De dichter is een profeet die doorgeeft wat hij opvangt

de wachttoren

dit leidt tot niets onze voeten overwoekerd door ruige grassen

we lopen de trappen op

hier in dit heuvelhuis ontvangen we elke avond onze

zomergasten we wachten

naakt op het balkon ons geslacht droog en opengesperd

als de bek van een vogel

de weg is traag en warm over de duinenkoppen gepokt

door vuil en uitwerpselen

dit leidt tot niets dat geef ik je in drieën geliefde het regent

getijden in dit schipgat

in de verte koken de vissen in het donkere water we spreiden

onze vleugels klaar

om je te ontrafelen onder deze heldere hemel het is onmogelijk

om het vuur

te beantwoorden maar kom en leg je in mijn lege kamers

met zicht op de mensenzee

Uit: Michaël Vandebril, Het vertrek van Maeterlinck

Gedichten worden door dichters gemaakt en om erachter te komen wat de dichter zegt moet je weten wie hij is. Ziedaar een wijdverbreid misverstand, dat met name sinds de Romantiek ingang heeft gevonden en in de afgelopen decennia heeft geleid tot een waanzinnig circus van interviews, optredens voor zalen vol bewonderaars, memoires en biografieën. In werkelijkheid is het omgekeerd: dichters worden door gedichten gemaakt, en waar gedichten vandaan komen is onbekend. In culturen waar poëzie oraal aan de man wordt gebracht is men zich over het algemeen meer bewust van de autonomie van het gedicht, dat geen geniale schepper nodig heeft om van waarde te zijn. Literatuur is een collectief bezit waaraan de gemeenschap generatie op generatie bijdraagt. Ook middeleeuwse schrijvers voelden zich vrij om gevonden teksten in te korten, uit te breiden of totaal te vervormen, vaak zonder dat ze de behoefte hadden er ook hun naam aan te verbinden. Zie Wikipedia.

In de twintigste eeuw, die de triomf van de readymade vierde, is het incorporeren van oneigen materiaal in poëzie heel gebruikelijk geworden. De canto’s van Ezra Pound bestaan voor een belangrijk deel uit citaten, Paul Claes is een meester van de pastiche en Jeroen Mettes bouwde een epos op uit opgevangen flarden. Niets nieuws. In de vierde eeuw schreef ­Ausonius een pornografisch bruiloftsgedicht dat geheel was samengesteld uit regels van ­Vergilius. Originaliteit bestaat niet of is een vorm van assemblage.

Michaël Vandebril (1972), actief als organisa­tor van literaire manifestaties in Antwerpen, schreef een bundel die niet van hem is en die hem een terechte nominatie voor de C. ­Buddingh’-prijs opleverde. Het vertrek van Maeterlinck bestaat uit 33 gedichten in het Nederlands, maar als je het boekje omdraait kun je dezelfde serie in het Frans lezen, vertaald door Pierre Gallisaires en Jan H. Mysjkin. Daar komt bij dat vijf gedichten slechts voor de helft door Vandebril zijn geschreven: hij liet ze afmaken door evenzoveel Franstalige dichters. Bovendien maken de aantekeningen duidelijk dat veel gedichten zijn voortgekomen uit confrontaties met literaire werken van anderen, zoals John Keats, Rainer Maria Rilke en Ezra Pound, terwijl ook films, twintigste-eeuwse geschiedenis en beeldende kunst een rol spelen. Deze poëzie is een ontmoetingsplaats, en zeker niet de allerindividueelste expressie van de allerindivi­dueelste emotie, om de ondoordachte poëtica van Willem Kloos nog maar eens aan te halen.

Vandebril beseft dat hij als dichter een profeet is die doorgeeft wat hij opvangt. De bundel kreeg als motto een dialoogje mee uit Le testament d’Orphée (1960), het sluitstuk van de intrigerende filmtrilogie waaraan Jean Cocteau al in 1930 was begonnen. Orpheus is een dichter die in de onderwereld moet afdalen om zijn stem te vinden. De auteur moet sterven, zoals Roland Barthes zei, om de lezer in de gelegenheid te stellen het gedicht tot leven te wekken.

Opmerkelijk genoeg is Vandebrils poëzie juist bijzonder persoonlijk. De gedichten bestaan, op enkele fragmenten en een lege bladzijde na, uit vier strofen van vier regels. De teksten lijken vaak zomaar ergens te beginnen en zouden aan het einde ook verder kunnen stromen. Hoofdletters en leestekens ontbreken. De rudimentaire scènes spelen aan zee, in landschappen met duinen of heuvels, in oude steden, en de personages lijken in hun omgeving op te gaan of, zoals Orpheus, in de aarde te verdwijnen: ‘mijn benen// zijn door mos en planten aan­getast ik schiet als een paddenstoel/ uit de natte grond’. En elders:

_ we schuifelen slaperig_

onze voeten de donkere aarde in ik neem langzaam je tong

_ uit je mond die ik draag_

De sfeer is dromerig, de sprekende stem is onderdeel geworden van zijn omgeving, net zoals de gedichten ingebed zijn in het grote geheel van de literatuur.

Waar gaan deze visioenen over? Er wordt, zoals uit de titel al valt op te maken, gezocht naar iets wat verdwenen is. In het eerste gedicht ‘trekt de afdruk van mijn afwezigheid diepe voren/ in het zanderige bed’, waarbij zowel te denken valt aan een drooggevallen rivierbedding als aan een verlaten liefdesnest. Handen tasten ‘naar verdwenen boeken als naar begraafplaatsen/ van oude vertrouwde// vrienden’. Het spreken is een odyssee die zelfverlies impliceert. Je moet, zegt de dichter (en het doet er niet toe dat deze regels toevallig van Jan Mysjkin zijn), ‘zeil houden naar de toekomstige steden de donkerblauwe diepte/ van een schipbreuk’.

Vanzelfsprekend is erotisch verlangen een geijkte verschijningsvorm van deze zoektocht naar het onbestemde: ‘er is geen weg meer terug nu je lichaam zich voor me opent/ zoals de zwarte aarde’. Opvallend is de frequentie waarmee tongen opduiken, als orgaan dat onmisbaar is bij spreken, eten en liefhebben. Het is de tong die poogt ten minste tijdelijk contact met de wereld te maken: ‘tongen plooien zich over de ronde keien en zuigen zich vast/ als schelp­dieren’. In het Frans is de tong overigens de vis van die naam (‘soles’). In een ander gedicht ‘lig ik// roerloos aan de oevers van volken natiën en tongen als een naakte/ gerimpelde vis’. Hier is de tong tevens een taal (‘langues’).

We zitten aan een gedekte tafel, aldus een van de stemmen, en ‘het lied dat we zingen is/ nodig en nietszeggend’. De betekenis van de woorden is blijkbaar iets bijkomstigs, het staat de lezer vrij erin rond te dwalen en het gehoorde naar believen in te lijven. Maar het gaat er in de eerste plaats om het lied door te geven, want als dat wegsterft, is het met ons gedaan.


Michaël Vandebril, Het vertrek van Maeterlinck/L’exil de Maeterlinck. De Bezige Bij. Antwerpen, 80 blz., € 19,95