Het gevaar van gevestigde journalistiek

De diepe slaap van een gevestigde mening

Een horde sportjournalisten pleegde karaktermoord op bondscoach Advocaat. Dat bewijst opnieuw dat de journalistiek zichzelf dringend de vraag moet stellen of persvrijheid, als specifieke uitingsvorm van het recht op vrije meningsuiting, een ongeclausuleerd recht is. En of een journalist met een beroep op dat recht alles kan zeggen wat hij wil, ongeacht de gevolgen.

Sir Walter Scott, een Schotse romanschrijver en dichter uit de eerste helft van de negentiende eeuw, was behalve auteur van Ivanhoe ook een scherp waarnemer van zijn tijd, die hij in krachtige typeringen schetste. Eén van die typeringen, bijna tweehonderd jaar oud, trof mij als een actuele metafoor van mijn persoonlijk onbehagen over mijn eigen vak, de journalistiek: «Beroofd van zijn geloof maar doodsbenauwd voor twijfel.»

De journalistiek berooft zichzelf van geloof in eigen zaak, als zij haar vakmatigheid en beroepsernst laat versloffen en zich afkerig toont van vragen over de ethiek van het vak. Zij is ook doodsbenauwd voor twijfel, over zichzelf. Zij lijkt te verkeren in «de diepe slaap van de gevestigde mening», in de woorden van een andere negentiende-eeuwse schrijver. Ik zie weinig andere verklaringen voor het fenomeen dat critici van de journalistieke praktijk zo dikwijls direct de mond wordt gesnoerd met de dooddoener dat zij de vrijheid van meningsuiting in gevaar brengen, of dat de journalistiek slechts de boodschapper is en daarom niet mag worden gestraft.

Er is alle reden om ons af te vragen of het zelfkritisch en zelfcorrigerend vermogen van de journalistiek voldoende is ontwikkeld. Mijn onbehagen over mijn vak gaat meer in het bijzonder over de vraag of wij, journalisten, ons voldoende bewust zijn van de macht die wij met pen en camera hebben. En daarmee van de verantwoordelijkheid die op onze schouders rust, om bij alles wat we schrijven of uitzenden zorgvuldigheid te betrachten. Wij kunnen reputaties maken of breken, en beschikken daarmee over het lot van mensen. Dat doet een beroep op onze vakmatigheid, die inhoudt dat we het hoofd koel houden en de emoties van de dag weerstaan, de feiten van de waan scheiden, afstand bewaren en bovenal niet op de man spelen.

Een recent voorbeeld uit de praktijk laat zien dat deze beroepsernst helaas niet altijd de vanzelfsprekende attitude van vakgenoten is. Ik doel op de karaktermoord die een horde sportjournalisten, in de opwinding van het moment, pleegde op bondscoach Advocaat, vanwege de wissel van Robben. Hun rol in die kwestie was tegengesteld aan de functie die zij hadden moeten vervullen. In plaats van feiten te registreren, deden zij een bijna beangstigende poging emoties te regisseren, en op te zwepen tot hysterie.

Sportjournalist Hugo Borst publiceerde zonder omwegen anonieme sms’jes die lezers hem stuurden, met teksten als: «Het abattoir gaat open», «Naar welk hotel kan ik mijn geweer opsturen? Dan handel jij de rest wel af, hoop ik?», «Aan Bin Laden uitleveren. Fuckin’ Dick. Landverraad. Maak hem af.» Ik mag toch hopen dat de hoofdredactie van zijn krant, het Algemeen Dagblad, als haar wordt gevraagd naar haar verantwoordelijkheid voor deze publicatie, zich niet zal verschuilen achter de gemeenplaats: «Columnistenvrijheid».

Laat ik niet generaliseren. Ik heb bewondering voor collega’s die in deze gekte het hoofd koel hielden en het feit meldden dat een wissel als de gewraakte in het topvoetbal van tegenwoordig gebruikelijk is.

De vraag die journalisten zich moeten stellen is of persvrijheid, als specifieke uitingsvorm van het recht op vrije meningsuiting, een ongeclausuleerd recht is. Kan een journalist met een beroep op dat recht alles zeggen wat hij wil, ongeacht de gevolgen? Ontslaat dat recht hem van elke verantwoordelijkheid? En ook van de plicht zich af te vragen wat hij teweeg kan brengen?

De vrijheid van meningsuiting is een kostbare, maar ook kwetsbare verworvenheid, waarmee we niet achteloos mogen omgaan. Generaties voor ons hebben haar ten langen leste bevochten, op absolutistische regimes en monarchen met te veel eigendunk, zoals Willem I, die zich na het herstel van de macht van de Oranjes in de eerste helft van de negentiende eeuw nog beklaagde over «krantengeschrijf». Hij vond dat een maatschappelijk kwaad waaruit bleek dat zijn onderdanen het beter dachten te weten dan hij, wat natuurlijk onbestaanbaar was.

