De nationale politie: van de ene affaire naar de andere

De dienst die alles zou oplossen

Het was het troetelkindje van minister Opstelten: de nationale politie. Die kwam er, maar jaren later rammelt ze nog steeds aan alle kanten. Een reconstructie laat zien hoe dit krakkemikkige instituut kon ontstaan.

Medium agentbureau

Het is vrijdagavond 17 februari 2012, een van de laatste keren dat een select gezelschap burgemeesters bijeen komt. Zij zijn de korpsbeheerders en zwaaien de organisatorische scepter over de politiekorpsen. Alleen niet voor lang. De nationale politie komt eraan, de 26 korpsen in de regio verdwijnen en daarmee ook de korpsbeheerders. De sfeer tussen de korpsbeheerders en minister Ivo Opstelten van Veiligheid en Justitie is al tijden om te snijden. ‘Steeds vaker worden zaken afgedaan door de minister zonder afstemming met de verantwoordelijken’, staat in de notulen van de vorige bijeenkomst. Met andere woorden: voor Opstelten zijn de korpsbeheerders al geschiedenis, en als het hem uitkomt negeert hij ze.

Maar goed, hij heeft ze nog nodig – want de nationale politie is er officieel niet zolang de Eerste Kamer nog met het plan moet instemmen. Dick Schoof, directeur-generaal politie bij het departement, vormt de ogen, oren en mond van Opstelten. In die rol schuift hij aan bij de vergaderingen van de korpsbeheerders. Vandaag vertelt hij dat de politiekorpsen is verzocht de jaarverslagen over 2011 beknopt te houden en niet ‘te glossy’ te maken. Ze worden namelijk samengevat en gebundeld tot één jaarverslag.

Tijdens de besloten bespreking ligt de financiële risicoanalyse op tafel, in opdracht van het departement gemaakt door de accountants van Deloitte. Zij bespeuren aanzienlijke financiële risico’s voor de openingsbalans van de nationale politie, zoals de 869 miljoen euro aan oude pensioenregelingen. Ook waarschuwen ze voor hogere kosten voor de huisvesting; oude politiebureaus worden bijvoorbeeld verkocht, maar onduidelijk is – het is in 2012 nog crisistijd – of ze voldoende opleveren. De analyse levert een flinke lijst van financiële risico’s op. Zo vindt Deloitte de besparing op de inkoop (geschat van 47,5 tot 75,8 miljoen euro) veel te rooskleurig. De accountants drukken de beleidsmakers op het hart ‘de financiële risico’s adequaat te managen’.

De burgemeesters, die de analyse in vertrouwen mochten lezen, willen dat deze meteen openbaar wordt gemaakt. Het kabinet-Rutte I (vvd, cda met gedoogsteun van de pvv) gaat binnenkort fors bezuinigen op de overheidsuitgaven. Juist daarom is transparantie, stelt de Eindhovense burgemeester Rob van Gijzel, van groot belang. Schoof vertelt ze namens de minister dat de analyse vertrouwelijk blijft.

Bovenstaande is te lezen in vertrouwelijke notulen die in handen zijn van De Groene Amsterdammer. Op basis van (vertrouwelijke) stukken, rapporten, debatverslagen, gesprekken met betrokken politici, bestuurders en ambtenaren is deze reconstructie van de politieke schepping van de nationale politie gemaakt.

Op maandag 22 juli 2013, anderhalf jaar na het besloten korpsbeheerdersberaad, wordt de financiële risicoanalyse door de minister naar de Tweede Kamer gestuurd. Samen met de financiële openingsbalans van de nationale politie, terwijl dat korps al ruim een half jaar bestaat. Er zijn inmiddels verkiezingen geweest. Rutte II (vvd, pvda) regeert, Opstelten is nog steeds minister van Veiligheid en Justitie. Lang niet alle risico’s zijn in de balans van de nationale politie verwerkt.

Het parlement is al op zomervakantie, vijf partijen stellen nog wel schriftelijke vragen. In oktober komen de antwoorden. De mogelijk lagere waarde van politiepanden is niet meegenomen in de balans, schrijft Opstelten, omdat niet duidelijk is welke kantoren worden gesloten. Wel wordt, bezweert hij, vanaf 2025 jaarlijks 76,5 miljoen bespaard op de huisvesting. De risicoanalyse bleef anderhalf jaar geheim omdat de minister ‘het niet opportuun’ achtte deze naar de kamer te sturen vanwege het doel: het schrijven van de balans. De Kamer neemt er genoegen mee.

