Zes anchorlady’s over de «horizontalisering»

De diva’s van de radio

Sinds de veranderingen in het zendschema is radio 1 voor velen onvindbaar. De luisteraars, maar ook degenen die voor de radio werken, ergeren zich hieraan. Zes anchorlady’s over de «horizontalisering». «Als we bij de BBC hadden gezeten, waren we koninginnen geweest!»

Op zondag 1 april zette VPRO-radiomaakster Djoeke Veeninga ’s ochtends gewoontegetrouw de radio aan, om opgeschrikt te worden door klokgelui en bijbellezing. Waar radio 1 zetelde, op de middengolffrequentie 747, huist nu radio 5, vanaf heden ook alleen nog aan te spreken als Radio 747, een staaltje imagobuilding te danken aan reclamebureau Kessels Kramer. Een geheel nieuw scala aan programma’s trok aan Veeninga’s oren voorbij: «Alsof de ratten uit hun holen waren gekomen.» Wat niet wil zeggen dat ze deze frequentie niet aan de harde werkers van voorheen radio 5 zou gunnen. Alleen knullig dat radio 1 niet meer of moeilijk te vinden is voor de radioluisteraars. Harmke Pijpers, voormalig VPRO-anchorlady en nu alweer enige tijd thuis bij de Avro, onder meer als presentator van Opium: «Ik zei al tegen de zendercoördinator: als Beatrix een aankondiging wil doen van het een of ander, of er is een nationale ramp gaande… Geen hond die ons nog kan beluisteren.»

Is het voor een buitenstaander een tamelijk zotte geschiedenis en voor de gemiddelde radioluisteraar vooral verwarrend, voor degenen die erin moeten werken is het buitengewoon ergerlijk én het zoveelste staaltje van Hilversums mismanagement en Haags onbenul. Marjolijn Uitzinger, presentator van het maandagmiddagprogramma op radio 1 van de Avro en als voormalig parlementair journalist gepokt en gemazeld in zowel politieke als omroepkringen: «Tussen Hilversum en de politiek bestaat sinds jaar en dag een heel rare verhouding. Hilversum zegt: de politiek luistert niet. De politiek zegt: er komt niks uit Hilversum waar we wat mee kunnen. Maar dat de omroepen zelf het nooit eens zijn met elkaar, komt de duidelijkheid ook niet ten goede.»

Terwijl dát nu juist de achterliggende gedachte was van de veranderingen in het zendschema: omroepen zouden meer moeten gaan samenwerken ten gunste van de kwalitatief hoogstaande journalistieke invulling van de landelijke nieuws- en sportzender radio 1. Horizontalisering wordt dat in medialand genoemd. De ochtenden en de middagen zijn over de publieke omroepen verdeeld in de clusters die ook al van de televisie bekend zijn, dus Avro, KRO en NCRV doen beurtelings de middagen, en EO, Vara en VPRO de ochtenden. Daartussendoor, op de zogenaamde piekuren, is het radio 1-journaal te beluisteren. Cultuur op radio 1 is opgeschoven naar de «cultuurbalk», ’s avonds van zeven tot acht, in het weekend ingevuld door het aloude Avro-kunstprogramma Opium, doordeweeks door het nieuwe NPS-programma Kunststof.

Petra Possel presenteert (om beurten met Jellie Brouwer) deze min-of-meer-opvolger van het radio 5-programma Radio uit, pleisterplaats voor iedere aankomende dichter, hoboïst of kantklosser, en juicht deze concentratie toe: «Dat hele omroepbestel begint steeds meer onzin te worden. Je maakt gewoon een goed programma. Kunst en cultuur zijn helemaal naar elkaar toe gegroeid.» Ook Mieke van der Weij, in de luwte op de zaterdagochtend met een van de best beluisterde radioprogramma’s, de Tros nieuwsshow, ziet weinig reden waarom omroepen niet hetzelfde zouden kunnen doen. Alhoewel: «Ik hoor nog wel een verschil tussen de EO en de VPRO.» En Clairy Polak, bijna dagelijks te horen als presenator van het radio 1-journaal: «Die zuilen zijn achterhaald.»

