Nieuwe media veranderen de stad

De digitale stedeling

In deze tijd van netwerkindividualisme is het karakter van de stad veranderd. En de omvang ervan: ze heeft de maat van een telefoonscherm. Socia­le media helpen ons om in de chaos van de stad gelijk­gestemden te ­vinden.

In haar boek Death and Life of Great American Cities beschrijft de Amerikaanse stads­chroniqueur en activiste Jane Jacobs hoe essentieel het voor een stad is dat er mensen op straat zijn. ‘Word does not move around where public characters and sidewalk life are lacking’, schreef ze. Het was toen 1961, nu is het 2013. Er is wel wat veranderd – en ook weer niet. Steden hebben nog steeds mensen op straat nodig – maar we ontmoeten elkaar minstens even vaak virtueel. Dankzij internet en de smartphone is de stad interactief geworden. Word does move around, maar vaker nog in digitale dan in fysieke vorm. Je ‘spreekt’ véél meer mensen via e-mail, Facebook, Twitter en LinkedIn dan je ooit in levenden lijve zou kunnen ontmoeten – je kent ze niet eens allemaal persoonlijk.

‘Ons denken over publieke ruimte is nog steeds gebaseerd op het Parijs van 1880, met pleinen waar de interactie plaatsvindt en daar keurig omheen de woonwijken’, zegt Martijn de Waal, mede-oprichter van The Mobile City en auteur van het binnenkort te verschijnen boek De stad als interface: Hoe nieuwe media de stad veranderen. ‘Natuurlijk ontmoeten we elkaar nog steeds face to face, maar zeker jonge mensen onderhouden doorlopend contact met hun vrienden langs digitale weg.’ Niet voor niets zien zoveel jongeren zich geconfronteerd met schulden voor hun mobiele telefoon.

Steden bestaan bij de gratie van handel en ontmoetingen, en met de opkomst van het digitale domein is het leven in de stad op beide gebieden totaal veranderd. We hebben altijd een plattegrond op zak en hoeven nooit meer te verdwalen. De stad wordt teruggebracht tot de maat van het scherm. De sociale media ‘helpen’ ons om in de chaos van de stad gelijkgestemden te vinden – en dat helpen is tevens het businessmodel. We verbinden ons met allerlei mensen rond een gedeeld thema, of een gezamenlijk belang, zonder dat we elkaar allemaal persoonlijk kennen – dat komt daarna wel, of ook niet.

En we delen van alles: kennis, data, diensten, spullen. We maken samen via een Linked­In-groep of een Facebook-pagina een vuist bij de gemeente tegen iets waar we boos over zijn, of voeren juist actie vóór iets. Onze actieradius wordt door internet enorm vergroot doordat we niet langer afhankelijk zijn van de kring van bekenden. We zoeken een oppas in de buurt via Oppassen.nl en lenen gereedschap in de buurt via Peerby.nl. ‘Ik kom uit een dorp waar iedereen elkaar kende en van alles bij elkaar kon lenen’, zegt Martijn de Waal. ‘Daarvoor is de stad natuurlijk te groot, maar tegenwoordig regelen we dat op internet.’ We hoeven niet meer alles zelf te bezitten, het bezit wordt collectiever: wat ook collaborative consumption wordt genoemd.

Omdat je elkaar niet kent, is het systeem van beoordelingen belangrijk. Ben je betrouwbaar, breng je spullen op tijd en in goede staat terug. Het vertrouwen hebben we geoutsourced aan het web, en toch is er een ‘wij’-gevoel. ‘Wij geloven in “wij” en niet alleen maar “ik”’, aldus de initiatiefnemers van Peerby.nl op hun site. ‘Door mensen in contact te brengen en te laten delen proberen we een alternatief te bieden voor de wegwerpcultuur.’

