Intelligentietests zijn gebrekkig maar worden breed toegepast

De dictatuur van het IQ

Het kabinet kondigde onlangs de ‘IQ-maatregel’ aan, die inhoudt dat mensen met een IQ boven de 70 vanaf 2013 niet langer in aanmerking komen voor hulp uit de AWBZ. Deskundigen zijn uitgesproken kritisch.

VORIG JAAR KREEG de Amerikaanse misdadigster Teresa Lewis in de gevangenis in Jarratt, Virginia een dodelijke injectie toegediend. Ze had twee mannen aangezet tot moord op haar echtgenoot. Ze hoopte daarmee 250.000 dollar levensverzekering op te strijken. Door tegenstanders van de executie werd clementie aangevraagd omdat Teresa vanwege haar lage IQ (72) niet toerekeningsvatbaar zou zijn. In de Verenigde Staten worden criminelen met een intelligentiequotiënt lager dan 70 meestal niet geëxecuteerd, omdat zij de gevolgen van hun daden onvoldoende kunnen overzien. Zowel het hooggerechtshof als de gouverneur van Virginia wees het verzoek om clementie af.
Voor Teresa Lewis was een intelligentiemeting een kwestie van leven of dood. Hoewel de gevolgen in Nederland zelden zo extreem zijn, kan een verschil van een of twee punten op een IQ-test ook hier een doorslaggevende rol spelen in de rechtspraak. Zo werd een jaar geleden een man veroordeeld tot tbs omdat hij iemand had doodgeschopt. Mede op grond van zijn lage IQ (70) werd hij verwezen naar een instelling in het gehandicaptencircuit. Was zijn intelligentiescore enkele punten hoger geweest, dan was hij hier niet toegelaten. Op zijn afdeling werd hij steeds opnieuw agressief, waardoor hij werd overgeplaatst naar een instelling voor verstandelijk gehandicapten met gedragsproblemen. Hier haalde hij bij een tweede onderzoek een veel hogere IQ-score (87), waardoor onlangs - anderhalf jaar na zijn veroordeling - een opname in een reguliere forensische inrichting volgde.
De kans op een foute verwijzing zoals deze is groot omdat de overheid en indicatieorganen de grens voor een beslissing voor toewijzing aan instellingen vaak op een specifiek punt leggen, zegt Yaron Kaldenbach, Gz-psycholoog bij divisie jeugd Altrecht (GGZ Utrecht) en intelligentie-expert. In de forensische psychiatrie kom je met een IQ van 70 of lager terecht in gehandicaptenhulpverlening. In de reguliere geestelijke gezondheidszorg kun je doorgaans pas gebruikmaken van therapie als je intelligentiequotiënt 85 of hoger is. Kaldenbach: ‘Een hulpverlener kan dan zeggen: “Als je een IQ hebt van 84, dan ben je niet slim genoeg om van ons aanbod te profiteren, maar vanaf 85 kun je ons behandelaanbod ineens hartstikke goed aan.” Feitelijk is dit onderscheid onzin; een puntje verschil betekent namelijk helemaal niets.’
Het probleem in het gebruik van een IQ-score als harde grens voor verwijzingen ligt volgens Kaldenbach zelden bij de deskundige die de test afneemt: 'Testpsychologen zijn de advocaat van een cliënt. Zij houden rekening met het feit dat het IQ geen absoluut getal is. Een intelligentiescore wordt in een testrapportage voorzien van een betrouwbaarheidsinterval, een soort foutenmarge. De IQ-score is de schatting van de dag. Het betrouwbaarheidsinterval geeft een marge aan waarin met een aanzienlijke zekerheid, meestal 95 procent, je werkelijke IQ valt. Als je IQ-puntscore bijvoorbeeld 84 is, mag je met 95 procent zekerheid aannemen dat het echte IQ ergens tussen de 78 en 92 ligt. En dan is er nog vijf procent kans dat je ernaast zit omdat een onderzoeker mogelijk niet goed doorvraagt of omdat je een slechte dag hebt.’
