De kloof tussen gelovigen en ongelovigen

‘De discussie over het bestaan van God is hopeloos’

Religie is terug van weggeweest. Met de nodige grimmigheid worden de laatste tijd godsbewijzen en godsontkenningen over en weer geslingerd. De verstoten EO-discipel Arie Boomsma (1974) en de atheïstische vrijmetselaar Jean Paul Van Bendegem (1953) bespreken de godsvraag.

TOEVAL OF NIET, beide gasten zijn in de media meermalen met Jezus vergeleken. Opmerkelijk, vooral omdat het verschil in uiterlijk tussen de twee niet groter had kunnen zijn. Arie Boomsma komt stralend binnen; gespierd, getatoeëerd en met een ver open geknoopte blouse. De baard is modieus getrimd. Jean Paul Van Bendegem, in het pak gestoken en tenger van stuk, heeft een pluizige luiheidsbaard.
Arie Boomsma: ‘Jezus was een Aramese jood, waarschijnlijk met een olijfkleurige huid en een woeste bos krullen. Het westerse beeld van de blauwogige, blanke Jezus is nergens op gebaseerd. Bovendien zou het erg potsierlijk zijn als iemand die regelmatig in de media over God praat Jezus zou imiteren. Het zou duiden op een vreemd Messiascomplex.’
Jean Paul Van Bendegem: ‘Wanneer ik enkele jaren geleden de collegezaal binnenkwam, hoorde je iedereen fluisteren: “Daar komt Jezus binnen.” Nu ben ik de 33 al ver gepasseerd en is de vergelijking theologisch onverantwoord te noemen. Ik moet wel zeggen dat ik de laatste jaren meer op Raspoetin begin te lijken, als ik de dronken dames op café moet geloven. Overigens is Jezus in de vroegste iconografie baardloos. Op een gegeven moment is men een baard met macht gaan associëren en had Jezus ineens gezichtsbeharing.’
Arie Boomsma (1974) is in korte tijd een van de bekendere gezichten op de Nederlandse televisie geworden. Nadat de Friese domineeszoon samen met zijn vader een boek over het geloof had geschreven, kwam hij in 2006 bij de Evangelische Omroep terecht. Hier presenteerde hij onder meer 40 dagen zonder seks. In 2009 zette de omroep zijn nieuwe boegbeeld op een zijspoor. De ruzie naar aanleiding van zijn beruchte fotoshoot in L’Homo liep met een sisser af; Arie accepteerde een maandenlange schorsing. Hierna werkte hij in de luwte met de EO aan een nieuw programma, Loopt een man over het water, waarin cabaretiers hun visie op Jezus en het geloof uit de doeken zouden doen. Na hevig protest van de achterban werd het programma geannuleerd. Het doel was discussie, het resultaat was de definitieve breuk tussen de EO en zijn discipel. Boomsma: ‘Als ik was gebleven, zou ik al mijn geloofwaardigheid kwijt zijn.’ Vanaf 21 november presenteert hij het televisieprogramma In de schaduw van het nieuws bij de KRO.
Jean Paul Van Bendegem (1953) groeide op in Gent, in een protestants gezin. Hoewel hij zich in de puberteit losmaakte van het geloof, is de godsvraag nooit uit zijn leven verdwenen. Julian Barnes citerend, vat hij het treffend samen: ‘I don’t believe in God, but I miss him.’ Tegenwoordig is Van Bendegem hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie aan de Vrije Universiteit Brussel. De professor is misschien wel de bekendste atheïst in Vlaanderen, niet in de laatste plaats door zijn openlijke lidmaatschap van de in België machtige en omstreden vrijmetselarij. In 2008 schreef hij Over wat ik nog wil schrijven, een boek waarin hij onder meer ingaat op de problematische verhouding tussen religie, spot en seksualiteit.
Van Bendegem: ‘Als gereformeerd-protestant behoorde ik in België tot een absolute minderheid. Aan mijn religieuze opvoeding heb ik twee dingen overgehouden: mijn bijbelkennis en mijn verantwoordingsplicht. Het laatste hangt natuurlijk samen met mijn godsbeeld. Ik heb als kind altijd het idee gehad dat de alomtegenwoordige getuige meekeek. Toch had mijn bevrijding van het geloof vooral te maken met volwassenwording. Ik wilde me afzetten tegen de krampachtige houding van gelovigen ten opzichte van seksualiteit. Daar had ik als ontluikende puber behoorlijk last van, ik schaamde me voor alles. Die sporen zijn nooit weggegaan, nog altijd heb ik schuldgevoelens over alles wat met seks te maken heeft. De muren zijn weg, maar de schaduw zal altijd blijven.