Als je niet vaak een auto nodig hebt, dan huur je die van je buurman via Snappcar.nl, een startup die met deze vorm van digitale koppeling van vraag en aanbod in korte tijd veel succes heeft. ‘In 2011 wonnen we de New Venture Business Plan-competitie van McKinsey en Economische Zaken’, vertelt mede-oprichter Pascal Ontijd. ‘Met dat geld konden we in oktober 2011 live gaan. Inmiddels zit Snappcar in heel Nederland en werken we aan uitbreiding in Duitsland.’ De grootste hobbel, zegt hij, was de verzekering, die een paar uur tot en met een paar weken moest afdekken; uiteindelijk zag Centraal Beheer Achmea hier een innovatief product in. Inmiddels heeft zich ook een sponsor aangediend, Athlon Carlease, waarmee ze werken aan de mogelijkheid om lease-auto’s met collega’s te delen. ‘En vorige maand zijn we begonnen met SnappClubs, waarmee je je auto alleen aan bekenden uitleent.’ Je Facebook-vrienden bijvoorbeeld – die je misschien wel maar misschien ook niet persoonlijk kent.

Hebben al die virtuele verbanden het gemeenschapsgevoel vervangen, of zijn we nu juist beter aangesloten op allerlei communities? Zijn we oppervlakkiger geworteld, of juist dieper? ‘Deze urban media stellen ons voor de filosofische vraag hoe de stad als gemeenschap functioneert’, zegt De Waal. ‘Software is ook ideologie. De technologie is tot nu toe gericht op jou als individu: jouw interesses, jouw profiel, het vinden van gelijkgestemden.’ Dat mooie gladde platte toverdoosje in je broekzak of je handtas biedt toegang tot de wereld en sluit je tegelijkertijd op in een zogenaamde filter bubble. Al die likes en Foursquare check-ins leiden jou met soortgelijke anderen naar dezelfde cafés, feesten, winkels.

Dit noemt De Waal de libertaire gedachte. Daartegenover plaatst hij de republikeinse gedachte: de stad biedt je de vrijheid om je eigen levenswijze te kiezen, maar je hebt ook de plicht je in die stad tot anderen te verhouden. ‘De urban media kunnen beide visies stimuleren. In eerste instantie dragen ze bij aan verdere individualisering en liberalisering van de stedelijke samenleving. Hoe zal dat in de toekomst gaan, hoe zal de software worden ontwikkeld? Die kan ervoor zorgen dat we alleen mensen ontmoeten die net zo zijn als wij, of kan juist burgerschap en solidariteit bevorderen. Daarmee blazen ze ook nieuw leven in het klassieke republikeinse ideaal van de stad als open democratische “gemeenschap van vreemden”.’

Amsterdam-Noord was voor grafisch ontwerper Luc Harings meer vreemden dan gemeenschap toen hij er in 2000 ging wonen. ‘Ik was een van die mensen die zich gedeporteerd naar Noord voelde’, vertelt hij, ‘en ik was blij dat ik een goede bakker had gevonden. Maar die ging failliet en het duurde een tijdje tot iemand mij op een ander wees, bakker Isken. Heerlijk brood. Toen ik die had gevonden kwam ik thuis en dacht ik: waarom wist ik dat niet? En waarom kan ik dergelijke informatie nergens vinden?’ Zo werd het idee geboren voor Ilovenoord.nl, een site met ‘Alles in Noord waar je blij van wordt’ – weetjes, een agenda, architectuurwandelingen, kinderfestivals, en ook advertenties, en een sponsor. Harings vertelt: ‘Na drie maanden werkten er zes mensen mee, nu veertien. We werken veel samen met het stadsdeel, dat gaat goed. De insteek is positief, iemand klaagt over het zwerfvuil in het Vliegenbos? Dan organiseren wij een event om dat samen op te ruimen.’ Tot zijn eigen verbazing is hij behalve grafisch ontwerper nu een semi-professionele community organizer geworden. Zelfs het welvarende Rotterdamse stadsdeel Hilligersberg heeft zijn hulp ingeroepen om daar via het web een community op te zetten.

De nieuwe media veranderen de interactie in de stad, zorgen voor de totstandkoming van nieuwe soorten gemeenschappen, maar hebben ze ook een weerslag op de straten, de gebouwen, de wegen? Al dat digitale contact landt meestal wel op een fysieke plek: de mondiale gemeenschap van kitesurfers vergelijkt op een internetforum haar ervaringen en favoriete plekken in, zeg maar, Zuid-Afrika, maar gaat ook fysiek kitesurfen in bijvoorbeeld de Grevelingen.

