De dichter van zijn volk

MAHMOUD DARWISH
WAAROM HEB JE HET PAARD ALLEEN GELATEN
De Brouwerij, 112 blz., € 17,50

Dichterlijke overpeinzingen
(fragment)

De poëzie is boven. Zij kan
mij leren wat zij wil
een venster openen
en huishoudelijke dingen doen
tussen verhalen. Zij kan
mij met zich laten trouwen… eventjes
Een jaar geleden overleed de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish. Zijn begrafenis in Ramallah, voorafgegaan door drie dagen van nationale rouw, werd bijgewoond door duizenden mensen. Met Mahmoud Darwish, geboren in 1948, ging een belangrijke stem in de Arabische literatuur verloren. De Palestijnen verloren daarbij een dichter die zich van meet af aan had verbonden aan het lot van zijn volk. Darwish, die op zesjarige leeftijd met zijn familie naar Libanon had moeten vluchten nadat zijn dorp tijdens de vestiging van de staat Israël in 1948 was vernietigd, raakte al snel politiek actief. Van de jaren zeventig tot aan de Oslo-akkoorden in 1993 was hij een vooraanstaand lid van de PLO, hij zat gevangen wegens zijn politieke activiteiten en bracht 26 jaar door in ballingschap. Pas in 1995 keerde hij terug.
Als dichter debuteerde Mahmoud Darwish in 1964. Er volgden zo’n dertig bundels poëzie en proza. Legitimiteitsbewijs geldt als een van zijn bekendere gedichten, het is in vertaling op het internet te vinden: ‘Noteert u maar…/ Ik Arabier/ gewoon een naam, zonder titel/ lijdzaam in een land waarin alles/ draait op uitbarstingen van woede/ Ik hoor hier thuis/ ik was hier al voor de geschiedenis begon/ toen er nog geen cipressen stonden/ olijfbomen evenmin/ en voor het gras ontkiemde’. Toch haastte hij zich enige jaren geleden in een interview met NRC Handelsblad het beeld bij te stellen dat ál zijn poëzie over de Palestijnse strijd zou gaan: ‘Vooral Palestijnen kunnen zich niet goed voorstellen dat ik sommige gedichten heb geschreven met een bepaalde vrouw of met bepaalde individuele gevoelens in mijn hoofd. Zij kunnen zich niet voorstellen dat er iets belangrijkers is dan de zaak, de strijd, dan Palestina.’
Hij was een graag geziene gast op internationale poëziefestivals en hij gold als mogelijke Nobelprijskandidaat. Zijn werk werd vertaald in vele talen, maar ondanks het feit dat Darwish twee maal op Poetry International te gast was en hij in 2004 in Amsterdam de Prins Claus-prijs mocht ontvangen, was er tot op heden weinig poëzie van hem in het Nederlands te vinden. Daar lijkt enige verandering in te komen: vorig jaar verscheen bij uitgeverij De Geus de bundel Staat van beleg, een lang gedicht geschreven tijdens de tweede intifada en de bezetting van Ramallah.
Recent publiceerde uitgeverij De Brouwerij Waarom heb je het paard alleen gelaten, in vertaling van Kees Nijland en Asad Jaber. Het betreft een bundel uit 1995. Waarom juist voor dit werk werd gekozen wordt slechts toegelicht met de mededeling dat de bundel een hoogtepunt in Darwish’ dichterschap is. Wonderlijk genoeg is de dichter die oprijst uit Waarom heb je het paard alleen gelaten er niet een die direct grote indruk maakt. Eerder dan poëzie die in mythische en verzoenende bewoordingen de strijd om de vrijheid van een volk bezingt, eerder dan poëzie die wereldwijd geroemd wordt om haar muzikaliteit en haar fascinerende, zorgvuldig gekozen beelden, eerder dan poëzie die op internationale podia voor duizenden mensen een belevenis is, zijn de verzen in deze bundel enigszins houterig. Dat de vertalers voor een mindere bundel gekozen zouden hebben, lijkt daarvoor de minst juiste verklaring.
In een essay in het Britse tijdschrift voor hedendaagse Arabische literatuur Banipal (een rijke bron voor wie geïnteresseerd is in wat er in de Arabische wereld wordt geschreven, met goede vertalingen) verklaarde Mahmoud Darwish de vertaler te zien als ‘parallel-dichter’. Die zou naar zijn idee niet alleen de lichte kant van poëzie, die van de betekenis, moeten schilderen, maar ook oog moeten hebben voor de schaduw van de verzen en de suggestie die daarvan uitgaat. Die souplesse lijken Nijland en Jaber te missen. Hoewel het lastig blijft een vertaling te beoordelen voor wie de brontaal niet machtig is, wekken de gedichten in deze bundel de indruk vooral op betekenis te zijn vertaald. Dat leidt tot stijve en omslachtige formuleringen als: ‘Heb jij gescharreld in de tuin van Adam/ dat een geschrokken moordenaar zijn broer zou begraven’, of: ‘Dag/ maan die om haar schijngestalte zweeft die zij nooit/ tegenkomt!’ En een enkele keer tot ongrammaticale regels als ‘een paard dat liederen op de heuvel achterlieten’.
Slechts een enkele keer ontstaat poëzie en is achter regels een glimp te zien van een wereld waar je dieper in zou willen doordringen. Een wereld van vroeger, met een moeder die ‘zocht/ in mijn ondergoed naar vreemde vrouwen’, een plek waar oorlog is, waar vader en zoon op de vlucht zijn ‘– Waarom heb je het paard alleen gelaten/ – Als gezelschap voor het huis/ want huizen sterven als de bewoners er niet zijn’. Een profetische wereld: ‘Ik kijk van boven, als een balkon, naar wat ik wil// Ik zie mijn schim/ van heel ver/ komen’. Het is liefdespoëzie, met verwijzingen naar klassieke mythologie, de Koran, de Bijbel, gebeurtenissen uit de Arabische geschiedenis.
Ergens is er het vermoeden dat de rijke gedichten in hun originele taal lyrisch van toon zijn, zoals vriend en collega-dichter Breyten Breytenbach toelicht bij zijn aan Darwish opgedragen gedicht, gepubliceerd in het laatste nummer van het literaire tijdschrift Raster. In dat lange vers deed Breytenbach een poging het werk van Darwish met zijn eigen stem te vervlechten: ‘Die beelde, tot ’n mate selfs die ritme en die vormgewing, is syne’, schrijft Breytenbach. Het ‘loflied’ van de Zuid-Afrikaan Breytenbach zingt en geeft in heldere regels een typering van Darwish’ werk, dat betrokken en verzoenend was, muzikaal en beeldrijk.