Een half jaar later presenteert de politie de resultaten over 2013: het korps verloor 114 miljoen euro. Om een beetje het hoofd boven water te houden wordt geld onttrokken aan de reserves van de ict – die juist het hoofdpijndossier van de politie is. De Algemene Rekenkamer stelt kort daarop dat de vastgoedportefeuille niet goed wordt beheerd en er aanzienlijke financiële risico’s zijn. De minister blijft ondertussen roepen dat ‘de nationale politie op koers ligt’.

Dit voorbeeld is kenmerkend voor de gang van zaken rond deze enorme reorganisatie. Opstelten had, is het gezegde op het departement, drie doelen: de nationale politie, de nationale politie én de nationale politie. Die doelen werden bereikt ‘onder een dwingend gezag en een activistische minister die niet van gedetailleerde blauwdrukken houdt’, schrijven onderzoekers Frits Vlek en Piet van Reenen in hun inleiding van de bundel Voer voor kwartiermakers, in 2013 uitgebracht door Politie en Wetenschap.

En zo kan het gebeuren dat Ard van der Steur, de opvolger van Ivo Opstelten, tijdens een debat in 2015 de extra huisvestingskosten (en personeelskosten) tussen neus en lippen door als een verrassing vermeldt en het parlement dat voor zoete koek slikt. Alsof de kosten zomaar als een konijn uit de hoge hoed kwamen, terwijl ze al in de risicoanalyse stonden. De huisvestingskosten zijn nog maar het begin. De komende jaren springen nog veel konijnen uit die hoed, en ze blijven maar komen.

Want de nationale politie is eind 2017 niet meer weg te denken uit het nieuws, en over het algemeen zijn de berichten niet positief. Er was een voorzitter, Frank Giltay, van de Centrale Ondernemingsraad (cor) die tienduizenden euro’s uit de cor-kas (zo’n 1,5 miljoen euro) spendeerde aan privé-etentjes, feesten en 198 flessen prosecco voor zijn vrouw. Er was een politiechef, Gerard Bouman, die nauwelijks toezicht op het budget van de cor hield omdat hij te druk was met het opzetten van een nieuwe organisatie: de nationale politie. Er was een onderzoek naar de cor dat stelde dat sprake was van nalatigheid, al handelde de politietop niet met opzet.

‘Er kan niet verwacht worden dat teamchefs voldoende feeling hebben met het wel en wee van individuele medewerkers’

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (wodc) zag tussen 2012 en 2016 een forse toename van het aantal integriteitsmeldingen bij de politie waar (allochtone) agenten vaker bij waren betrokken. Teamchefs, stelt het wodc, moeten sinds de invoering van de nationale politie leiding geven aan te grote groepen. Daardoor ontbreekt controle. ‘Er kan niet verwacht worden dat zij voldoende feeling hebben met het wel en wee van individuele medewerkers.’

Ondertussen meldt EenVandaag dat de nationale politie kritische agenten de ziektewet in duwt. Volgens de politiebonden acp en npb voert de organisatie duizenden juridische procedures tegen eigen medewerkers. En dit zijn slechts de headlines van de afgelopen weken. De huidige korpschef Erik Akerboom waarschuwde alvast in de Volkskrant: ‘Er komt nog meer aan.’

Steeds vaker valt de term ‘parlementaire enquête’ op te tekenen. In de gangen van het parlementsgebouw vallen de volksvertegenwoordigers van de ene ‘verbijstering’ in de andere. Het is echter wel dezelfde Tweede Kamer die in 2011 instemde met de nationale politie. Unaniem, zonder al te veel kritiek, en dat gebeurt zelden. In diezelfde Kamer zetelde ook het vvd-Kamerlid Ard van der Steur. Later, toen hij minister werd en de lijken uit de kast begonnen te vallen, moest hij ‘herijken’, dat is Haags jargon voor drastisch ingrijpen. Een ingreep die, zei hij tijdens een debat, zeer noodzakelijk was. ‘Is dat gek? Eigenlijk niet, want er was in Nederland nog nooit een reorganisatie geweest van deze omvang bij de politie.’

Toch werd deze reorganisatie er door Opstelten snel doorheen gedrukt – dankzij een vrijwel kritiekloze Tweede Kamer. Niemand stond op de rem. Sterker, er stonden seinen op oranje, alleen werden die genegeerd. Iedereen in de politiek wilde destijds een grote verandering en alles wat de komst van de nationale politie ook maar iets zou kunnen vertragen werd vakkundig weggepoetst.

