Frontman Huub van der Lubbe van De Dijk tijdens het laatste optreden in Paradiso © Paul Bergen / ANP

Zondagavond speelde er een bandje in Paradiso. Niks bijzonders, gebeurt wel vaker. Buiten ijzelde het. Messi was net wereldkampioen. Een paar ministers stapten in het vliegtuig naar Suriname. China had massaal omikron. Kherson lag onder vuur. En toch, dat bandje. Na 41 jaar trad De Dijk voor de allerlaatste keer op. En dat was, zomaar aan het Leidseplein, alsof er iets leegliep. Een stad, een gemeenschap. Alsof er iets verloren ging, nee, opsteeg. Een manier van in het leven staan.

Bloedend hart
De eerste single. 1981. Verkocht voor geen meter. ‘Maar in Amerika doen we het heel goed,’ zei Huub van der Lubbe, toen al strak in het pak, op tv. Met dat uitgestreken smoelwerk. Branie en zelfspot, ook dat is nooit veranderd. Het nummer is een van hun meezingklassiekers geworden. Ze hebben het iets vertraagd, in de loop der jaren, zodat de lolligheid plaatsmaakt voor iets serieuzers. Halverwege het refrein zit een smartelijke uithaal: ‘Is het echt over nou?’ Op de allerlaatste avond klinkt die vraag uit het allereerste liedje ineens griezelig definitief.

Al jaren draaien de vijf mannen van het eerste uur in de auto op weg naar een optreden dezelfde muziek. Soul uit de jaren zestig en zeventig. Liefst uit de zuidelijke staten. Muscle Shoals, New Orleans, Stax. Veel praten ze niet. Daarvoor kennen ze elkaar te goed. Ze luisteren. Naar de miniemste details. Licks, fills, koortjes, arrangementen. Nieuwsgierig en serieus als jongetjes. Nooit uitgeleerd. Terwijl ze het al kunnen als de beste. Niet voor niets koos de legendarische Solomon Burke, King of Rock & Soul, voor De Dijk op het laatste album dat hij maakte.

De vijf mannen, aangevuld met een gitarist en twee blazers, die op goedgekozen momenten net iets zwieriger en minder serieus mogen zijn, vormen een levende eenheid. Solide maar beweeglijk, herkenbaar maar veelzijdig. En het blijft spannend, op de plaat en live, om te horen hoe de aanvechting om net hier die briljante tik of toets of riff te plaatsen strijdt met de kunde om juist nu een stilte te laten vallen.

Ze staan dit jaar, gedragen door een collectieve weemoed-bij-voorbaat, met 15 nummers in de Top 2000. Zelden vertoond. Het bewijst hun realiteitszin. Ze hebben de soul weten over te pakken tot iets wat precies in Nederland past en tegelijk zo geperfectioneerd dat het Nederland ontstijgt.

Binnen zonder kloppen
Drummer Antonie Broek en bassist Hans van der Lubbe leggen het gedecideerde, heupwiegende ritme neer van een vrouw die middenin de nacht over straat loopt, niet aanbelt maar meteen de trap op klimt. De toetsen van Pim Kops parelen als regendruppels. De Nieuwendijk Horns diepen de zilveren melodie op die onder het refrein verborgen blijkt te liggen. ‘Ze kwam binnen zonder kloppen en ging weg zonder een woord.’ Heel Paradiso schreeuwt mee met het stilste moment van een liefdesverhaal. Dat is de Dijk-paradox: intiem wordt massaal, massaal wordt intiem. En allebei even oprecht. Waar gaan we blijven zonder die refreinen?

De bestgeklede man op het podium is natuurlijk Huub van der Lubbe. Het prototype van de doodgewone, uitzonderlijke Amsterdammer. Zijn mankementen (hij danst als een trekpop, op tamboerijn weet hij nog net de maat te houden) etaleert hij onbekommerd. Zijn kwaliteiten ook. Niet om ermee te pronken, maar omdat ze er nu eenmaal bij horen als je de frontman bent. De stem van een man die zichzelf niet al te serieus neemt maar wel zielsveel van het leven houdt. Een stem die melodieën draagt over de volle breedte van een huiskamer maar ook recht op dat ene hartje af achteraan een festivalterrein. De generositeit van een gastheer die elke zaal omarmt, avond aan avond, tot in alle uithoeken van het land, en daarmee al die lallende Hollandse lompheid ontwapent.

