De dichter kijkt ons aan

Nachoem M. Wijnberg is uitgegroeid tot de belangrijkste stem van zijn generatie. Wie enige tijd in Als ik als eerste aankom heeft doorgebracht, is een ander mens geworden.

Hoe verhoudt zich het zijn tot het worden? Die vraag heeft filosofen beziggehouden sinds Heraclitus het primaat van de beweging verkondigde en Parmenides langs deductieve weg bewees dat het zijnde nooit enige verandering kon ondergaan. Plato verbond beide zienswijzen met elkaar door aan te nemen dat er twee werelden bestaan. Enerzijds is er het statische domein van de abstracte begrippen, ook wel Ideeën of Vormen geheten, die eeuwig en onveranderlijk zijn. Daarnaast, of liever: daaronder bevindt zich het domein van het worden, waar niets bestendig is, en dat is de wereld die wij bewonen. Plato stelt onomwonden dat het worden inferieur is. Het zijn wordt door hem daarentegen voorgesteld als de ultieme schoonheid. Edle Einfalt und stille Größe, zo kenschetst Winckelmann ook de kunst van de Grieken. Alleen wat absoluut bewegingloos en onvergankelijk is, maakt aanspraak op het predikaat ‘zijn’, en dat is het enige wat er werkelijk toe doet.
Sinds een eeuw of twee is Heraclitus echter aan de winnende hand. Romantici en modernisten, psychoanalytici en natuurkundigen hebben laten zien dat stilstand onbestaanbaar is. We denken niet meer in toestanden, maar in krachten, in energie. Wat niet verandert, wat zich niet vernieuwt, is verdacht. Dat geldt ook voor het ervaren en waarderen van culturele verschijnselen. De belangrijkste kunstvorm van de twintigste eeuw is de film. Niets staat vast. Heraclitus’ befaamde uitspraak 'alles stroomt’ vindt zijn equivalent in anything goes, met de nadruk op het laatste woord. We leven in een tijd van gaan, het zijn lijkt definitief passé.
Het zou onzin zijn te beweren dat Nachoem M. Wijnberg (1961) een postmodernist is, want hij twijfelt niet aan de waarde van taal en logica, gaat ervan uit dat deze wereld de echte is en houdt zich verre van modieuze debatten over ideologische kwesties. In zekere zin is Wijnbergs wereld eenvoudig: de dingen zijn wat ze zijn. Daarom mijdt hij vanaf zijn eerste bundel metaforen. Hij kijkt om zich heen, noteert wat hij ziet en tracht op bijna wetenschappelijke wijze de structuur ervan te achterhalen. Toch is Wijnbergs poëzie onnavolgbaar intrigerend en vertegenwoordigt ze een belangrijk aspect van dit tijdsgewricht: het gaan en komen, het stromen en worden.
Wijnberg is - naast zijn hoogleraarschap aan de Universiteit van Amsterdam - een uitzonderlijk productief dichter en schrijver. Werden de eerste bundels nogal zuinig ontvangen en de romans als gestoorde experimenten weggezet, sinds enkele jaren oogst Wijnbergs poëzie brede waardering, die onder meer tot uitdrukking is gekomen in een aantal prestigieuze literaire prijzen. Niettegenstaande zijn volstrekte eigenzinnigheid is Wijnberg uitgegroeid tot de belangrijkste stem van zijn generatie, omdat hij raadsels onder woorden brengt die blijkbaar de kern van de tijdgeest raken. Het is een opmerkelijk verschijnsel dat het vaak de meest verstokte eenlingen zijn die, om met Pound te spreken, the tale of the tribe vertellen. Men hoeft slechts de allerindividueelste poëzie van Lucebert, H.H. ter Balkt, Hans Faverey en Kees Ouwens te lezen om iets te begrijpen van het cultureel klimaat in het Nederland van de tweede helft van de twintigste eeuw. Als ik mij niet vergis, vervult Wijnberg die rol voor deze tijd.
Het omslag van Wijnbergs nieuwe boek toont - heel ongebruikelijk voor poëziebundels - een portret van de dichter, die ons ongenaakbaar aankijkt. De foto refereert aan het alomtegenwoordige debat over individualiteit, authenticiteit en privacy, typerend voor een cultuur waarin iedereen zich onbekommerd blootgeeft in social media, waarin men zich vergaapt aan opzichtig in scène gezette reality tv en Connie Palmen haar wel en wee deelt met iedereen die daarvoor wil betalen. Gaat ook Wijnbergs bundel over de belevenissen van de dichter? Of wijst zijn blik ons juist af, alsof hij in een deuropening staat en lichtelijk verstoord vraagt wat we eigenlijk komen doen? In elk geval zet hij de lezer al aan het denken voordat deze het boek zelfs maar heeft opengeslagen.
De titel is veelzeggend. Als ik als eerste aankom is een voorwaardelijke bijzin, maar wat er gaat gebeuren zodra de voorwaarde is vervuld, wordt niet opgehelderd. Het gaat om de hypothese, niet om de oplossing. De herhaling van 'als’ suggereert dat er met pionnen geschoven gaat worden of dat de lezer een rollenspel te wachten staat, waarin willekeurige personages 'als ik’ zullen optreden. Bovendien wordt met het werkwoord de thematiek van de bundel aangegeven. De gedichten gaan over aankomst en vertrek, reis en doortocht, migratie en ontmoeting. Degene die als eerste aankomt is een ontdekker of verkenner, maar voor zover hij ook een winnaar is, zal de vreugde daarover van korte duur zijn, want na iedere aankomst begint de wedloop opnieuw.
Ook het lezen van de bundel is een doortocht. De dichter is ons voor geweest, hij wijst de weg, maar vrijwel iedere pagina maakt duidelijk dat de genomen route willekeurig is. Steeds was ook een ander pad denkbaar geweest, maar zodra de eerste schrede gezet is, moet men voort in de aangegeven richting. De bladspiegel geeft veel inspringingen te zien, alsof de tekst een kronkelend pad door een moeilijk begaanbaar gebied verbeeldt. Het laatste gedicht verwoordt de ervaring van een lezer die het voetspoor van de dichter gevolgd heeft:

