De dichter zingt

Alweer tien jaar geleden opende Maximaal frontaal zijn aanval op de Nederlandse poëzie, die tot verstilde figuurzagerij was verworden. Boze, jonge schrijvers als Arthur Lava, K. Michel en Pieter Boskma lieten een nieuw geluid horen: hard realistisch, euforisch en soms ronduit banaal. Dat laatste is misschien de reden waarom nooit meer iets van Maximaal is vernomen. De revolutie at haar eigen kinderen op.

Behalve één. De eigenzinnige, lyrische dichter Pieter Boskma.
Boskma debuteerde met Quest (1987) en bereikte een voorlopig hoogtepunt met De messiaanse kust (1989), een bundel vurige profetieën die te midden van cynisme een religieus perspectief heropent. Zonder te vervallen in dogmatiek, tweewielige paradoxen of moraalridderij klinkt de stem van een nieuwe bovenbouw.
Boskma is veel tegelijkertijd: realistisch, metafysisch, absurdistisch en hoog-romantisch. Hij neemt in zijn werk de verworvenheden van onze tijd mee, maar eert ook de traditie als hij zingt op de leest van Gorter, Nijhoff, Achterberg en Reve.
Tiara (1991), de novelle Een foto van God (1993) en Simpel heelal (1995) maakten het de kritiek moeilijk Boskma’s plaats definitief te bepalen. Door zijn nieuwste bundel Te midden van de tijden is die duidelijker geworden: Pieter Boskma verdient te worden geëerd als de dichter van het Nederlandse fin de siècle. Helemaal onproblematisch is die positie niet.
Zoals de titel van zijn nieuwste verzenboek al aangeeft staat Boskma te midden van twee millennia. Hij staat ook tussen verleden en heden in het actuele nu, hij staat te midden van zijn eigen tijd die doordringt in zijn poëzie. Hij staat, als tweeënveertigjarige ook midden in zijn eigen levenstijd, en hij staat te midden van ons allen, dat wil zeggen, de profetische dichter is van de Helicon afgedaald, de bleke romanticus is uit zijn ivoren toren geklommen.
Te midden van de tijden is als een symfonie opgebouwd. Boskma’s probleemstelling is de verdwijning van de geliefde, zowel in de wereldse ruimtetijd, als, over die grenzen heen, in de dood. Daarin weerklinkt het thema van zijn vorige bundel, Simpel heelal, waar in het op Dantes Divina Commedia gebouwde gedicht ‘Altijd weer dit leven’ de jong overleden dichter Paul van der Steen wordt herdacht. De oplossing voor de verdwijning is het geloof in de onbreekbare band van liefde en het katholieke geheim van de transsubstantialisatie, dat wil zeggen de verschijning van het wezen van de afwezige geliefde in natuur of dingen.
Inhoudelijk schuilt daarin niets nieuws, wel in de manier waarop Boskma dit geloof vorm geeft.
Onder de kosmische titel schuilt een veelheid aan vertellingen. Elk op zich tamelijk plat, met als enige reliëf de taal zelf, weven ze samen een ondoordringbaar, filosofisch raadsel. De taal zelf is spreektaal geworden, ritmisch en soepel rijmend, in alles onverdacht. Soms vloeit ze zo dat de lezer zich in proza waant. Niet alleen de taal doet dat vermoeden. Ook de opbouw in vijf delen met de climax op het eind.
Boskma voorspelde in De messiaanse kust dat het vuur, de lyrische passie waarvan hij in zijn eerste werken getuigde, zou opbranden, tot coma verstomen en wel precies op de rand van zijn millennium. Iets van die voorspelling is uitgekomen in een van de kernmotieven van zijn nieuwste verzenboek, het zwijgen. 'We hebben het gehoord/ maar kunnen niet begrijpen/ dat geen enkel woord/ helder kan beschrijven/ waarom wij verdwijnen/ en er niets kan blijven/ dan ons diepe zwijgen/ van het diep geheime.’
Het onkenbare waarom van onze dood, dat pathische aspect van onze eindigheid en het onuitspreekbare van het mysterie dat het leven is, waren het eindstation van vele mystici, filosofen en halve garen voor Boskma. Het zwijgen, afwezige formuleerbaarheid van de werkelijkheid en daarmee begrenzing van de angst binnen het kader van de taal, is wellicht het laatste stadium dat wij mensen bereiken. In 'Poging tot tegenbericht’ zegt Boskma: 'Ook zwijgen is zinloos,/ dat geef ik toe, maar tevens/ het laatste wat blijft.’
Misschien had Pieter Boskma bij de lezer het zwijgen moeten oproepen - bijvoorbeeld door schoonheidszwijm - in plaats van het open te noemen, waardoor het onwerkzaam wordt. Als je zwijgen wil, moet je niet willen spreken.
Gelukkig herstellen de brieven in het tweede deel van de bundel, in herlezing telkens het uitzicht. Weliswaar lijdt de brievenschrijfster onder de afwezigheid van haar geliefde, een toon van berusting in 'Haar brief in wijn gevonden’ leidt tot deze verrassende wending: 'en vraag naar een verdwenen/ naam die ergens in je achterhoofd ja ergens sluimerend/ nou ja ergens in ’t verborgene wel zal voortbestaan.’ De liefde is uiteindelijk in 'Haar nagekomen brief’ hetgeen slechts het vermoeden van de Ander/het Andere, waar veel poëzie op drijft, uitsluit. De Ander is bij Boskma degene die in liefde tot naaste wordt, als eeuwigheid en nu versmelten. Dus ook over de dood heen.
In het laatste deel, over de gesel van onze postmoderne tijd, wordt de geest lichaam en bidden seks. Platter - en dus raker - kan deze tijd niet worden gekarakteriseerd: zwerfvuil, de laatste duif, stationaire BMW’s voor een bontpaleis en de gemeentecamera’s die het verval van zeden feilloos registreren: ’…de delicten./ Die waren vrijwel zonder tal,/ zodanig in de meerderheid/ dat zij de norm en wetten,/ de plichtsgetrouwe minderheid/ en ik de overtreding werden./ Het stond op film/ dus was het waar:/ al van waarde omgekeerd/ tot omgekeerde waarden.’
Boskma gebruikt de herkenning die de klassieken oproepen (herkenden we Nietzsche?) om te vervreemden, de lezer te confronteren met het cliché dat om hen heen is ontstaan. Onze helden worden in hun oorspronkelijke eigenaardigheid neergezet, waardoor ze weer tot leven kunnen komen.
Dan volgt het allermooiste gedicht uit de bundel, 'Who’s afraid of love revisited’. Het roept Nijhoffs Het uur U op, maar stoot het gelukkig ook weer af. Bij Pieter Boskma bestaat het mysterie vooral in het absurdisme van de levende, bezielde natuur. Water-bos-avond en waken-slapen-dromen gaan een bezwerende verhouding aan, die de lezer niet meer loslaat. Ineens krijgen we geen vinger meer achter het wonder van de taal, ineens overwint pure poëzie het analyserende verstand.
En dat is precies waarom we dichters willen horen zingen.