En natuurlijk, dat vooral, de taal. De Nederlandse taal, waarvan hij koppig blijft geloven dat ze in staat moet zijn, met al haar beperkingen, om in de meest eenvoudige woorden de meest fundamentele ervaringen uit te drukken. In zinnetjes die zomaar opduiken en toch jaren meegaan. Vindingrijk maar ook meteen klaar voor gebruik. Toen er iemand die hem dierbaar was op sterven lag schreef hij: ‘Het wordt steeds sneller donker. Het wordt steeds vroeger laat.’ En zo is het nog altijd. Tegenwoordig is het verlies van vrienden niet meer stoer of dramatisch. Het is alleen nog maar verdrietig. De doden tellen op. De jaren verglijden. Huub van der Lubbe oogt, in het pak dat hem nog altijd als gegoten zit, ruimhartig en wellevend. Een toonbeeld van hoe het óók kan. Het is een vertrouwenwekkend idee dat hij zal blijven rondlopen door Amsterdam, langs het stilstromende water, zijn blik omhoog, af en toe iets optekenend in zijn ordelijke notitieblok.

Niemand in de stad
Voor de laatste keer sla ik mijn vuist in de lucht bij het schallende orgel en de pompende klappen van het refrein. Uit het hele oeuvre is dit altijd mijn moment geweest. En altijd heb ik me voorgesteld dat Pim dat zag, vanachter zijn toetsen, die vuist van mij ergens in de massa. Dit is het lied waarin Huub de namen noemt van mensen die de band zijn ontvallen. De lijst wordt steeds langer. De groeven in het gezicht van de mannen steeds dieper. Ze dwalen allang niet meer platzak in de regen door de stad. Ze hebben het overleefd. Wij in de zaal ook. Huub kijkt ons aan en stelt vast, op de toon die ons het gevoel geeft onmisbaar te zijn: ‘Jullie zijn er nog. Jullie zijn hier.’ De ballade van het zelfmedelijden is een strijdkreet geworden.

De Dijk poseert in Paradiso, 16 december 1995 © Frans Schellekens / Contributor / Getty Images

Stel je Amsterdam voor zonder liedjes van De Dijk. Onmogelijk. En stel je de stad voor zonder dit soort mannen. Die nergens goed voor zijn maar van je kunnen houden zoals niemand anders kan. Lukt niet. Het zou Amsterdam niet zijn.

Je zou hun muziek over de stad heen kunnen leggen. Een soundtrack van veertig jaar Amsterdam. Van een bepaald soort mannenleven. De uitgestorven nachten, geluksmomenten aan het water, de roes en de kater, de ontnuchtering. Mijn soort leven. Vanuit een kraakpand de grotemensenwereld ingerold, dingen gedaan die best goed gingen of faliekant mislukten of het daglicht niet helemaal konden verdragen, uiteindelijk zo ongeveer op mijn pootjes terecht. Vraag honderd Amsterdammers (althans, die van boven de 30, en ja, alleen de witte) welke plek ze te binnen schiet bij Onderuit in een t-shirt van haar of Als ze er niet is: je krijgt honderd plekken die voorgoed gekleurd zijn. Een flatje in Osdorp, een geveltrap op een zomeravond in de Weteringbuurt, een fietstocht langs de Amstel. Ga langs de steden en dorpen waar ze jaar in jaar uit optraden en je kan zulke plekken nog eens met honderd vermenigvuldigen.

Het is stadsmuziek. Melancholie is de grondtoon omdat er zoveel bedrijvigheid omheen jaagt. Eenzaamheid is de aanblik van al die andere mensen. Liefde is des te gelukkiger omdat de verwaarlozing om de hoek ligt. Om precies te zijn: het is de muziek van wat er niet aan de stad verandert. Digitalisering, massatoerisme, tweedeling en gentrificatie komen er niet in voor. Dit gaat over de dingen die stadsbewoners van generatie op generatie meemaken: dingen tussen mensen, analoge dingen, de fiasco’s en openbaringen van het dagelijks leven.

Wakker in een vreemde wereld
‘Deze is uit 1987,’ kondigt Huub aan. ‘We maakten ons toen zorgen over de natuur, de planeet, de mensheid.’ Hij kijkt even rond. ‘We zijn nu 35 jaar verder.’ Hij spreidt zijn armen. ‘En er is gelukkig he-le-maal geen vuiltje aan de lucht.’ Met dat uitgestreken smoelwerk. Waarna de band het jakkerende spooklied inzet. Met de verbetenheid van iemand die ooit echt heeft geloofd dat zijn muziek de wereld op andere gedachten zou brengen.