De onafhankelijke commissie-Ruys, die onlangs onderzoek deed naar de buitensporige uitgaven van de cor, raakt het zijdelings aan. De minister en Tweede Kamer creëerden financiële (bezuinigingen) en tijdsdruk. ‘Aandacht voor financieel beheer en controle had geen prioriteit, niet op politiek noch op bestuurlijk niveau.’ De commissie drukt kabinet en parlement op het hart voortaan ‘bij ingrijpende structuurwijzigingen meer oog te hebben voor de consequenties voor de uitvoering’. Kortom, of de politiek iets meer naar de werkelijkheid wil kijken in het vervolg.

Terug naar 2010. Ook dan is er een stroom van negatieve berichten. Politieauto’s zijn verkeerd aanbesteed. Politiechefs declareren te veel. Er wordt te veel aan extern (duur) personeel besteed. De computersystemen zijn een ramp. Korpsen weigeren met elkaar samen te werken en de opsporing loopt daardoor vast. Agenten telefoneren nog met oude Nokia’s, terwijl iedere kruimeldief al een smartphone heeft. Het ziekteverzuim is hoog en agenten klagen steen en been over de bureaucratie waardoor ze nauwelijks nog de straat zien.

Hoeveel aangiftes zijn uiteindelijk in een groot zwart gat verdwenen? Het is simpelweg niet meer te achterhalen, stelt Het Expertise Centrum in een uiterst kritisch rapport over de ict-problemen van de politie in Noordoost-Nederland. Het systeem hapert en valt zelfs soms uit. Dat leidt tot spanningen en paniek onder agenten – vooral als duidelijk wordt dat een aangifte met pen en papier ook niet meer mogelijk is.

Het rapport steekt als een graat in de keel van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie, want er is meer kritiek. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid ontdekt dat de politie niet beschikt over betrouwbare informatie, en de toezichthouder noemt dit ‘niet acceptabel’. Het is een urgente boodschap die snel handelen vraagt. Toch worden beide onderzoeken ‘even’ onder op de stapel gelegd.

Het is mei 2010, een maand voor de verkiezingen, en tijdens de campagne spreken de politieke partijen vooral over de economische crisis die het land in de ban houdt. Op de sgp na pleiten alle partijen wel voor verandering bij de politie, maar in de (tv-)debatten komt dit niet aan de orde. Als er al wordt gesproken over de politie gaat het vooral over het traditionele ‘meer blauw op straat’, verder is de politie zeker geen groot verkiezingsthema en dat blijft ook zo zolang de explosieve rapporten niet openbaar worden. Ná de verkiezingen zullen ze pas voor het grote publiek te lezen zijn, aldus de notulen die in het bezit zijn van De Groene Amsterdammer.

Verkiezingsthema of niet, de top van oppositiepartij vvd is al wel druk bezig met een eventuele hervorming van de politie. Daar komt de liberaal Johan Remkes achter als hij definitief de knoop doorhakt. Hij, de parlementariër en politiek veteraan, wil niet meer op de kandidatenlijst als Tweede-Kamerlid. Het is tijd voor iets nieuws en met die boodschap begeeft hij zich naar zijn partijvoorzitter Ivo Opstelten. Wat volgt is een onderhoudend onderonsje tussen twee oude rotten van de vvd. Aan het einde van het gesprek spreekt Opstelten de woorden: ‘Ik heb me tot jouw opvatting bekeerd.’

Opstelten is, bekent hij, vurig voorstander van de nationale politie; een opmerkelijke bekentenis aangezien hij in 2006 als burgemeester van Rotterdam vurig actie voerde tégen de plannen van (destijds) minister Remkes, die in 2004 alle 26 politiekorpsen wilde omsmeden naar een landelijk functionerend apparaat. In het voorjaar van 2010 gaat Opstelten juist als missionaris voor een nationale politie de boer op zodat alle pionnen straks klaar staan – mocht de vvd na de verkiezingen in het kabinet komen.