Er ontstaan pas moeilijkheden als toelatingscommissies voor een forensische, zorg- of onderwijsinstelling een testverslag nauwelijks lezen, maar er slechts een getal uithalen en op basis daarvan een besluit nemen. Bij dergelijke 'slagboomdiagnostiek’ gaan alle marges verloren. Commissieleden hebben het ook niet makkelijk, vindt Kaldenbach: 'Ze moeten steeds balanceren tussen het starre beleid van de overheid en hun inhoudelijke deskundigheid. Daarom valt er soms wel met ze te praten, zeker als het IQ niet verder dan vijf punten van een bepaalde grens ligt. Maar ik heb ook wel eens geschermd met een klacht bij de tuchtraad, toen een kind door een te lage IQ-score niet in aanmerking kwam voor de juiste zorg. Ik zei: “Je dreigt nu een beslissing te nemen die niet in het belang is van deze cliënt. Je verstaat je vak wel, maar je oefent het niet goed uit omdat je het idee hebt dat je klem zit.” Na enig overleg met een leidinggevende bleek er toen toch wat mogelijk te zijn.’
Het is niet altijd zo eenvoudig. Dat ondervond ook de vrouw die haar zoon in 2004 wilde laten plaatsen op een specifieke vorm van speciaal onderwijs. De directeur van de school vond het geen probleem. De psycholoog had geen bezwaren. Kortom: iedereen zag het zitten. Alleen voor deze vorm van onderwijs was een IQ boven de 70 nodig, terwijl deze jongen een score van 69 had. Vanwege dat ene puntje verschil werd hij niet op de school toegelaten. Uiteindelijk, na een half jaar actievoeren door zijn moeder, ging de toelatingscommissie pas door de bocht en werd het kind aangenomen.

DE BOZE OUDER had uiteindelijk meer invloed dan ze dacht. Haar verhaal inspireerde Peter Tellegen, ontwerper van intelligentietests, tot verscheidene publicaties en interviews over de wisselvalligheid van IQ-metingen. Het IQ is volgens hem niet meer dan een 'getalletje’ dat weergeeft hoe goed je bepaalde vragen beantwoordt, afgezet tegen de prestaties van andere mensen in een onderzoek dat een aantal jaren eerder is uitgevoerd. Er zijn veel bronnen die het resultaat van een test op individueel niveau onbetrouwbaar kunnen maken. Bovendien geeft niet iedere intelligentietest hetzelfde resultaat. De inhoud van tests kunnen namelijk van elkaar verschillen. Dit werd recent nog eens bevestigd in een studie van pro-justitia-rapporteur Britta van Toorn en onderzoeker Cobi Bon. Zij vonden in een forensische populatie dat de IQ-score sterk afhangt van het soort test dat je gebruikt. Van Toorn: 'Een persoon haalt bijvoorbeeld een gemiddelde score (100) op de ene IQ-test, maar haalt vijftien punten minder op een andere en nog eens vijftien punten minder op een derde. Andersom kan ook.’
Ondanks deze onnauwkeurigheid blijven mensen belangrijke besluiten aan IQ-scores ophangen. Slachtoffers van slagboomdiagnostiek vind je daarom niet alleen aan de onderkant van de intelligentieverdeling. Ook voor basisonderwijs voor hoogbegaafde kinderen wordt een harde toelatingseis gehanteerd. Marcel Cohen, woordvoerder van de Leonardostichting, de organisatie die hoogbegaafdenonderwijs stimuleert, bevestigt dit: 'Met een IQ van 130 of hoger ben je hoogbegaafd en daaronder niet. Als het er niet in zit, dan wordt je kind ook niet toegelaten op een Leonardoschool. Er worden zelden uitzonderingen gemaakt.’
De rigiditeit van deze procedure is opvallend, juist omdat de kans op een verkeerde verwijzing bij basisscholieren erg groot is. De intelligentie van jonge kinderen is moeilijk vast te stellen. Doelgericht gedrag ontwikkelt zich pas volledig rond het zevende levensjaar. Het resultaat van een intelligentiemeting hangt daarom sterk af van de gemoedstoestand van het kind en het vermogen van de testleider om de aandacht van de geteste bij het onderzoek te houden. Niet voor niets leren testpsychologen in hun opleiding dat je een IQ-meting in deze leeftijdsfase met grote voorzichtigheid moet interpreteren.