De nucleaire paniek van toen heb ik meegemaakt. Nu is-ie terug. Intussen hebben we de planeet aan gort geleefd. Dwars door alles heen heb ik het als een geruststelling ervaren dat De Dijk er was. Met hun vakmanschap en mensenliefde. Daarom voel ik nu werkelijk een leegte in de straten.

Eigenlijk is het helemaal niet mijn muziek. Ik luister naar Kendrick Lamar, Mereba en Massih Hutak. Ik omring me niet met mensen die verliefd zijn geworden, hun hartenbreek hebben verzopen of kinderen hebben verwekt op De Dijk. Het is eigenlijk stom toeval. Een vriendin nam me mee naar een concert. Ik schreef er een verhaal over. Toen mocht ik keepen in hun voetbalteam op het jaarlijkse bandjestoernooi, dat we nog wonnen ook. Ik zag Himmel über Berlin op een filmavond bij Pim thuis. Nico en Huub kwamen zingen voor onze spits, toen die alvleesklierkanker had, gewoon in zijn huiskamer. ‘Een man weet pas wat hij mist…’ Hoe we zaten te huilen. Ik heb ze zien spelen in Halfweg, Zoetermeer, Hoogwoud, Deventer en Tilburg. Elke keer die vuist in de lucht. Kan ik niks aan doen. Ik heb me al jaren geleden gewonnen gegeven. Aan de muziek, aan de teksten, aan de manier waarop ze in het leven staan.

Dansen op de vulkaan
Al voor de toegift losbarst scandeert het publiek: dan-sen dan-sen dan-sen! Ik zie nooit zoveel mensen zo collectief hun hoofd verliezen als wanneer dit refrein aan komt zwiepen. ‘Lief! Trek iets moois aan! Want we gaan dansen op de vulkaan!’ Als lemmingen springen we de apocalyps tegemoet. Uit een ooghoek zie ik gitarist Nico Arzbach precies op de rand van de lichtcirkel balanceren waarin zijn jonge kompaan Jelle Broek de shine vangt. Nico, met die grote lerarenbril, slingert er bijna stiekem een paar geniepige licks tussendoor. Middenin het pandemonium de situatie volledig meester. Middenin de gelukzalige doodsverachting. Dansen op de vulkaan in Paradiso, het is Nederlands erfgoed.

De Dijk opereert democratisch. Iedereen componeert. Iedereen verdient evenveel. Huub kent zijn communistische klassiekers. In de praktijk komt het neer op een soort Mokums marxisme: nietalteveeltheorie, wezittenallemaalinhetzelfdeschuitje, blijfvanmijngabberaf, hogeherendeugenniet. Dit zijn Amsterdammers van het liefste, meest robuuste en solidaire soort.

En toch, en toch. In die 41 jaar is de stad grondig van kleur veranderd, maar in Paradiso tel ik misschien drie zwarte gezichten. Huub is de gastheer die iedereen omarmt. De band heeft leren spelen van zwarte muziek. Ik heb ze liedjes van Lieve Hugo zien spelen voor een uitgelaten Surinaams publiek. De teksten zouden verplichte lectuur moeten zijn voor nieuwkomers, om te laten zien hoe je in het Nederlands dingen kan zeggen zonder ze letterlijk uit te spreken, dat de betekenis net achter de woorden hangt, dat het eerder de levenshouding is die je moet leren verstaan dan de taal zelf. Dat is allemaal waar, en toch is de stad van De Dijk een witte stad gebleven, een diep-Hollandse stad.

Het is mij een raadsel. Hoe kan je zo inclusief zijn en toch exclusief blijven? Tegen het eind van het concert staat Huub stil in de schijnwerpers, vraagt om solidariteit en heft zijn linkervuist. 41 jaar lang heeft deze band democratie belichaamd, een democratie die niemand vergeet. Ze hebben hun muziek weggegeven en niet voor zichzelf gehouden: die is nu van iedereen. Ze zijn klaar. Maar het werk zit er nog niet op.

Mag het licht uit
Drie toegiften verder. De mannen lijken het podium dan toch echt te verlaten. Er hangt een beduusde stilte in de zaal. Het podiumlicht zinkt weg naar diepblauw. Dan klinkt het vertrouwde ritme van een bedachtzame wandeling. De mannen, de vijf van het eerste uur, ze zijn er nog. Het is de soberste versie die ze ooit gespeeld hebben. Huub stapt nog één keer naar voren. Zijn stem klinkt moe, opgelucht, kwetsbaar. Het allerallerlaatste nummer is een dijk van een paradox: ‘Mag het licht uit, als ik je in mijn armen sluit.’ Bij de climax is de zaal in hel wit gebaad. En de omhelzing is voorbij.