Agenten telefoneren nog met oude Nokia’s, terwijl iedere kruimeldief al een smartphone heeft

De politie is in Nederland een lastig te doorgronden organisatie. Er zijn 25 regionale korpsen en één korps landelijke politiediensten. Politiechefs zijn verantwoordelijk voor wat er gebeurt in de regio’s, zij bepalen samen met de korpsbeheerder (burgemeester) en het Openbaar Ministerie het beleid. De samenwerking tussen al die eilandjes verloopt moeizaam; iedereen hanteert een eigen ict-systeem, er wordt nauwelijks met elkaar gecommuniceerd.

Opstelten kent de politie goed van binnenuit als oud-burgemeester, maar vooral ook als voormalig topambtenaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij de vorige reorganisatie bij de politie voorbereidde. Dat was in 1993, toen 148 gemeentekorpsen werden samengevoegd tot 25 regionale korpsen en een korps landelijke politiediensten (klpd). Ook toen had de politiek grote haast. De ambtenaren werkten met een tijdelijke wet en konden zo al aan de slag terwijl het parlement nog met de echte politiewet moest instemmen. Het bestuurlijke voordeel: het werd ingewikkeld voor een Kamerlid om ‘nee’ te stemmen, want feitelijk was de reorganisatie al begonnen. Vertraging met een nee-stem zou al snel leiden tot personele onrust.

De drastische verandering bij de politie had, net als nu, plaats in recordtempo. Dat wilde de politiek nu eenmaal zo. Het resultaat: onder meer veel onrust bij de agenten, veel spanningen tussen de korpsen en er kwam niet het gewenste ‘meer blauw’ op straat.

De discussie over de politie dook soms weer op, waarbij de term ‘nationaal’ steeds vaker viel. In 2005 onderzocht een onafhankelijke commissie (Leemhuis) de ‘versnippering’ bij de politie. De korpsen moesten niet langer die zelfstandige koninkrijkjes vormen. Maar Leemhuis was geen voorstander van een nationale politie.

Small agentblikjev1 1

Niettemin presenteerden ministers Piet Hein Donner (Justitie) en Johan Remkes (Binnenlandse Zaken) in 2006, op de valreep van het kabinet-Balkenende III, een wet die de nationale politie mogelijk zou maken.

‘De regiopolitie uit de jaren negentig was nog steeds niet op orde’, blikt Remkes terug. ‘Korpsen werkten niet samen en hadden allemaal een eigen systeem; ondertussen werd de ict een steeds groter probleem. Bij internationale zaken was het vaak onduidelijk voor de collega’s uit het buitenland bij wie ze nou aan moesten kloppen, waar de informatie te vinden was.’ Er speelde nog iets, constateerde de commissie-Leemhuis in het rapport uit 2005: de korpsbeheerders hadden te veel macht naar zich toe getrokken. ‘Er is sprake van koninkrijkjes.’

Een van die korpsbeheerders was Ivo Opstelten, en als burgemeester van Rotterdam was hij fel gekant tegen de nationale politie van zijn partijgenoot Remkes. In een lang interview met Vrij Nederland zei hij daarover: ‘Daar ben ik razend om. Dat vind ik zo’n slecht verhaal. Het deugt van geen kant. Ik sta met Remkes op voet van oorlog op dit punt. Ik heb hem gezegd: Johan, ik zal niks nalaten om je hierop te laten struikelen. Ik zal alles uit de kast halen.’

Zijn grootste bezwaar was dat de politie haar lokale wortels zou verliezen in zo’n plan, er zou te veel macht naar het ministerie, naar Den Haag gaan. ‘De kern is: veiligheidsbeleid is in de eerste plaats lokaal beleid.’ En verder: ‘Als burgemeester moet je de politie mee hebben. Dat lukt alleen als je niet alleen het formele gezag over de politie hebt, maar ook over de middelen gaat.’

Opstelten hoefde uiteindelijk geen oorlogsmaterieel uit de kast te halen. Balkenende III (cda, vvd en d66) viel, en in het nieuwe kabinet (cda, pvda en ChristenUnie) werd de wet van Remkes in de koelkast gezet. ‘De nationale politie was voor de pvda geen optie’, herinnert de oud-minister zich. Hij zag zijn plan ‘dood voor de deur’ vallen.

Maar in 2010 is de nationale politie springlevend. Opstelten, voorzitter van de vvd en waarnemend burgemeester van Tilburg, heeft inmiddels een volstrekt andere gedachte over de nationale politie. In mei, vlak voor verkiezingen, bekent hij dat hij vóór de nationale politie is. En dan vooral als hij praat over het beheer, zeg maar de inkoop van auto’s, het regelen van salarissen of het runnen van ict-systemen. Het ‘slechte verhaal’ van Johan Remkes is ineens de opinie van Opstelten geworden.

