Een vernietigend boek over Pavarotti van zijn voormalige manager

De dikke man Herbert Breslin

The King and I

Doubleday, 310 blz., € 32,50

Wat doet het met je als je veertig jaar, de helft van je leven, impresario bent? Veertig jaar slijmen bij de sterren. Je artiesten naar de mond praten. Al hun wensen in vervulling laten gaan: auto met chauffeur, privé-vliegtuig, een vliegtuig vol Italiaans eten naar China – voor het geval het plaatselijke voedsel niet smaakt in de gouden keel. Beamen dat een avondje zingen honderdduizend dollar waard is. En doorlopend vrezen dat de artiest bij je wegloopt, naar een andere impresario die nog hogere gouden bergen belooft.

Herbert Breslin, veertig jaar lang de artiestenmanager van Luciano Pavarotti, geeft één mogelijk antwoord: je ontploft van verlangen om eens goed de waarheid te zeggen: artiesten zijn allemaal verwende, egoïstische, verongelijkte, snel beledigde wezens.

Breslin werkte ook voor sterren als Sutherland, Horne, Freni, Tebaldi, Schwarzkopf en de Larrocha. En hij vond zichzelf goed: «Niemand kent de busi ness beter dan ik.» Zijn doel was simpel: zo veel mogelijk geld verdienen voor de artiesten en dus zo veel mogelijk voor hemzelf. «Laten we eerlijk zijn: het draait alleen om geld»; en: «Honderden miljoenen heb ik voor Luciano verdiend.» De titel The King and I verwijst naar koning Pavarotti. Het boek laat zich tegelijk lezen als een biografie van de «koning van de hoge C’s» door de ogen van zijn impresario. En Breslins blik is niet alleen kritisch, maar zelfs uitgesproken negatief, waarin het zich onderscheidt van de gemiddelde dweperige biografie van een operaster.

In het begin van zijn carrière heeft Pavarotti het broodnodige geluk. Concurrenten sterven of vallen uit door ziekte. De grote operadiva van dat moment is de lange Joan Sutherland. Meer nog dan een goed zingende minnaar op het toneel wil zij een langere minnaar, zodat haar eigen lengte minder opvalt. Die minnaars zijn altijd tenoren, en die hebben lengte nou net niet als specialiteit. De tenor Pavarotti is een uitzondering. Hij wijkt niet meer van Sutherlands zijde en samen veroveren ze de Met en Covent Garden. Platenlabel EMI besluit de jonge zanger tientallen keren op te nemen. Klassieke platen worden dan nog goed verkocht, en een platenmaatschappij kan veel meer naamsbekendheid voor een artiest genereren dan welke impresario of welk marketingbureau ook. Vervolgens haalt Breslin Pavarotti over om solorecitals te geven; dit is feitelijk de enige stap die Breslin op zijn conto kan schrijven en waarmee hij de tenor daad werkelijk vooruit helpt. Het publiek blijkt aan Pavarotti’s lippen te hangen. Vrouwen reageren op hem als groupies op popsterren en de solorecitals zijn steevast uitverkocht, tegen torenhoge toegangsprijzen. Tegen het eind van de jaren zeventig bevindt Luciano Pavarotti zich op zijn artistieke hoogtepunt.

Daarna begint het verval – en dat gaat hard. Pavarotti reist standaard met 32 bagagestukken, inclusief espressomachine en prosciuttosnijmachines. Repeteren doet hij niet meer omdat hij liever kookt voor zijn talrijke vrienden. Nieuw repertoire instuderen is er al helemaal niet meer bij, en meestal kent hij zelfs de rollen niet die hij al eerder zong. Assistenten en souffleurs staan in de coulissen om hem de woorden in te fluisteren voordat hij opgaat voor weer een aria. Vooral bezoekjes aan artsen en tandartsen ontnemen hem de tijd voor repetities en zelfs voorstellingen; hij wordt berucht door talrijke annuleringen – vrijwel altijd om vage klachten. Hij laat zich bij transatlantisch verkeer uitsluitend vervoeren per concorde, op stoel 1, rij 1, en maakt een enorm schandaal als die stoel eens is vergeven aan de president van Frankrijk: Pavarotti staat erop dat die voor hem wijkt. Hij vraagt Breslin uitsluitend om nog meer geld en nog meer tv-optredens. Het eerste contract waarin hem voor een énkel concert meer dan honderdduizend dol lar wordt beloofd, ervaart Pavarotti volgens Breslin als het mooiste moment uit zijn carrière.

Pathetisch is hij met vrouwen. Terwijl vrouwlief thuis in Modena de kas bijhoudt, laat Pavarotti zich zijn leven lang door verschillende «secretaresses» vergezellen. Dat zijn steevast derderangs zangeresjes die niet van zijn zijde wijken, zijn sokken wassen, zijn kleren strijken en hotelpersoneel instructies geven.

Het mediahoogtepunt worden de twee concerten van de drie tenoren Placido Domingo, José Carreras en Luciano Pavarotti voorafgaand aan de wereldkampioenschappen voetbal in 1990 en 1994. Voor de camera’s zijn ze beste vrienden, maar Domingo en Carreras spreken niet tegen Pavarotti, ze communiceren alleen via impresario’s en voeren een verzuurd gevecht om geld, veel geld. Naar verluidt verdient Pavarotti twintig miljoen dollar met het tweede concert, waarnaar 1,5 miljard mensen op tv keken. De «winner takes all»-markt is volmaakt, want tegelijk is de cd- en tv-rechtenmarkt voor klassieke muziek in elkaar gestort.

Daarna wordt Pavarotti’s loopbaan een lijdensweg. Zijn accountant gaat naar de gevangenis en vanwege be las tingschulden kan de zanger Italië niet meer in. Zijn gewicht wordt niet vermeld, maar hij moet zo’n tweehonderd kilo wegen. Hij gaat van annulering naar annulering, en áls hij al opgaat, zingt hij op halve stem of een octaaf te laag, en het publiek blijft uiteindelijk weg. Alleen de Harry Mensen in de wereld geloven nog in hem. Casino’s en personeelsfeestjes worden zijn podia. Maar hij geeft niet op, en op dit moment is hij bezig met zijn tigste afscheids tournee.

De interessante vraag die dit boek oproept is: waarom gaat Pavarotti zich zo extravagant gedragen? Het publiek vraagt erom: het smult van dergelijk gedrag van een «artiest». Blijkbaar beantwoordt het aan romantische gedachten en vervult het de wens dat een kunstenaar een volslagen ander mens is dan een gewone sterveling.

Maar toch: van een voetballer of popzanger wordt dergelijk gedrag niet getolereerd. Misschien omdat die zich uiteindelijk moet voegen naar een elftal of een band. Een operazanger hoeft dat niet. Sterker nog, hij moet opvallen ten koste van het collectief. De zanger moet zorgen dat híj (of zíj) de ster van de avond is, en niet de dirigent, of de collega-zanger die in dezelfde voorstelling zingt. En om op te vallen worden alle middelen ingezet, op de bühne maar ook daarbuiten.

En waarom Breslin zo’n scheldboek schrijft? Hij heeft merkbaar lol in zijn eigen grove stijl: «Bonynge was behoorlijk slim, en Sutherland behoorlijk stom.» De oprichtster van de opera van Chicago is een «hoer op stelten». Pavarotti heet consequent «de dikke man». Maar bovenal lijkt het hem op te luchten om veertig jaar ingehouden woede, eindeloos lang verborgen achter de gladde glimlach van de tussenman, eindelijk op het papier te laten vloeien. Veel vrienden heeft hij nooit gehad. Na dit boek resten hem louter vijanden.