Ik kwam door de voordeur naar binnen,
sliep een nacht in een goed bed,
’s ochtends door de achterdeur naar buiten,
zag het water van de grote vijver,
ik wist niet dat dit er was.

Wie enige tijd in de bundel heeft doorgebracht, staat uiteindelijk weer op straat, maar is wel een ander mens geworden, die zich verwondert over wat er is. Lezen is een tijdelijk verblijf dat de reiziger de ogen opent.
Bij vorige bundels heeft Wijnberg zich vaak laten inspireren door specifieke literaire tradities, waarnaar hij expliciet en uitvoerig verwees, als kroop hij in de huid van meer of minder beroemde voorgangers. Zo heeft hij zich verstaan met de Chinese en joodse klassieken, met de Odyssee en - in zijn vorige bundel - met het werk van de Noord-Indiase dichter Ghalib. In Als ik als eerste aankom vaart hij grotendeels op eigen kompas, al treffen we ook hier incidenteel een oude bekende aan, zoals Odysseus, Priamos, Avicenna en Aristoteles. Verreweg de meeste personages zijn echter anoniem en inwisselbaar. Inderdaad gaat het om personages, want Wijnberg vertelt altijd een verhaal.
Bergen en rivieren begint met de constatering dat er op de bodem van rivieren stenen 'als bergen’ liggen, die zo zwaar zijn dat er drie of vier duikers nodig zouden zijn om ze naar boven te halen. Waarom de stenen daar niet gewoon kunnen blijven liggen, wordt vooralsnog niet verklaard, maar de vergelijking met bergen roept het beeld van een parallelle wereld op, een microkosmos onder water die het landschap eromheen verdubbelt. In de tweede strofe begint het verhaal:

Ik heb enkel
twee kleine stenen,
die ik geruild heb
voor wat ik bij mij had
met kinderen die aan de oever stonden.

In deze rudimentaire economie vertegenwoordigen stenen een grote waarde. Vermoedelijk is dat de reden waarom de eerdergenoemde keien uit het water gehaald moesten worden. De ruilhandel wordt in de volgende strofe voortgezet: 'Als iemand vraagt/ of hij mijn twee stenen kan lenen/ doe ik een tegenvoorstel.’ De spreker wil de stenen liever niet uitlenen, maar is wel bereid ze voor iets anders te ruilen: 'Ik breng ze naar hem toe/ als hij mij laat proberen/ iets van hem/ wat ik nauwelijks kan tillen/ mee naar huis terug te nemen.’ Let wel, er staat niet dat hij de stenen wil ruilen tegen iets zwaars. Het enige wat hij wil is dat hem de mogelijkheid gegeven wordt zijn krachten te beproeven. Welke verschijningsvorm het ontilbare object heeft (een steen uit de rivier?) is irrelevant. Of de transactie daadwerkelijk plaatsvindt, krijgen we niet te horen. De spreker loopt nu rond een klein meer, 'zo diep dat het geen bodem heeft,/ maar een ingang/ waar wat er doorheen gaat/ verandert’. Metamorfose door een andere wereld binnen te gaan, een geheimzinnig domein zonder bodem, dat is wat de dichter beoogt. Het gedicht wordt afgesloten met een verwijzing naar de opening van Dante’s Inferno:

Als midden in een bos
waar het midden in de zomer
donker is.