‘Het is veel te veel gericht op de metafoor. Alsof je met zo’n veiligheidsdepartement een veilige samen­leving hebt’

Opstelten is uiterst vriendelijk als De Groene hem belt. Hij staat in de metro, op weg naar fitness, maar later bellen heeft geen zin. ‘Ik wil niemand, zeker niet mijn opvolger, voor de voeten lopen.’ Vlak voordat hij ophangt zegt hij: ‘Maar met die nationale politie is echt niets mis. Misschien is hij iets te laat gekomen.’

Waarom toch die ommezwaai? Hij veranderde van gedachten toen hij waarnemend burgemeester in Tilburg werd, een stad die harder moest vechten dan Rotterdam om zaken bij de politie voor elkaar te krijgen. ‘Bij de vergaderingen van de korpsbeheerders werd er steeds over de politieke inhoud gesproken, maar ik wilde het hebben over de ict-problemen.’ Bovendien is de wereld veranderd. ‘Kijk maar naar de internationale situatie: terrorisme, drugshandel, maar ook de liquidaties – dat moet je landelijk kunnen coördineren.’

Vlak voordat hij echt ophangt, drukt hij ons nogmaals op het hart. ‘Ik moet er echt niet aan denken dat er geen nationale politie was.’

Wederom terug naar 2010, naar juni, wanneer de vvd de grootste partij van Nederland wordt. Opstelten is nog geen minister, maar tijdens de formatie al gaat hij alle politieke partijen langs met zijn pleidooi voor een nationale politie. Hij gaat stad en land af (bij bonden en andere belangenclubs), voordat het kabinet (van vvd, cda met gedoogsteun van de pvv) wordt beëdigd.

Begin december, twee maanden nadat hij is aangetreden als minister van Veiligheid en Justitie, komt hij naar het korpsbeheerdersberaad en vertelt dat het voorstel voor de nationale politie nog vóór de Kerst naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Nieuw is het plan niet. Het is de afgestofte versie van het voorstel van een oude politiewet – die van Donner en Remkes.

Toch is het afgestofte plan niet geheel in de geest van laatstgenoemde. Om te beginnen is de politie overgeheveld naar Justitie en daardoor is Veiligheid en Justitie ontstaan, een megaministerie waarvoor bijna honderdduizend mensen werken (van wie tweederde bij de politie). Zo’n fusie is al een kluif, maar daar kwam dus nog eens de reorganisatie van de nationale politie bij.

Remkes, inmiddels commissaris van de Koning in Noord-Holland, is sowieso tegen het megaministerie: ‘Het is allemaal veel te veel gericht op de metafoor. Alsof je met zo’n veiligheidsdepartement meteen een veilige samenleving hebt. Zo werkt het natuurlijk niet.’ Reorganisaties, zegt Remkes, kosten nu eenmaal veel tijd. ‘Al in de voorbereiding moet je alle voors en tegens tegen elkaar afwegen, en daar schort het nogal eens aan. Ook niet slim was dat de nationale politie is ingeboekt als bezuiniging. En Opstelten heeft de neiging een tikkeltje te snel te willen lopen.’

Opstelten heeft zichtbaar haast. ‘Tempo’ is zijn mantra in het parlement en hij lijkt al snel de Tweede-Kamerleden voor zich te winnen. Die willen wel met De Groene praten, maar zodra het spannend wordt of ze iets meer op zichzelf moeten reflecteren, zeggen ze ‘off the record’. Uit de gesprekken die we voerden komt een tandeloos parlement naar voren. De parlementariërs zitten al jaren met de politie in de maag. Het gaat niet goed, niet met de korpsen die slecht samenwerken, en ook niet met het oplossingspercentage.

In Den Haag, zowel op bestuurlijk als parlementair niveau, groeit al jaren de ergernis over de korpsbeheerders: de burgemeesters die steeds maar weer Haagse plannen (de bonnenquota of het verbod op paddo’s) torpederen. In de eigen vergaderingen spreken de korpsbeheerders, volgens de geheime notulen, hun zorgen uit over de sfeer, alsof zij alleen verantwoordelijk zijn voor alle problemen. ‘De Tweede Kamer werkt via de media mee aan de beeldvorming.’

