, ‘morfen’: ‘Elektroniek/ ik loop op elektriek/ à la teletransformatie/ glasvezelvervoer en/ satellietcommunicatie// (…) // Ik naai de wereld/ met mijn kabels/ smelt aaneen en divergeer/ ioniseer en transporteer/ alles naar mijn waarheid/ privatiseer de saaiheid/ en alles is in orde/ naar het schijnt.’


Een andere relatief jonge dichter lanceert zichzelf nog verder de ruimte in. Peter Holvoet-Hanssens — overigens sprankelende — bundel Strombolicchio spat bijna uit zijn ruggetje door alle supernova’s en sterre-explosies. De eerste regels: ‘Salamanders lezen de krant in het kabinet van Persephone/ KLEMSCHROEF VAN DE DAG DOET BUIGEN OF BREKEN/ luisteren naar de fuga der kabbala vol maan en zon/ van laag naar hoog naar de zilveren ster van Isis/ voor de grootmeesters der schijtlaarzen/ Thanatos, Athanatos, Tetragrammaton/ het universum als een spiraaltje in het rectum van de dwaas// (…)’.


De poëzie van Holvoet-Hanssen verschilt aangenaam van die van de Epibreren-jongens. Hier wordt nagedacht, niet alleen woord op woord, beeld op beeld gestapeld zonder een ‘diepere’, voor de lezer te volgen en bloot te leggen gedachte. Het is poëzie als een vuurpijl, exploderend, kleurig en hallucinant — en het knettert lekker.



WIE AL JARENLANG het scherpgesneden hoofd omhoog richt om de Muze te ontvangen, is Pieter Boskma. Kometen en satellieten? Die had hij al toen hij nog maar Maximaal was. Als een van de eersten gaf hij de postmoderne consumptiechaos een plek in de poëzie. Alles zapte, alles blonk en flikkerde in zijn gedichten, die op het tempo van de inmiddels tot cliché verworden housedreun leken te zijn geschreven.


Maar tussen de moderne hectiek door klonk altijd een andere stem, die van een ander Hogere. Het metafysische. Het goddelijke, wellicht. Boskma had in zijn poëzie altijd een zwak voor de Maagd Maria en haar verwanten. Maar vooral de Maagd zelf. En bij hem was het geen pose, ook al leken de gedichten bij tijd en wijle iets kokets te hebben. In Boskma klopte een katholiek hart. En het klopte gepassioneerd.


Zijn nieuwe bundel keert opnieuw de blik naar boven. Het zingende doek & De geheime gedichten tovert de lezer een hemel voor ogen die als een schilderij taferelen van schoonheid laat zien: ‘Die dag was de hemel een doek/ vol wolkenschildering/ en zonnelichtgezing/ (…)’.


Als een hallucinerende pater op rollerskates zeilt Boskma door een schilderijententoonstelling. Enkele eeuwen kunstgeschiedenis zijn de bron voor gedichten die telkens variëren op zo’n zinsbouw: ‘Onweer, massief als een Jacob van Ruisdael/ (…)’ of: ‘Uit het schemervertrek van Pieter de Hooch/ (…)’ en die ook eindigen met een verwijzing naar een fameus schilder of schilderij. Het is de hemel die al dat schoons biedt, de hemel en wat daar allemaal voor leven is. Voor Boskma is in deze bundel de dood ‘onvolledig’ — want hoe kan de dood volledig zijn als er nog kinderen spelen, dichters zingen en Meisjes ronddansen in spetterend zonlicht? De dood is niets, want het leven is veel sterker.


De euforie die de dichter bij vlagen ervaart, wordt meer dan eens aangewakkerd door het Meisje. Ze doemt op in verscheidene gedaantes: zo is zij Vrouw van alle Volkeren, of een efemere prinses in een halve droom. Of ze loopt gewoon in het park. Het gedicht ‘Hechting’, ongeveer midden in de bundel, beschrijft een (volgende) ontmoeting met haar, de Hogere vorm van vrouw: ‘Vandaag heb ik opnieuw het Meisje/ in het park gezien. Door rode luchten/ trok opeens een paarse vliegmachine./ Op vijverwater dreef de Openbaring/ van Johannes en het schaamhaar/ van een roofdier krulde rond de gouden/ takken van een zilverberk. Het was echt/ een dag voor het Meisje in het park.// (…)’


Dit moet een teken van het Hogere zijn. Alsof God zelf ingrijpt: ‘Toen verrees in kalm blauw/ de deinende melkbleke borst/ van de maan, was het alsof/ uit alle dingen een vitale/ hechting sprong en alles/ eerder beter dieper eender/ onvolmaakt voltooid en ik/ — o God o God o God.’


In bijna ieder gedicht zingt Boskma de lof van al het bestaande, de schoonheid van het aardse. Het is, opnieuw, net als in vorige bundels, een onstuitbare Bejahung van het volle leven — en in dat leven heeft nota bene God zelf een plaats. Want: ‘Alle dingen wekken leven,/ wat leeft, blijft eender/ als een ding. Dramatisch/ en diepzinnig zingt// de hele hele wereld van/ het wezen van het licht.// De juwelen regenen. God is opgestaan// (…)’


Alleen degene die het diepste lijden kent, is in staat een dergelijke verrukking te ervaren. Deze dichter heeft de wormgaten van het heelal verkend en is achter de sterren terechtgekomen. Daar waar God woont. En zijn moeder ook. In al haar gedaantes.



Pieter Boskma, Het zingende doek & De geheime gedichten. Uitg. Prometheus, 72 blz., ƒ29,90; Tjitse Hofman, TV2000. Uitg. Passage, 36 blz., ƒ25,-; Sprong naar de sterren. De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw. Uitg. Kwadraat, 92 blz., ƒ29,90; Peter Holvoet-Hanssen, Strombolicchio. Uitg. Bert Bakker, 68 blz., ƒ27,90.