Met de nieuwe media hebben stads­bewoners een krachtig instrument in handen om problemen in hun fysieke omgeving aan de orde te stellen. De activistische Amerikaanse fiets­cultuur bijvoorbeeld gebruikt apps en fora om klachten te verzamelen over gevaarlijke plekken en slechte fietspaden. Mensen die in de omgeving van Schiphol wonen, kunnen de geluidsoverlast zelf meten en via internet hun data tegenover die van Schiphol stellen.

De Engelse krant The Guardian stelde eind vorig jaar in een groot artikel de vraag: Could Twitter help urban planners improve transport networks? Ja, is het antwoord, aan de hand van data-mapping door ‘geek of maps’ Eric Fischer. Voor zijn kaarten gebruikt hij de hoeveelheid verzonden tweets als indicatie van verkeersdichtheid; daaruit kunnen verkeersplanners afleiden waar de knelpunten in bestaande netwerken zitten en waar nieuwe routes nodig zijn. Hoe meer tweets, hoe dikker de strepen op de kaart – al geeft hij toe dat het heftige gebruik van Twitter in bijvoorbeeld Nederland en het Verenigd Koninkrijk het beeld enigszins ver­tekent.

De sociale media kunnen echter ook de behoefte aan een ontmoetingsplek ondervangen. Ze meldde Het Parool dat de populariteit van de app Grindr, waarmee homoseksuelen elkaar voor een snelle afspraak digitaal kunnen opsporen, ertoe heeft geleid dat het aantal gay cafés terugloopt. En dat je altijd maar weet waar je bent en nooit meer verdwaalt – en dus nooit meer wordt verrast – stoorde Tom Loois dusdanig dat hij als afstudeerontwerp aan de Design Academy daar een app tegenin ontwikkelde, BlankWays geheten. ‘Ik woonde toen in Eindhoven en merkte dat ik altijd maar dezelfde weg nam naar school, naar huis, naar de stad. Zo kwam ik op het idee om een app te maken die je niet laat zien waar je bent, maar waar je nog nooit bent geweest. Als een spoor digitale broodkruimels.’ De app laat ook zien hoeveel ‘bekende’ meters je hebt afgelegd en hoeveel ‘onbekende’ meters er nog op ontdekking liggen te wachten. ‘Kwalitatief navigeren’ noemt Loois zijn app, die hij hoopt aan het einde van de zomer in de Appstore te hebben. ‘Ik leg een zachte, emotionele laag over de kale, feitelijke plattegrond heen.’ Zijn conclusie: ‘Je hoeft niet iets nieuws te scheppen om nieuw te zijn. Het is de combinatie die vernieuwend is.’

Of de overheid iets doet met al die informatie die wij burgers genereren, is een volgende (politieke) stap. Maar in toenemende mate ontdekken lokale overheden dat de burger niet alleen opponent is, maar ook bondgenoot. In San Francisco kun je uit de parkeerautomaat niet alleen een betaalbewijs halen, maar ook een voorgeprint papiertje waarop je kunt aangeven dat er bijvoorbeeld een verkeerslicht stuk is. Het papiertje heeft een nummer waarmee je de voortgang van je klacht door het systeem heen kunt volgen.

In Amsterdam is vorig jaar het project Amsterdam Wastelandgelanceerd, een inter­actieve digitale kaart van lege plekken in Amsterdam, Diemen en Zaandam. Dat had nogal wat voeten in de aarde. Het idee kwam van een aantal betrokken ambtenaren, onder wie Jurgen Hoogendoorn van het Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam (oga), maar dat was nog in de tijd dat de gemeente die informatie angstvallig voor zich hield – zoveel stilgevallen bouwprojecten, meer dan 150 in dit ene gebied alleen al, dat hing je toch niet aan de grote klok. Het zijn immers ook bouwprojecten die veel gemeentelijke salarissen betalen.

‘Het architectenbureau .Temp was al bezig een leegstandkaart te maken via Google Maps en Streetview’, vertelt Hoogendoorn. ‘Daardoor konden we aan collega’s en wethouders duidelijk maken dat er een heel netwerk klaar staat om dit op te pakken, en oplossingen te ver­zinnen.’ De kaart verscheen op internet, inclusief informatie over de beschikbaarheid van de leegstaande kavel – en, heel belangrijk, de naam en het e-mailadres van de betrokken ambtenaar. Mensen kunnen ook ideeën aandragen voor die kavels. ‘Het is een interactief proces van stadsontwikkeling nieuwe stijl’, zegt Hoogendoorn, ‘waarbij de samenleving en de overheid coproducenten zijn.’