Maar het parlement valt ook voor de charmes van Opstelten. Na zijn onvermurwbare voorganger, politieminister Guusje ter Horst (pvda), die geregeld met de Tweede Kamer in de clinch lag, dompelt Opstelten vriend en vijand in een warm bad van complimenten. ‘Ik vind het een buitengewoon sympathiek voorstel’, roept hij geregeld als Kamerleden met ideeën komen, zoals het waarborgen van lokale prioriteiten, het afhandelen van klachten of de inzet van extra wijkagenten. ‘Dat gaan we regelen.’ Hij paait hier en belooft daar, en ja, soms leidt dat tot hoofdschuddende ambtenaren – want die weten dat lang niet alles zo makkelijk is te regelen. Binnen het departement is bekend dat Opstelten gruwt van het pvv-idee voor de invoering van animal cops, maar in de buitenwereld omarmt hij vol liefde het plan uit het gedoogakkoord.

De Tweede Kamer vergadert één dag over de ingewikkelde Politiewet 2012. Over een van de grootste ambtelijke reorganisaties sinds de Tweede Wereldoorlog wordt in een klein zaaltje gesproken, niet eens in de mediagenieke grote vergaderzaal. Opstelten belooft het een en ander, en de Kamerleden stemmen voor. Unaniem. Het is 6 december 2011. De Eerste Kamer moet nog stemmen, maar op het departement wordt ervan uitgegaan dat de nationale politie in januari 2012 begint; er ligt geen plan B.

Bonnenquota? Verdwijnen als de nationale politie komt. De georganiseerde misdaad in Brabant? Wordt aangepakt

De burgemeesters blijven, in tegenstelling tot de Tweede Kamer, grote problemen zien. ‘Het tempo mag niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid’, merkt Ahmed Aboutaleb (Rotterdam) tijdens het korpsbeheerdersberaad op. Rob van Gijzel (Eindhoven) hekelt de verdeling van agenten en merkt op dat ‘de veiligheid van de bewoners van de grote steden boven de bewoners van kleine steden gaat’. Het grootste struikelblok is het gezag – wie bepaalt hoeveel camera’s in een winkelstraat hangen? Dat gezag gaat steeds meer naar Den Haag. Eberhard van der Laan (Amsterdam) vraagt zich af welk probleem nu eigenlijk wordt opgelost.

Small agentcabrio

Nou, volgens Opstelten wordt elk probleem opgelost. De bonnenquota? Verdwijnen als de nationale politie komt. De georganiseerde misdaad in Brabant? Wordt aangepakt door de nationale politie. Veel minder bureaucratie? Een vanzelfsprekend voordeel van de nationale politie. ict-problemen? Die zijn er niet meer met de nationale politie. Continu verkoopt de minister de nationale politie als een wondermiddel.

Over de nadelen spreekt hij nauwelijks. De Raad van State is vernietigend en maakt zich zorgen over de checks and balances van het plan. Het beheer en het gezag gaan naar één hand: Den Haag. Maar ook Harm Brouwer, voorzitter van het college van procureurs-generaal, ondertekende, samen met de korpsbeheerders, een zeer kritische brief aan de minister. De politie moet dicht bij de burger blijven, is de boodschap, en bij de nationale politie zijn juist de lokale prioriteiten onvoldoende beschermd. Ook hij uit zorgen over de snelheid. ‘De politieman en de burger mogen geen last hebben van de verbouwing van het huis van de politie.’

Onrust is er al lang. Bijvoorbeeld over het functiehuis, waarbij de duizenden functies die de politie kent teruggebracht moeten worden naar enkele tientallen. Overigens gaat het departement er voor het gemak vanuit dat dit geen geld kost, maar de achtergehouden financiële risicoanalyse laat zien dat zo’n nieuw functiesysteem zeker vijftien miljoen euro kost. Er is gedoe over de cao, vooral over de pensioenregeling die minstens 869 miljoen euro kost. Die discussie wordt echter op de lange baan geschoven.

Het is de Senaat die aan de noodrem trekt. Zij regelt een hoorzitting en schriftelijke vragenrondes. De grootste zorgen: het lokale gezag, de landelijke korpschef had te veel macht. ‘Onomkeerbare stappen’ zijn er niet genomen, bezweert Opstelten. Maar die chef was er al in de persoon van Gerard Bouman, hij geeft leiding aan het nationale korps, dat uit tien eenheden bestaat. Om de Senaat te paaien, beperkt Opstelten, zonder met hem te overleggen, zijn macht – de korpschef zal bijvoorbeeld niet langer gaan over de verdeling van agenten en het opstellen van de begroting. Door de Senaat loopt de wet maanden vertraging op.