Aan ons is nu de opdracht gewetensvol van dat verworven recht gebruik te maken, juist om het te beschermen tegen onverhoedse aanvallen van machthebbers die in misbruik hun kans schoon zien om hun onwelgevallige journalistiek in de ban te doen. Journalisten hebben het mede zelf in de hand of zij dat risico over zich afroepen. De «open brief» van premier Balkenende over de mediahetze tegen de bondscoach laat zien dat dit risico niet denkbeeldig is.

Van onzorgvuldig gebruik van het recht op vrije meningsuiting is naar mijn oordeel sprake als een journalist dat recht aanroept als enig verweer tegen inhoudelijke kritiek op zijn werk. Dan fungeert het als dooddoener, een gemakzuchtige manier om aan discussie met die criticus te ontkomen.

Dit is geen theoretisch geval. Het verbaast mij hoe vaak het recht op vrije meningsuiting in stelling wordt gebracht tegen de kritiek die minister Donner bij herhaling op de media heeft geuit. Hoe vaak Donner ook herhaalt dat hij dat recht geenszins ter discussie wil stellen en dat het hem louter gaat om de verantwoordelijkheden die met dat recht samengaan, het maakt niks uit. Hoewel hij de eerste keer zijn pijlen richtte op satire en niet op journalistiek, was ook bij veel journalisten het huis te klein toen Donner zich afvroeg of de maker van het BNN-programma Egoland zich realiseerde wat hij aanrichtte door een poppetje van prins Willem-Alexander de Hitlergroet te laten brengen. Elk vrijheidsrecht brengt ook een verantwoordelijkheid met zich mee voor de wijze waarop men ermee omgaat, betoogde Donner. De maker van Egoland miskende volgens hem die verantwoordelijkheid, door over de Hitlergroet die BNN de kroonprins liet brengen slechts op te merken: «Alles moet kunnen.»

Jan Blokker gaf de man gelijk. In Donner zag hij een «gereïncarneerde dominee Wauwelaar» die «geniepiger opereerde dan Joseph Goebbels». Dat waren al zijn argumenten. Op de man gespeeld, cynisch, zo hard mogelijk maar wel leuk geformuleerd, en prettig voor de lezers die graag worden bevestigd in hun idee dat Donner niet deugt. Maar wel een stukje dat getuigde van de «diepe slaap van een gevestigde mening».

Ik ontleen die typering aan een boek uit 1859, Over vrijheid, van John Stuart Mill, een van de grondleggers van het moderne liberalisme. Hoewel bijna 150 jaar oud is dat boek nog altijd hyperactueel als hartstochtelijk pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting. Een onverbiddelijke aanrader voor wie zich wil verdiepen in de grote waarde van dit vrijheidsrecht, én in de verantwoordelijkheden die iemand op zich neemt als hij van dat recht gebruik maakt. Stuart Mill maakt, in bloemrijke taal, concreet wat Donner bedoelt als hij oproept tot een bewustwording van die verantwoordelijkheden.

Niet alleen extreme publicisten als Borst of Blokker zouden die oproep ter harte moeten nemen. Het kan volgens mij geen kwaad als journalisten ook in de alledaagse afwegingen die zij maken de ethische dilemma’s van hun keuzes betrekken. Om een voorbeeld te noemen: was de nieuwswaarde van het bericht dat de staat losgeld heeft betaald voor Arjan Erkel de gevolgen die de publicatie van dat nieuws kan hebben waard? Ik kan die kwestie onvoldoende overzien om hier «ja» of «nee» op die vraag te antwoorden. Waar ik nieuwsgierig naar ben, is of de collega’s die het nieuws brachten zich deze vraag in het geheel wel hebben gesteld.

Kern van Stuart Mills betoog is dat de vrijheid van meningsuiting een onmisbaar middel is om wijs te worden. Dankzij dit recht kunnen we kennis nemen van alles wat anderen tegen onze eigen zienswijze kunnen inbrengen. Dat is een noodzakelijke voorwaarde voor het vergaren van kennis. Iemand die alleen de eigen kant van de zaak kent, weet daar weinig van. Daarom moeten we, op zoek naar de waarheid, het pleidooi van onze tegenstanders altijd met zo mogelijk nog grotere aandacht bestuderen dan ons eigen.