Daarmee raken we een ander kernprobleem bij intelligentieonderzoek: het zijn lang niet altijd professionals die een IQ-test afnemen. Er is de laatste jaren een wildgroei aan bedrijven die gedragskundig onderzoek doen, bijvoorbeeld voor sollicitatieprocedures voor de overheid en het bedrijfsleven. Vanwege grote concurrentie op de markt loopt de kwaliteit van deze bureaus sterk uiteen. Om de kosten te drukken wordt de afname van testbatterijen steeds vaker door leken geleid. Bijna tachtig procent van de tests in deze sector wordt door mensen zonder een psychologische opleiding gedaan. Ook worden er veelvuldig onbetrouwbare, slecht gevalideerde tests afgenomen.
Het gebrek aan deskundigheid bij zulke bedrijven leidt soms tot hachelijke situaties. De zaak van Henk Laarman tegen de Belastingdienst uit 2005 is hier een goede illustratie van. Laarman kwam uitsluitend niet in aanmerking voor een promotie omdat hij te laag scoorde op een cognitieve capaciteitentest. Volgens het testbureau voldeed hij niet aan het vereiste denkniveau voor de functie. Hij toonde echter aan dat de test ondeugdelijk was en liet bovendien een tweede onderzoek doen, waarbij hij aanzienlijk beter presteerde. Hij won de rechtszaak en mocht - na een van de langste sollicitaties uit de vaderlandse geschiedenis - uiteindelijk toch aan de slag in zijn nieuwe kantoor.

HET OVERSCHATTEN van het belang van de intelligentiemeting is volgens Tellegen een uiting van een kentering in de samenleving. Nederlanders zijn in de afgelopen decennia steeds meer gaan vertrouwen op meten en steeds minder op deskundigheid. Dat zie je ook terug in het gebruik van de IQ-test. Waar vroeger de intelligentietest een hulpmiddel was van de gedragskundige is het nu steeds vaker de test die bepaalt. Dat is niet iets wat plotseling is ontstaan, maar het heeft zich stapsgewijs zo ontwikkeld. Sociale wetenschappers lijken niet in staat deze maatschappelijke beweging tegen te gaan. Nadat in 2003 slagboomdiagnostiek in het speciaal onderwijs wettelijk werd vastgelegd, stuurden leden van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) een brandbrief naar de Tweede Kamer. Daarin waarschuwden zij niet alleen voor de gevaren van rigide gebruik van het IQ voor indicaties, maar ook voor devaluatie van deskundigheid. Het belang van een snelle en correcte plaatsing van het kind zou in de praktijk ondergeschikt kunnen raken aan het vinden van het 'juiste’ IQ. Daarnaast deden ze enkele beleidssuggesties, waaronder een sterkere nadruk op de mening van deskundigen bij indicatiestellingen. De politiek bleek doof voor hun argumenten.
Met de recente aankondiging van de 'IQ-maatregel’ door het huidige kabinet is de kans op een herhaling van zetten levensgroot aanwezig. De regeling houdt in dat mensen met een IQ boven de 70 vanaf 2013 niet langer in aanmerking komen voor hulp uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het ontvangen van AWBZ-zorg, waaruit onder meer begeleid wonen, sociale werkplaatsen en schuldsanering worden gefinancierd, wordt hierdoor direct afhankelijk van het resultaat van een IQ-test.
Zoals verwacht reageren gedragskundigen opnieuw verontwaardigd. Al eerder stelde hoogleraar orthopedagogiek Aryan van der Leij in een interview met de Volkskrant dat dit plan getuigt van 'onvoorstelbare politieke domheid’. Meer recent veroordeelde het NIP in navolging van het College van Zorgverzekeringen (CVZ) de maatregel stellig als niet uitvoerbaar en een onbegonnen zaak. Ook de experts die voor dit stuk werden geïnterviewd zijn woedend. Bon vindt de IQ-maatregel ronduit een schandaal. Van Toorn: 'Ik vind het zo verschrikkelijk dom en kortzichtig. Nog afgezien van het feit dat het niet wenselijk is, is het niet ethisch verantwoord.’ Volgens Tellegen doet men alsof er een beslissing genomen wordt op basis van objectieve wetenschappelijke gronden, terwijl dit grote onzin is.