De minister wijzigt zijn wet op elf punten, de Senaat gaat in juli morrend overstag. Bijna unaniem klinkt kritiek op de Tweede Kamer, die zo snel akkoord is gegaan. Zelfs de eigen vvd zegt bij monde van senator Menno Knip dat de behandeling van deze wet ‘gerust kan worden betiteld als een worsteling’. Eerste-Kamerlid Thom de Graaf (d66) zegt als we hem bellen: ‘Ik heb met een enorme knoop in mijn maag ingestemd.’ Maar die trein, die reed al. ‘Daar viel weinig tegen te doen.’ Precies zoals de reorganisatie verliep in de jaren negentig.

De nationale politie begint exact op 1 januari 2013. De problemen worden ook meteen zichtbaar. In juli rept de Inspectie Veiligheid en Justitie al over een toename van bureaucratie. Een regionale politiechef zegt: ‘De politie is overambitieus, men neemt te veel onderwerpen tegelijk. Het mag best een tandje minder.’ Een half jaar later stelt de Inspectie voor het rustiger aan te doen. Door de snelle reorganisatie en de ambitieuze agenda van de minister ‘zijn twee werkelijkheden ontstaan’.

Volgens de controleur is er ‘een sterke fixatie’ op het zetten van vinkjes. Nog steeds is er onvoldoende bereidheid tot samenwerking binnen de eenheden. Zo hanteren ze eigen methodes om aangiften op te nemen, overigens meestal nog met pen en papier. Eind 2014 concludeert de Inspectie dat ‘de personeelssystemen een zooitje zijn’. Kort daarop blijkt uit een onderzoek dat vier eenheden financiële tekorten hebben – daarnaast zijn er onvoldoende wijkagenten.

De Algemene Rekenkamer signaleert meerdere malen structurele financiële problemen en meldt dat de ict nu stabiel is – maar dat er niet in de toekomst is geïnvesteerd en dat kan weer problemen opleveren. Het is kortom pappen en nathouden. Het parlement vraagt wel, maar bijt niet. Tijdens een evaluatie in de Kamer in 2015 is Peter Oskam van het cda gefrustreerd over het teleurstellende aantal wijkagenten: ‘Er zijn heel vaak cijfers tot ons gekomen die een beetje gemanipuleerd waren.’ Gert-Jan Seegers (ChristenUnie) vraagt zich af of de minister het parlement wel goed heeft ingelicht over de financiën. Het blijft bij een vraag.

‘Ik belde naar de voorzitter van de cor’, zegt een volksvertegenwoordiger nu, twee jaar later. ‘En die zei dat het goed ging.’ Een ander: ‘We mochten van de minister geen contact opnemen met de korpschef Bouman.’ Dit willen ze niet on the record zeggen, want dit laat ook hun ongemak zien. Het ongemak van een Kamerlid dat zich gevleid voelde door de vele beloften van een minister. Het ongemak van een parlementariër die niet de vinger aan de pols hield. Want alleen al de beloofde cultuurverandering sneuvelde meteen met de benoeming van Bouman – iemand die gold als een mastodont in de politietop.

Het ongemak was duidelijk zichtbaar tijdens het debat afgelopen september over de buitensporige geldverkwisting van bestuursvoorzitter Giltay van de ondernemingsraad. Er was een uitgesproken ongemak over het onverwachte overlijden van Bouman, een van de hoofdrolspelers vlak voor het verschijnen van het rapport. Maar er was ook het stille ongemak.

Er werd gesproken over ‘een onverantwoord tempo’ en ‘zwarte bladzijden’. Stef Blok, de huidige minister van Veiligheid en Justitie, erkende dat ‘mijn ministerie scherper op de financiële aspecten had moeten zitten’. Een boodschap die accountants jaren geleden al gaven, maar die door het departement in de wind werd geslagen. Een reorganisatie, zei Blok, moet nu eenmaal ambitieus zijn. En ja, veel is niet op orde, zei hij ook. ‘Ik heb ook successen kunnen vertellen over bijvoorbeeld die mooie iPhones.’ Eind 2017 zijn alle Nokia’s verdwenen en heeft elke agent een smartphone.


Deze reconstructie is mede tot stand gekomen met steun uit Fonds 1877