De digitale bosgod beeldende kunst

Al jaren rommelt het in het kunstonderwijs. De opleidingen worden verkort, tweedefase-opleidingen ingesteld, vervolgens weer met opheffing of fusie bedreigd, en nu gaan er weer stemmen op om de studieduur in bepaalde gevallen te verlengen. En dan is er de voortdurende discussie of er te veel of juist te weinig, te algemene dan wel te gespecialiseerde opleidingen bestaan. De basis van deze discussie is een theoretisch vraagstuk: hoe gaat de kunst zich ontwikkelen in de volgende eeuw?

Nieuwe media. Dat is het begrip waar alles om draait. Boeman of bosgod? Bevrijder of tiran? Men komt er niet uit. Duidelijk lijkt wel dat de nieuwe media de belangrijkste katalysator zijn van een radicale verandering waarvan het eindresultaat nog slechts een schim is.
De academie Minerva in Groningen bestaat in 1998 tweehonderd jaar. Reden om terug te blikken, maar vooral ook vooruit. En dus organiseert zij een ambitieus congres over ‘Inhoud en belang van de kunstacademie in de 21ste eeuw’. Het mes van snijdt aan twee kanten. Enerzijds is het congres een leerzame gedachtenuitwisseling over zo goed mogelijk kunstonderwijs. Anderzijds is het een vrijwel zekere vrijwaring van opheffing, want wie de staatssecretaris van Cultuur op zijn congres als spreker heeft en met hem meedenkt over de toekomst, zal toch niet door diezelfde beleidsman worden geschrapt? Minerva zit, zeker de komende vier jaar, geramd.
Wie alvast een voorproefje wil van wat er zoal verkondigd zal worden, kan sinds oktober op de Internet-site van Minerva een digitale discussie volgen. Die discussie is bedroevend. Theoretici als Katalin Herzog, Paul Perry, Arjan Mulder en Ineke Schwartz schrijven veel, maar zeggen weinig. Ze weten eenvoudig niet hoe de toekomst van de kunst en het kunstonderwijs eruit zal gaan zien.
Het aangezicht van de twintigste- eeuwse kunst werd voor een belangrijk deel bepaald door politieke idealen. Dat is de reden dat theoretici zo'n grote invloed hadden op die ontwikkeling. Voor de eenentwintigste eeuw ontbreekt een politiek ideaal. Het ziet er nu naar uit dat het een eeuw van compromissen, de derde weg, kortom go with the flow zal worden. Dit eenmaal gesignaleerd, hebben de theoretici zichzelf buitenspel geplaatst. Dat zal wel de reden zijn dat er op de digitale conferentie zo weinig frisse ideeën en zo veel geleuter en herhalingen zijn te lezen.
Van wat ik heb gelezen is alleen het verhaal van Douglas Rushkof lezenswaard, maar die laat de kwestie kunstonderwijs dan ook goeddeels links liggen en richt zich voornamelijk op de visuele en determinerende psyche van de ScreenAgers: (Amerikaanse) jongeren van nu die de hele dag voor de televisie en de computer zitten en niet meer in de macht van het medium geloven. In deze groep dient men de kunstenaars van morgen te zoeken.
Verder wordt er weinig gefantaseerd. De nieuwe media zijn de nieuwe bosgod: een grillige heerser over de toekomst die door gissende, in een woud van digitale mogelijkheden verdwaalde would be-sjamanen met veel orakeltaal aanbeden wordt. Met veel angst en weinig visie.
Duidelijk is wel dat de kunstacademie, die haar oorsprong heeft in de achttiende eeuw, haar langste tijd heeft gehad. De hiërarchie waarop zij gebaseerd was, is vervaagd. Dé kunstwereld bestaat niet meer. In de zestiende eeuw was een academie een plek waar kunstenaars bij elkaar kwamen. Om kennis uit te wisselen, werk te tonen, enzovoort. Mijn vermoeden is dat de eenentwintigste eeuw, wat de kunstacademies betreft, wel eens heel sterk op de zestiende zou kunnen gaan lijken.