Kaldenbach is milder: 'Dit besluit moet je natuurlijk in de eerste plaats begrijpen als een van de vele onverantwoorde bezuinigingsmaatregelen van dit kabinet en niet als een inhoudelijke ingreep. Als je moet kiezen om een groep te korten, is het risico het kleinst als je de groep kort die over het algemeen de minste AWBZ-zorg nodig heeft. Het is logischer om mensen met een IQ boven de 70 te korten dan die met een IQ tussen de 40 en 60.’ Dit betekent overigens niet dat hij het ermee eens is: 'Natuurlijk is het vaak zo dat mensen die minder slim zijn meer begeleiding nodig hebben. Maar er zijn veel meer factoren die je zorgbehoefte bepalen.’
Nog los van de twijfelachtige inhoudelijke gronden voor dit plan voorziet Kaldenbach veel negatieve gevolgen van deze regeling: 'Mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen en die dat toch moeten doen, die maken er natuurlijk een puinhoop van. Dat geeft overlast, dat heeft maatschappelijke consequenties. Sommigen zullen hun huur niet kunnen betalen, die worden uit hun huis gezet en gaan vervolgens zwerven. Schuldenaars die geen begeleiding krijgen maken nog meer schulden. Het risico bestaat dat zij hun toevlucht zoeken in de drugs of criminaliteit. Je kunt je daarom afvragen of dit wel leidt tot een kostenbesparing.’ Van Toorn schetst een vergelijkbaar scenario: 'Er komt zo een grote groep kwetsbare personen in de maatschappij die niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen en die ook niet weerbaar zijn. Hier kunnen anderen makkelijk misbruik van maken. Het enige wat dit oplevert is menselijk lijden.’
Het protest bij dit overheidsbeleid is dus aangetekend. Oplossingen zijn er ook. Als wordt gevraagd wat er moet veranderen in het gebruik van de IQ-meting is het antwoord van deskundigen unaniem: we moeten zo snel mogelijk af van harde grenzen gebaseerd op een IQ-score voor verwijzingen en politieke maatregelen. Volgens Tellegen zou het goed zijn als Den Haag de regelgeving, bijvoorbeeld rond de indicatiestelling, meteen afschaft: 'Al die commissies waarin sociale wetenschappers voortdurend bezig zijn dossiers te bekijken om vervolgens zogenaamd een goede beslissing te nemen, moeten direct worden opgedoekt. In plaats daarvan zouden besluiten die we mede op basis van testscores nemen, moeten worden beoordeeld op hun waarde. Hoe goed pakken onze keuzes in de praktijk eigenlijk uit? Als je dat gaat bijhouden, dan neemt de vakkennis daadwerkelijk toe.’
Een andere suggestie is het gebruiken van aanvullende criteria bij het nemen van ingrijpende beslissingen. Bij het invoeren van een bezuinigingsmaatregel zou niet alleen het IQ een maatstaf moeten zijn, maar bijvoorbeeld ook iemands zelfredzaamheid, sociale functioneren en sociale inbedding. Welke graadmeters je gebruikt, moet afhankelijk zijn van de vragen die je jezelf stelt, stellen Bon en Van Toorn: 'In onderwijs gaat het om de vraag of iemand een opleidingstype aankan. Aanvullende maatstaven zouden daar bijvoorbeeld leervermogen en motivatie kunnen zijn. Bij een juridische beslissing staat de vraag centraal hoe recidive kan worden voorkomen en welke behandelomgeving het beste past bij de cliënt. Daarbij zijn weer andere criteria van belang.’
Maar hoe krijgen sociale wetenschappers het kabinet zo ver dat het hun raad niet weer in de wind slaat? In tegenstelling tot het Midden-Oosten is de protestbereidheid in Nederland tot een historisch dieptepunt gedaald. Als morgen het Malieveld vol zou staan met pedagogen en psychologen zou de urgentie van de kwestie misschien helder worden. 'Wat dat betreft zijn hulpverleners maar makke lammetjes’, vindt Kaldenbach, 'we helpen liever mensen dan dat we gaan protesteren.’ Hij ziet een rol weggelegd voor de beroepsverenigingen. Het veroordelen van de IQ-maatregel door het NIP is een goede eerste stap, maar het zou ook andere vormen van slagboomdiagnostiek in een officiële uitspraak moeten afkeuren. Ook moet het consequenties verbinden aan de uitoefening ervan.