Medium schermafbeelding 2013 02 20 om 12.54.54

De overheid gebruikt nu zelf ook de sociale media om de zwakkeren en geïsoleerden in de samenleving te bereiken – daklozen, bijvoorbeeld. Ze hebben weliswaar geen huis maar ze hebben bijna allemaal een mobiele telefoon met een prepaid simkaart. Na maanden gesprekken met daklozen te hebben gevoerd bedacht de Koreaan Ohyoon Kwon, een ontwerper en sociaal ondernemer in Korea en Nederland, Homeless SMS. Het is een systeem voor daklozen en Londense hulp­verleners om onderling contact te kunnen onderhouden via sms. Voor dit systeem voerde Kwon een pilot uit met 25 daklozen, waarbij mensen regelmatig informatieve sms’jes kregen, zoals het weerbericht, een positieve gedachte voor de dag of informatie over diensten waarvan ze gebruik kunnen maken. Het systeem is uitgegroeid tot een nieuw communicatiekanaal tussen daklozen en maatschappelijk werkers. Dit is belangrijk omdat daklozen in Londen vaak wantrouwig zijn en face to face-_contact met hulpverleners weigeren. _Kwon: ‘Door die platforms aan elkaar te koppelen heb je iets wat mensen al gebruiken en hoeven ze niet iets nieuws te leren. We werken nu aan de mogelijkheid van groepsgesprekken, waardoor de daklozen ook onderling contact kunnen onderhouden.’

Homeless SMS krijgt nu een vervolg in ­Eindhoven. Iemand van een grote woningbouwvereniging hoorde Kwon vorig jaar spreken op een congres dat Martijn de Waal en zijn compagnon Michiel de Lange hadden georganiseerd, Social Cities of Tomorrow, en nodigde hem en collega-ontwerper Jonas Piet uit om in samenwerking met het Leger des Heils, de ggz en de stichting neos iets soortgelijks voor dakloze jongeren te ontwikkelen. ‘Binnenkort gaan we het contract ondertekenen en een sponsor zoeken voor de sms’jes, want die zijn hier niet gratis’, zegt Piet. ‘We willen het verder ­ontwikkelen zodat het een nog simpeler interface krijgt en nog gebruiksvriendelijker wordt.’ Ze zijn ook al in gesprek met Amsterdam en met de burgemeester van Seoul. ‘In Nederland zijn niet minder daklozen en wel veel ­thuislozen, mensen die eigenlijk wonen in de opvang. Die gaan door een lang resocialisatietraject. Voor hen kan Homeless SMS een relatie met de ­hulpverlening bieden, maar ook een sociaal netwerk helpen opbouwen. Wij willen hiermee de sociale media toegankelijk maken voor de mensen die ze het allerhardst nodig hebben.’

In De stad als interfacebetoont Martijn de Waal zich optimistisch over de kans dat het leven als digitale stedeling meer zal zijn dan die warme filter bubble. ‘Het meest negatieve scenario is dat we te midden van diversiteit leven maar dat onze eigen uitsnede steeds beperkter wordt. Maar ik heb het idee dat er een nieuw publiek domein ontstaat uit de optelsom van individuele ontmoetingen en gedeelde belangen. Het leven op internet is afstandelijker, minder verplichtend dan wanneer je de hele tijd bij elkaar op de koffie komt. Maar in deze tijd van “netwerkindividualisme” zijn we niet per se eenzamer, en we kunnen sneller samen ­opkomen voor dingen die we belangrijk vinden. We willen nog altijd deel uitmaken van een gemeenschap en dingen met anderen delen, maar we hebben meer zeggenschap over de groepen waar we onszelf toe rekenen.’


Stadsleven

Journalist Tracy Metz leidt in samenwerking met de Rode Hoed en De Groene Amsterdammer een maandelijkse talkshow onder de naam Stadsleven. De tweede aflevering, De interactieve stad, vindt plaats op maandag 25 februari om 20.30 uur in de Vrijburgzaal, Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam.

Info en programma:rodehoed.nl
kaarten: kaarten@rodehoed.nl