Midden in de periode waarin ik met deze schaamte begon te worstelen, moest ik mijn belijdenis doen. Dit is geen ingewikkeld ritueel – je wordt naar voren geroepen om “ja” te zeggen tegen het geloof –, maar het stelde mij toch voor een rationeel-emotioneel probleem. Als je daarna namelijk wroeging of spijt zou krijgen, diende je drie zondagen op rij naar voren te komen en “neen” te zeggen. Welnu, het idee om dat te moeten doen terwijl mijn ouders op de eerste rij zaten was onverteerbaar. Toen is de breuk ontstaan: ik heb nooit belijdenis gedaan en ging mij met andere dingen bezighouden.’
Boomsma: ‘De relatie van de gelovige met seksualiteit is inderdaad vaak problematisch en ik erken dat het christendom een van de voornaamste oorzaken is van het taboe op seksualiteit. Wanneer je zoveel nadruk legt op de verbodenheid van seks voor het huwelijk kweek je juist iets naars, iets wat wringt en schuurt. Ik beschouw het daarom als mijn verantwoordelijkheid te laten zien dat die beklemmende visie op seksualiteit onnodig is. Die schaamte ken ik wel van vroeger, maar niet zo heftig. In onze boekenkast stonden ook boeken van Henry Miller. Niet heel prominent, maar ze stonden er wel. Ook kon ik met vragen over seks of Darwin altijd bij mijn ouders terecht. Thuis werd niet getwijfeld aan de evolutieleer, maar stond tegelijkertijd vast dat God de oorsprong van alles was.
Welbeschouwd kan niemand oordelen of God wel of niet bestaat. Ik vind daarom dat je geloofszaken met nederigheid tegemoet moet treden, met het idee dat je niets zeker weet, laat staan kunt bewijzen. Het is gevaarlijk dat gelovigen die nederigheid niet meer lijken te kennen. Veel van Gods wegen begrijp ik eenvoudigweg niet; dat is voor mij juist een stimulans om vragen te blijven stellen. Op het moment dat je iets accepteert, ken je geen groei meer. Twijfel is er iedere dag. Soms denk ik dat het hele idee van een God kinderlijk naïef is. Dagelijks zoek ik naar voorbeelden van intelligente, weldenkende gelovigen: Blaise Pascal, Søren Kierkegaard en C.S. Lewis. Kennelijk beïnvloedt de beeldvorming over christenen me zodanig dat ik anderen en mezelf ervan moet overtuigen dat intellect en geloof wel degelijk hand in hand kunnen gaan. Andere momenten staat het voor mij vast dat er een God is die verantwoordelijk is voor abstracte begrippen als liefde en inspiratie.
Die openheid van geest mis ik in de media. Hoe kun je nu over dit thema berichten als je zoiets bij voorbaat al uitsluit? De zogenaamd intellectuele goegemeente gaat steigeren bij een vage term als “hoop”, simpelweg omdat ze zich er geen raad mee weet. Tegelijkertijd wordt “inspiratie” voor zoete koek aangenomen, terwijl daar natuurlijk evenmin een wetenschappelijke, rationele verklaring voor is.’
Je sluit dus ook niet uit dat er een dag komt waarop de twijfels de overhand krijgen en je niet meer in God gelooft?
Boomsma: ‘Het zou kinderachtig zijn als ik twijfel alleen toeliet als ik wist waar hij toe zou leiden. Ik verwacht niet dat ik ooit van mijn geloof val, maar sluit het inderdaad ook niet uit. Ik zit in een vreemde positie: in de media ben ik een prominent voorvechter van het geloof, maar in geloofskringen word ik gezien als een luis in de pels. Het is een spagaat die steeds verder rekt.’
Van Bendegem: ‘Atheïsme is voor mij geen louter beredeneerde levenshouding, maar het resultaat van een leven lang twijfelen. De godsvraag is bij mij echter grotendeels vervangen door de vraag waarom dit alles hier is. Het functioneert en ziet er verdomd ingewikkeld uit, maar er zou net zo goed helemaal niets kunnen zijn. Een agnost zou die vraag openlaten, ik blijf zoeken naar een antwoord. Het zou best kunnen dat ik ooit weer in Hem geloof.’