Misschien mogen we aannemen dat de man inderdaad een zware steen torst en overweegt hem weer in het water te gooien, maar nu op een plek waar hij niet teruggevonden kan worden. Het gedicht speelt met de dialectiek van groot en klein, duur en goedkoop, vraag en antwoord, binnen en buiten, boven en beneden, en laat zien dat de ene handeling de andere uitlokt en dat er altijd gezocht wordt naar een evenwicht van wederkerigheid. Maar het einde is de verdwijning, de dood, het wit op de pagina. Wie het gedicht leest, ondergaat die transformatie van leven naar stilte aan den lijve.
Wijnberg is altijd sterk geweest in het oproepen van intens treurige vriendschappen en liefdes. Eenzaamheid is de norm, en voor zover mensen elkaar werkelijk ontmoeten, leidt dat nooit tot geluk. Maar omdat geen van Wijnbergs personages daarop lijkt te rekenen, ademen veel gedichten de sfeer van gelatenheid, van een moeizaam verworven ascese. In Waar ben je bang voor, dat iemand je vraagt iets verderop te gaan staan? gaan twee mensen naar een feest, niet omdat ze daar veel zin in hebben:

Ik kleed jou of mij aan
als ergens voor
dat pas eindigt
als het weer dag is.

Ik weet niet of iedereen
in zijn beste kleren is,
sommige beste kleren
durfden zij misschien niet
hiervoor aan te trekken.

Gevoelens van angst en schaamte beheersen de potentiële feestgangers. Over het evenement zelf zegt de dichter niets, als was het te pijnlijk eraan te refereren. Haastig springt hij over op de afloop:

Terwijl het nog donker is
loop ik met jou
zo snel mogelijk
naar waar ik
de zon wilde zien.

Hoe eerder de nacht voorbij is, des te beter, maar de verleden tijd in 'wilde’ doet vermoeden dat de spreker inmiddels is gaan beseffen dat zijn verlangen zinloos was. En hij verontschuldigt zich voor zijn bruuske optreden:

Als je wilt
zeg ik niets meer
tot je gezicht weer
verlicht door de zon is.

Anders dan bij het hierboven besproken gedicht eindigen we hier niet in de duisternis, maar de stilte is er niet minder om. Er valt niets meer te zeggen. De dichter laat zijn lezer met rust, uit een wellevendheid die te laat komt, want het kwaad is al geschied. Het bestaan heeft geen betekenis, het komt erop aan de gebeurtenissen, die altijd onvoorspelbaar zijn, over je heen te laten komen. ’s Ochtends, zegt Wijnberg, weet ik niet wat er die dag gaat gebeuren 'en ik sta buiten’. De rivieren zijn bevroren, de lucht is grijs en zacht. Dan doet zich een bezigheid voor die ten minste gedurende korte tijd de illusie van zinvolheid schept: 'Mij wordt gevraagd/ of ik, nu ik toch hier ben,/ nog iets zou kunnen doen/ wat kleiner en eenvoudiger is/ dan wat ik al gedaan heb.’ De beoogde taak is onzinnig, maar wel min of meer uitvoerbaar:

Wachten op een vogel
op een tak zonder bladeren
als het avond wordt.

Wanneer de vogel inderdaad is verschenen, maar na enige tijd weer wegvliegt, roept hij het dier achterna: 'ik heb ontslag genomen!’ Zo tracht hij zichzelf wijs te maken dat hij de opdracht naar behoren heeft uitgevoerd, want zodra hij niet meer in dienst is, draagt hij geen verantwoordelijkheid meer. Maar de vogel is gevlogen. Niets blijft, alles stroomt.

LOPEN

Niet bang om
ergens een nacht te blijven
waar niemand weet dat ik ben,
waar het donker wordt
en ik naar bed moet.

Kan ik niet nog iets verder lopen
en een uur later terugkomen,
alsof ik doorgelopen ben
naar waar water
al lange tijd is?


NACHOEM M. WIJNBERG
ALS IK ALS EERSTE AANKOM
Contact, 88 blz.,
€ 21,95