Tellegen en Kaldenbach denken beiden dat een klachtenprocedure of een rechtszaak uitermate effectief zou kunnen zijn. Dat is op zich geen vreemd idee. Testafname in een selectiesituatie is in Nederland bijvoorbeeld aan geen enkele wet gebonden. In de VS - waar de aanklaagcultuur aanzienlijk sterker is ontwikkeld - is het gebruik van cognitieve capaciteitentests in sollicitatieprocedures strafbaar.
We moeten ook niet vergeten, stelt Kaldenbach, dat een geregistreerd psycholoog of orthopedagoog altijd verantwoordelijk is voor zijn eigen gedrag. Onverantwoord beleid zou hem niet moeten tegenhouden om ethisch te handelen. Dat zou in andere beroepsgroepen ook niet gepikt worden: 'Stel nou dat een directeur van een ziekenhuis tegen een arts zegt: “Ik wil dat je bij ieder griepje prednison voorschrijft en een operatie doet.” Dan kan een arts zeggen: het moest van de baas. Maar als hij dan voor de tuchtraad staat, dan zegt deze: “Luister eens, jij bent de inhoudelijk deskundige. Daar had je nooit in mee mogen gaan.”’


De intelligentietest: een korte geschiedenis

De Fransman Alfred Binet maakte de eerste intelligentietest ter wereld. In 1904 kreeg hij de opdracht van de overheid om een betrouwbaar instrument te ontwikkelen waarmee kinderen met leermoeilijkheden konden worden geïdentificeerd. In deze cognitieve capaciteitentest werden onderdelen opgenomen voor het vaststellen van geheugen, concentratie, aandacht en fantasie. Samen met zijn naaste medewerker Théodore Simon publiceerde hij de eerste versie in 1908. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd deze test verder ontwikkeld door de aan Stanford University verbonden Amerikaan Lewis Terman. Dit instrument staat tegenwoordig bekend als de Stanford-Binet Intelligence Scale.
In 1912 stelt de Duitser William Stern voor om de prestaties op de Binet-test, de mentale leeftijd, te delen door de werkelijke leeftijd en te vermenigvuldigen met honderd. Dit is het intelligentiequotiënt of kortweg het IQ. Een kind van tien dat intellectueel functioneert als een twaalfjarige zou volgens deze berekening een IQ-score van 120 halen; een kind van tien met de mentale capaciteiten van een zevenjarige zou een IQ van 70 krijgen. Later werd het gemiddelde van de IQ-test vastgesteld op 100 en zijn standaarddeviatie (de gemiddelde afwijking van
het gemiddelde) op 15.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden in de Verenigde Staten ook de eerste IQ-tests voor volwassenen ontwikkeld en op grote schaal ingezet voor selectie van legerpersoneel. Deze tests heetten de Alpha- en Beta-tests. In de daarop volgende jaren ontwikkelden sociale wetenschappers tientallen tests voor kinderen en volwassenen, die allemaal pretenderen intelligentie te meten. Deze instrumenten hebben uiteenlopende theoretische achtergronden en hebben vaak aanzienlijke inhoudelijke verschillen. Ondanks de gebrekkige vergelijkbaarheid van de testen is de toepassing van de IQ-test breder dan ooit; in Nederland worden ze onder meer gebruikt in het onderwijs, de zorg, de rechtspraak, bij sollicitatieprocedures en in toenemende mate als beleidsmiddel.
Hoewel de intelligentietest lange tijd vooral een hulpmiddel was van gedragskundigen is het instrument sinds 2001 niet meer weg te denken uit de populaire cultuur. De eerste Nationale IQ-test werd toen op televisie gepresenteerd door BNN. Sindsdien heeft elke Nederlander kunnen vaststellen dat Diederik Samsom en Mark Huizinga een stuk slimmer zijn dan Def Rhymes en Bonnie St. Claire. Saillant detail: Bonnie scoorde zelfs lager dan de chimpansee die meedeed aan dezelfde aflevering van de Nationale IQ-test.