Lang leve de Dood!

De dichter Gerard Reve

Medium groenereve5

Vanmorgen was het grijs. Ik zette thee en probeerde dat zonder al te veel omhaal te doen. Mensen zetten nu eenmaal thee. Ze strikken hun veters, kammen de haren en begroeten een bekende. Toch bekruipt me juist bij de handelingen die dagelijks uitgevoerd moeten worden het idee dat ik het niet helemaal goed doe. Niet vanzelfsprekend genoeg. Dat ik mensen nadoe die thee zetten, in plaats van het gewoon te doen.

Toch zet ik goede thee.

Gerard Reve schrijft gedichten zoals ik thee zet. Hij zoekt voortdurend een houding in het leven dat hij beschrijft, terwijl hij verlangt naar een vanzelfsprekend, soepel bestaan. Hij doet zijn best, voor zijn moeder, voor een god of voor een liefde, maar het wil nooit helemaal lukken. Hij zoekt een pose, vindt een briljante houding en blijft ondertussen zichzelf, wanhopig als altijd. Tussen de pose en de authenticiteit wringt het dat het een lieve lust is.

Het is grijs in de gedichten van Gerard Reve, met regen. De dood staat steevast op de loer en als dat niet zo is roept de dichter om zijn dode moeder of een god van wie hij het bestaan betwijfelt. Dat de lezer die het zelf ook allemaal niet meer ziet zitten iets als troost uit deze gedichten kan putten, mag een wonder heten. De grote humor van de dichter biedt een vitaliteit waarmee de ergste wanhoop draaglijk wordt gemaakt.

De wanhoop van Reve is echt. Er wordt niets geveinsd van de angst om oud te worden, dood te gaan, vergeten te worden. Het is meer dan angst, een besef dat het leven tot niets leidt en wat Reve schrijft in zijn gedichten kan gelezen worden als een poging hiermee om te leren gaan. Drank, lust en liefde bieden tijdelijke verzachting van het leed dat leven heet, maar vormen ook de weg naar de ondergang.

Het leven stelt niets voor, het heeft nooit iets voorgesteld, en de kans dat dat ooit zal veranderen is niet aanwezig. In de gedichten die Reve schreef als zeventienjarige is het decor voor de zinloze herhaling van elke dag een school. In het gedicht «De melancholieke scholier» uit 1940 wordt in de eerste strofe beschreven hoe scholieren als soldaten in het gelid elke dag opnieuw naar school marcheren. Wat ze daar aantreffen is doods, met hooguit een enkele keer een onverwacht moment:

Zo wentelen de uren van de dagen

waarin een mensenkind verkwijnt,

kijk! Een mus daalt op de tuimelramen

maar hoort de leraar brallen en verdwijnt.

Ik voel mij hopeloos verlaten,

en in de schemerige straten

schommelt de sneeuw omlaag.

In het schommelen openbaart zich de dichter. In de tweede strofe begint de ontsnapping uit de verveling in de vorm van beweging zich te tonen. De uren wentelen in een zich herhalende beweging. Een mus daalt op een raam dat zou kunnen gaan tuimelen, maar de leraar verjaagt het dier, en houdt de orde en regelmaat in de klas in bedwang. Het enige dat na het verlaten van het klaslokaal nog beweegt is de sneeuw, die niet valt maar schommelt; een traag zwiepende beweging maakt en alles is treurig als altijd. Toch zit er in dat schommelen van de sneeuw een verlangen naar ontsnapping, je hoort er het tuimelraam in terug en kijk! Maar de sneeuw schommelt onvermijdelijk omlaag.

Als ontsnapping aan het grijze leven gaat de dichter naar de bioscoop. Maar daar gaat het licht uit. De dichter vindt geen troost in de fictieve wereld die hem vervolgens wordt aangeboden, maar wordt zich juist pijnlijk bewust van de schijnwereld.

Ik zie de spelers zich bewegen

zonder een enkel accident,

hun levenslust en hun gemak van spreken

verbitteren mij pertinent.

Zij zoenen onbeschroomd en lang,

hun weergaloze liefde maakt me bang

en daarna word ik boos

Het licht flitst aan en zwijgend ga ik heen

en buiten is het licht en koud en ’k meen

dat iedereen hard om me lacht.

Wanneer Reve het gedrag van de acteurs beschrijft, geeft hij ook een vlijmscherp beeld van de mensen die hem in het dagelijks leven omringen. Ook zij doen alsof niets hen deert, dat het goed met ze gaat, en lijken zonder enige aarzeling te kunnen leven. De liefde die de dichter zelf ontbeert, maakt hem bang – hij weet niet of hij die zelf ooit zal vinden – en maakt hem uiteindelijk boos. Niet woedend, of razend, maar boos. Zoals hij niet panisch wordt van het zien van andermans liefde maar bang. Hieruit blijkt dat ook de dichter een houding zoekt. Hij past zich aan aan zijn omgeving door paniek- en woedeaanvallen binnen de perken te houden.

Tegen de tijd dat de dichter de bioscoop verlaat, hebben de rollen zich omgedraaid: de dichter is een acteur geworden die op straat door iedereen wordt bekeken. In zijn angst vormen de acteurs, de mensen op straat, een laatdunkend publiek.

Maar de dichter weet zich ook geliefd. In het gedicht «Openbaring» is hij zelfs Gods uitverkorene: Is er nog nieuws? Jawel./ Goed nieuws, zeer goed zelfs. Spreek maar gerust/ van blijde tijding: God trok Zich af terwijl Hij dacht aan mij.

De gedichten in _Verzamelde gedichten (_G.A. van Oorschot,1987) zijn in schokken gemaakt. Het eerst deel heet «Jeugdpoëzie» en is gemaakt van 1939 tot 1941. Het tweede deel «Zangen van strijd» vormt het meest omvangrijke deel en is gemaakt tussen 1962 en 1978. Daarna is het alsof de dichter van iemand door moest gaan en daar nog negen maal gehoor aan gaf, waarvan het resultaat is gebundeld in het laatste deel «Aandachtige liederen» (1977-1982).

Vanaf het tweede deel is de dood een vanzelfsprekende aanwezigheid in de gedichten van Gerard Reve. Hij stelt in «Eind goed, al goed»: Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp, en maant de lezer in «Afscheid» hem vast te vergeten: Doe mij maar weg/ uit uw herinnering. In het laatste gedicht «Getuigenis» uit 1983 neemt de dichter afstand van de mensen die iets van hem verlangen en de mensen die hem omringen. Hij kiest een heldhaftige pose om de dood tegemoet te treden. Eenmaal in de houding, wappert hij met de vlag van het volk op slinkse wijze de mensen die hem aan de kop zeuren een zeker einde toe.

Wat wil het volk?

Niet veel goeds, dat is zeker.

Dus ga ik de straat op met mijn eigen vaandel

waarop geschreven staat:

Vrijheid! Ziekte! Ouderdom!

Lang leve de Dood!

maria barnas