De dikke ik

Voetbalvaders fluiten wedstrijden, staan achter de bar, rijden naar uitwedstrijden en schreeuwen langs de lijn om het hardst. En dan sneuvelt er één in het harnas. Iedereen roept nu om respect. Maar hoe regel je dat?

Medium voetbalvaders

‘Bingo!’ roept een hoogblonde vrouw uit volle borst. Ze stoot haar vriendin aan en zegt: ‘Ik hoop dat ik de steengrillset mag pakken.’ Bij controle van haar kaart blijkt dat ze zich heeft vergist. Als straf moet ze staande een liedje zingen, tot grote hilariteit van de ruim twee­honderd leden van BVV Barendrecht die bingoën om een bijdrage te leveren aan het nieuwe clubhuis. Jong, oud, Marokkaans, Surinaams, saamhorig zitten ze achter tafeltjes in de kantine.

Er lopen geen voetballers rond, want de winterstop is begonnen. Maar er wordt één oefenwedstrijd gespeeld, jongens C1 tegen het Haagse Quick. Eerst houden ze één minuut stilte. De bal op de middenstip, de beide teams staan elkaar omarmend in halve cirkels eromheen, terwijl de scheidsrechter met de kop in de gure wind in de houding staat. De ceremonie is er uit respect voor de doodgeschopte grensrechter Richard Nieuwenhuizen.

Een week hiervoor vond er een minuut stilte plaats op alle voetbalvelden. Nationaal werd gerouwd om de dood van een voetbalvader. De clubvlaggen hingen halfstok, de hele voetbal­lerij lag stil. Er werd niet gespeeld maar gepraat. Over agressie en geweld, over respect voor elkaar en vooral ook voor scheids- en grensrechters. Op Quick, waar mijn twee zoons spelen, vond zo’n sessie plaats onder leiding van een sport­psycholoog die door de knvb wordt ingezet om clubs ‘te helpen een veilig klimaat te creëren’. Dit werk doet hij sinds een jaar vanuit het overheidsplan Naar een veiliger sportklimaat. Hij draait een seizoen mee op verzoek van een club of als de knvb bij een notoire club daartoe aanleiding ziet.

‘Hallo, ik ben Hikmet Weeling, ik wil het met jullie hebben over wat we zelf kunnen doen tegen geweld op en rondom het veld.’ Als er één woord die middag voortdurend valt is het wel ‘respect’. Weeling regisseert vlot het groeps­proces: ‘Als ik nou respect door mijn mond laat spoelen, dan is dat heel abstract. Wat betekent het nou écht voor jullie?’ ‘Je inhouden, ook al ben je het niet eens met de scheids!’ zegt een vader in een bodywarmer. ‘Behandel een ander niet zoals je zelf behandeld wil worden’, zegt een moeder. ‘Eer uw vader en uw moeder. Gij zult niet doden. Het staat in de Tien Geboden’, mompelt een oude man die al ruim zestig jaar lid is van Quick. ‘Het is een maatschappelijk probleem en het begint bij de opvoeding’, roept een trainer/coach van een jaar of 25 die zelf nog geen kinderen heeft maar wel ziet, zegt hij, hoe sommige vaders de pupillen uit zijn teams het slechte voorbeeld geven. ‘Ze pushen, ze schreeuwen en ze bemoeien zich luidkeels met het spel. De emoties vliegen je om de oren.’ ‘Ja’, beaamt een moeder, ‘ik zou soms wel tegen hen wil zeggen: “Hou je kop nou eens.” Maar mensen voelen zich heel snel aangevallen. Tolereren en ingrijpen is een grijs gebied.’ Een man met op zijn armen grillige tatoeages die opklimmen tot aan zijn kin zegt geïrriteerd: ‘Iemand is nu dood, we zitten hier nu wel leuk te brainstormen, maar ik wil gewoon nú een oplossing horen!’ Iedereen valt stil. Een oplossing?

‘Meer regels’, volgt er aarzelend. ‘Nee minder! Schaf net als bij hockey buitenspel af.’ Groot tumult. ‘Veen en zand meer bij elkaar krijgen, integreren’, roept iemand die refereert aan de aloude sociale segregatie in Den Haag. Op het zand wonen de rijken, op het veen de armen, wat zijn weerslag vindt in de signatuur van voetbalclubs die inmiddels volledig langs etnische lijnen loopt. De ene keer arriveer je bij een uitwedstrijd in een keet waar het ’s ochtends vroeg ruikt naar heerlijke hindoestaanse frituurhapjes, de andere keer kom je op een club waar moeders hoofddoeken dragen en vaders in het Marokkaans hun jongens aanmoedigen. FC Duindorp en Scheveningen zijn lelieblanke lower class-clubs, Haaglandia is ‘gemengd’ en hbs, hvv en Quick liggen diepgeworteld in het zand.

Quick is ‘een onwijs goede vereniging’ met achthonderd ‘haantjes’ en ‘hanen’, zoals de leden vanwege het clubsymbool, een haan, worden genoemd. De ouders van de junioren zijn veelal ondernemers, zzp’ers en ambtenaren van de ministeries. Veel van hen verdienen bakken geld, wat te zien is aan de auto’s en de merk­kleding. Nog net voor de crisis uitbrak zijn de kosten voor het nieuwe clubhuis grotendeels opgehoest door de leden zelf. Men spreekt hier over ‘het goede nest’. Maar op de gespreks­middag gedraagt niemand zich als een heilig boontje. Wij zitten met z’n allen in hetzelfde schuitje, zo klinkt het unaniem. Deze ene voetbalvader had niet gewoon pech, het was een kwestie van wachten dat het een keer mis zou gaan.

  • De rest van dit artikel is alleen beschikbaar voor ingelogde abonnees. Zij kunnen hier inloggen om verder te lezen.
  • Als u al een abonnement op De Groene Amsterdammer hebt maar nog geen gebruikersnaam en wachtwoord, dan kunt u contact opnemen met de administratie via abonnementen@groene.nl of bellen naar 020-5245555.
  • Nog geen abonnee? Klik hier om de abonnementen te bekijken of neem voor slechts vier euro week-toegang tot het gehele digitale archief en lees De Groene van deze week tevens in pdf op uw scherm of iPad.

Beeld: Otto Snoek / Hollandse Hoogte