Stuart Mill schreef: «De kracht van het menselijk oordeel hangt af van die ene eigenschap dat het rechtgezet kan worden wanneer het dwaalt. Hoe komt het dat iemands oordeel werkelijk vertrouwen verdient? Omdat hij zijn geest heeft opengesteld voor kritiek op zijn opvattingen en gedrag. Omdat het zijn gewoonte is geweest om te luisteren naar alles wat tegen hem kon worden ingebracht. Omdat hij zijn voordeel trekt uit alles wat daarvan juist was, en zichzelf, en bij gelegenheid ook anderen, duidelijk maakt waarin zijn fouten lagen.

Hij heeft ingezien dat er maar één manier is waarop een mens bij benadering alles te weten kan komen wat er over een onderwerp te weten valt. Dat is door te luisteren naar wat er door mensen van allerlei opvatting over gezegd kan worden, en door alle manieren te bestuderen waarop mensen van uiteenlopende geestesgesteldheid het kunnen opvatten. Anders dan langs deze weg is niemand wijs geworden.»

Op deze manier, betoogt Stuart Mill, hebben we ons met de vrijheid van meningsuiting gewapend tegen de begrijpelijke menselijke zwakheid bij onszelf geen twijfel toe te laten aan ons eigen standpunt. Mill: «Het is spijtig voor het gezonde verstand van de mensheid, maar men kent de feilbaarheid van zijn oordeel in de praktijk veel minder gewicht toe dan in theorie.» In dat licht bezien is het vermijden van discussie over argumenten en tegenargumenten, of zelfs het stilleggen van dat debat door tegenstanders met gemeenplaatsen en dooddoeners de mond te snoeren, niets anders dan de aanmatiging van onfeilbaarheid. «Als men weigert naar een opvatting te luisteren omdat men ervan overtuigd is dat zij niet waar is, betekent dit dat men de eigen zekerheid gelijk stelt met absolute zekerheid.»

En juist in de strijd dáártegen hebben onze voorvaders het recht van vrije meningsuiting bevochten op absolute vorsten en andere machtigen die gewend waren onbegrensde eerbied te ontvangen. Het zal dus geen toeval zijn dat Stuart Mill dit hoofdstuk in Over vrijheid begint met de vaststelling dat persvrijheid een garantie is tegen een corrupt of tiranniek bestuur.

Deze kostbare erfenis is nu in handen van journalisten. Ik keer terug bij mijn uitgangspunt dat deze wetenschap een klemmend beroep doet op onze verantwoordelijkheid. Dat geldt des te meer omdat wij, als een van de weinige beroepsgroepen die kunnen beschikken over het lot van mensen, géén controlerend en corrigerend orgaan boven ons hebben staan met de bevoegdheid dwingende uitspraken te doen. Artsen, advocaten, zij kunnen allemaal voor hun eigen tuchtrechter worden gedaagd. De laatste poging voor journalisten tuchtrechtspraak en een beroepsregister in te voeren, door middel van een «Wet op de journalistieke verantwoordelijkheid», is in de jaren vijftig gestrand.

Willen we voorkomen dat het idee om ons van bovenaf te controleren opnieuw opkomt, dan moeten we niet wegkijken van de vragen over de ethiek van de journalistiek maar ze beargumenteerd beantwoorden. John Stuart Mill heeft ons laten zien dat wijzelf van die antwoorden ook weer wat kunnen opsteken.

Wat dat betreft kunnen we een voorbeeld nemen aan de rooms-katholieke kerk. Zelfs bij een proces van heiligverklaring laat deze kerk nog de advocatus diaboli, de advocaat van de duivel toe, en luistert zij met aandacht naar hem, om alles te weten te komen wat de te verlenen heiligheid mogelijk kan weerspreken. Dat is toch een verrassende conclusie. Dat een journalist van een krant met protestantse wortels de rooms-katholieke kerk als voorbeeld stelt. Het moet niet veel gekker worden.

Het is al gek genoeg met een premier die een open brief aan een stamgast van Barend en Van Dorp schrijft. Uit de verontrustende actie van Balkenende blijkt dat we op onze hoede moeten zijn voor een bemoeizuchtige regering die door haar voorganger uit de jaren vijftig op het idee wordt gebracht om een «Wet op de journalistieke verantwoordelijkheid» in te dienen. De vrijheid van het woord impliceert ook een afbakening van de bevoegdheden van de regering. Balkenende heeft die grens overschreden, nu hij zich aan een inhoudelijke beoordeling waagt over de woordkeuze en de intenties van een columnist. De regering moet zich daarmee niet willen bemoeien. Het vrije woord is óók in haar belang, om te voorkomen dat zij in de diepe slaap van de gevestigde mening wegdommelt. Daar hebben politici toch al een handje van.