Stel: wij zouden het antwoord hebben op de vraag of God bestaat, zouden jullie het dan willen weten?
Boomsma: ‘Als mij een sluitend godsbewijs voor de neus zou worden geduwd zou ik dat bijna jammer vinden. We zijn gebaat bij het gesprek, de queeste. En zolang we het antwoord niet weten, leeft iedereen in de vrijheid om te leven zoals hij of zij dat wil. Ik hoop en denk natuurlijk wel dat Hij bestaat.’
Van Bendegem: ‘Ik hoop vooral dat als ik sterf, het ook echt gedaan is. Ik vind geen enkele troost in de gedachte aan een leven na het aardse. De twaalf miljard jaar dat de wereld het zonder mij heeft moeten stellen, gingen toch ook vrij redelijk.’

MENEER VAN BENDEGEM, u bent een prominent lid van de Belgische vrijmetselarij. Het is een interessant fenomeen dat een geloofsafvallige als u de rituelen toch weer lijkt op te zoeken.
Van Bendegem: ‘Ik heb inderdaad een sterke behoefte aan rituelen, het dagelijkse is zo schraal geworden. Rituelen hebben de kracht om de belangrijke momenten uit iemands leven te markeren. Toga’s, iemand die roept “hora est”: ik vind het allemaal prachtig. En die behoefte kan ik in de Loge stillen. In de vrijmetselaarsgroep waar ik nu toe behoor is het idee van een Opperbouwmeester of een Grote Architect tot mijn spijt overboord gedaan. In mijn oude gezelschap had ik met dat concept af te rekenen. De gangbare aanduiding van dit opperwezen was de letter “G”, die verschillende dingen kon betekenen: God, de geometer, de gnosis et cetera. Tot ik me op een dag realiseerde dat zij moest staan voor Godot: iemand die voortdurend wordt aangekondigd, maar uiteindelijk niet komt opdagen.’
Boomsma: ‘Ik denk dat iedereen die een zekere affiniteit heeft met God een zwak heeft voor rituelen. Ook ik hecht veel waarde aan tradities zoals het moment van bezinning in de kerkelijke liturgie. Tegenwoordig is dat vaak het moment waarop mensen met een rammelende collectebus de rijen langs gaan en iedereen met elkaar begint te kletsen. Ik snap dat een lijst regels kan voorzien in de behoeften aan houvast en veiligheid, maar dat gaat voorbij aan de essentie van het geloof. Iedere gelovige heeft de plicht na te denken over de invulling van rituelen; tradities an sich betekenen natuurlijk niets.’

MENEER VAN BENDEGEM, in Over wat ik nog wil schrijven staat u stil bij twee storende elementen van het geloof: ‘de verwrongen houding ten opzichte van het menselijk lichaam’ en ‘de quasi-onmogelijkheid om te gaan met humor en spot’. Het eerste punt hebben we behandeld, nu het tweede nog.
Van Bendegem: ‘Spot moet kunnen. Als ik in mijn colleges over logica iets schampers zeg over een van de vele duizenden tegenstrijdigheden in de bijbel of koran, spreken studenten me daar direct op aan. Ze verwijten me dat ik hun geloof ridiculiseer. Ik begrijp werkelijk niet wat daar zo verschrikkelijk aan is; als iemand met een andere geloofsovertuiging jou met een mop kan doen twijfelen aan je geloof, is er toch iets mis.’
Boomsma: ‘Zodra iemand van buiten de gemeenschap jouw geloof beledigt, wordt het een identiteitskwestie. Dat heb ik ook gemerkt aan de bijzonder heftige reacties op Loopt een man over het water: alleen al het risico op blasfemie kon niet getolereerd worden. Ik kwam linea recta tegenover een deel van mijn geloofsgenoten te staan, terwijl ik juist de dialoog op gang wilde brengen. Natuurlijk is dat een kwetsbare positie, maar die is juist nodig om het gesprek met andersdenkenden aan te gaan. Dat gebeurt ook in islamitische kringen te weinig: dat er iemand opstaat die kritisch is op zijn geloof. Die personen zijn er wel, maar worden meteen als verrader gezien. De automatische reactie blijft: we moeten onze groep verdedigen.’
Des te navranter is het dat jij enkele maanden geleden door je eigen achterban als rotte appel bent bestempeld. Hoe komt het dat je hier schijnbaar zo rustig onder bent gebleven?
Boomsma: ‘Mijn reacties in de media zijn zo zakelijk omdat de harde uitspraken van sommige EO’ers nu eenmaal niet representatief zijn voor de gehele omroep. Bovendien wilde ik de EO, de eeuwige underdog, geen trap na geven. Daar wint niemand iets bij. Maar natuurlijk vind ik het annuleren van mijn programma een gemiste kans.’
Maar het was niet de eerste botsing met de directieleden. Ze moeten toch geweten hebben waar ze aan begonnen toen ze je voor de tweede keer op het matje riepen. Voor de buitenwacht had het er alle schijn van dat de EO er op dat moment voor koos je te laten vallen.
Boomsma: ‘Dat vind ik moeilijk te zeggen. De directie doet je uiteraard anders geloven en dat is het enige waar ik vanuit kan gaan. Ik denk wel dat een groot deel van de EO-achterban blij is dat ik weg ben. Later ontving ik van een ander deel van de aanhang juist weer veel steun. Ik heb het niet al te persoonlijk opgevat. Het was een botsing tussen stromingen binnen de EO. Die bleek overigens niet generatiegerelateerd te zijn, zoals je misschien zou verwachten. Jongeren blijken soms juist stelliger dan ouderen.’
De kloof tussen gelovigen en ongelovigen is in de afgelopen tien jaar aanzienlijk groter geworden. Met de nodige grimmigheid worden godsbewijzen en godsontkenningen over en weer geslingerd en blijkt de verwachting dat het geloof als een nachtkaars uit zou gaan ijdel. Religie is schijnbaar uit het niets terug in het publieke debat.
Van Bendegem: ‘In Vlaanderen is er tegenwoordig weer sprake van een kalmering van de gemoederen; het is niet meer zo nodig om met je geloof of ongelovigheid naar buiten te treden. Er is in een halve eeuw zoveel veranderd: als er in het Gent van vijftig jaar geleden een lijkkoets voorbijkwam met een vrijzinnige in de kist namen de mensen op straat de hoed niet af en bespuugden ze de koets. Het idee dat de verworvenheden van de eigen geloofsgemeenschap ten koste van alles beschermd dienen te worden, sterft langzaam uit. Ik vind het interessant dat de discussie hier in Nederland weer oplaait, terwijl ze in Vlaanderen sluimerend is.’
Boomsma: ‘In Nederland denken we nog altijd in vaste categorieën als atheïst, moslim of christen. Als de paus iets zegt over stamcelonderzoek, krijg ik dat op mijn bord. Dit terwijl we juist in een periode terechtkomen waarin die vaste kaders betekenisloos worden. Ook binnen deze groepen vindt een verdere individualisering plaats en worden onwrikbare standpunten wat losgelaten. Dat merk ik in discussies met jonge generaties: ze kunnen heel fel debatteren, maar laten elkaar vrij in hun geloofsovertuiging.
Opiniemakers in Nederland hebben het idee dat ze rond het ezelsproces (tegen Gerard Reve, 1968 – red.) definitief hebben afgerekend met de macht van de Kerk. De grote angst van de generatie van ’68 is dat haar strijd voor niets is geweest. Ze moet constateren dat er weer kunstcollecties en voorstellingen worden verboden en dat er zelfs mensen zijn die uit naam van het geloof aanslagen plegen. Geloof is nooit weggeweest, het was alleen lang afwezig in het publieke debat. Gelovigen spraken via hun eigen kanalen en kerken met elkaar en werden op deze manier voor de buitenwereld onzichtbaar. Omdat de mediakanalen de afgelopen jaren zo verbreed zijn, lijkt het alsof religie ineens uit haar cocon gekropen is. Ik denk dat die zichtbaarheid de kloof wel heeft vergroot en dat deze, zolang we elkaar voortdurend proberen te bekeren, alleen maar wijder zal worden. De zendingsdrang van de christen is even funest als de onwrikbare hooghartigheid van de atheïst.’
Van Bendegem: ‘De discussie over het bestaan van God is hopeloos. Het is door Monty Python ooit prachtig geparodieerd; in een praatprogramma ontvangt John Cleese een priester en een humanist. Hij kondigt aan dat de twee gasten in plaats van een intellectueel debat te voeren de boksring in zullen stappen. Terwijl de tegenstrevers op de achtergrond hartstochtelijk met elkaar op de vuist gaan, wendt Cleese zich tot de kijker: “We’ll be bringing you the result of this discussion later on in the programme.” Eigenlijk komt het daar wel op neer.’