Clairy Polak (44) is een van de opvallende stemgeluiden van radio 1. Ad rem, ironisch en vasthoudend lukt het haar om binnen drie minuten iemand te laten zeggen waar het om gaat. «Ik wil weten hoe het zit. Liefst in een vrij ontspannen sfeer. En ik ben niet bang om ‹domme› vragen te stellen. Ik weet trouwens dat ik overkom als een betweter.» Ze studeerde politicologie, maakte haar studie niet af en ging voor de Amsterdamse Uitkrant werken. Ze kwam bij de Vara in dienst als bureauredacteur op de politieke redactie van het toenmalige actualiteitenprogramma Woensdag- en Vrijdageditie. «En zoals dat dan gaat: er is eens iemand ziek, en er was geen andere verslaggever voor handen en dus stond ik opeens met die microfoon in mijn handen. En wordt er gezegd: wat een prettige stem. Zou je niet willen presenteren?» Van 1992 tot 1997 presenteerde ze naast haar andere werk het Vara-programma Punch, een nieuws- en achtergrondenprogramma, en daarna drie jaar het culturele programma Ophef en vertier, samen met Bo van de Meulen. Toen vijfenhalf jaar geleden alle actualiteitenprogramma’s opgingen in het radio 1-journaal, was Polak direct enthousiast. «Het was zó’n vooruitgang.» Dat ze wordt geregeerd door de waan van de dag is voor haar een uitgemaakte zaak. ‹Daar kies je voor.› Tegenwicht zoekt ze in het bij toerbeurt presenteren van Kopstukken, op radio 4 op de zaterdagochtend waarin ze met een min of meer bekende Nederlander praat over klassieke muziek, en in Uit het nieuws, op de zondagavond, voor een goed gesprek met iemand die tien jaar geleden de waan van de dag uitmaakte. Zo gelukkig als Polak altijd bij de radio was, ze lijkt een van de weinige radiomensen die geen enkele behoefte heeft om naar de televisie te gaan — zo pessimistisch is ze nu. «Het is voor het eerst dat ik moeite heb om op lange termijn te denken. Het radio 1-journaal stagneert in zijn ontwikkeling. En ik zie niemand op bazenniveau die daar een ommekeer in kan brengen.»

Zowel organisatorisch als inhoudelijk zijn er steeds meer zaken die Polak irriteren. In navolging van de BBC zou volgens haar veel meer nagedacht moeten worden over hoe elk programma zou moeten klinken en voor wie. «We moeten niet bang zijn voor ons eigen rondje om de kerk. Je zou met vaste redactie tjes moeten werken. Het ochtendprogramma wordt nu door een andere redactie gemaakt dan die het uitvoert. ’s Middags is er veel van toeval afhankelijk, dat zou minder moeten zijn. Je zou een visie moeten ontwikkelen op hoe je je ten aanzien van een aantal grote kwesties opstelt.» Als voorbeeld noemt ze de discussie over zinloos geweld. «Het heeft absoluut iets onbevredigends om elke keer weer iemand naar zo’n stille tocht te sturen en er eerbiedig verslag van te doen. Je zou het er met elkaar over moeten hebben hoe je met dit soort thema’s te werk gaat. Maar dan breekt je het gebrek aan leiding op, het gebrek aan continuïteit. Er is geen journalistiek geheugen, geen platform waar je het geheugen kunt opfrissen, of helpen creëren.»

Dat er geen continuïteit is bij de radio, heeft volgens Polak veel te maken met het gebrek aan carrièreperspectieven. «Ik heb al heel wat mensen voortijdig zien sneven.» Voor een deel heeft dat met salariëring te maken, maar ook met gebrek aan doorgroeimogelijkheden binnen een redactie. «En dan gaan mensen toch naar de televisie.»

Collega Harmke Pijpers (54) heeft zo ook heel wat goede radioproducers zien vertrekken naar de televisie. «Dan gaan ze voor de Ontbijtshow werken!» Zelf begon ze ooit als «secretaresse met ambities» bij de Vara, en wist direct al dat al die interessanterig rondlopende mannen in hun witte hemdsmouwen belachelijk waren. «Een heleboel is niet belangrijk.» Dit relativeringsvermogen weet ze met verve uit te dragen in haar wijze van presenteren. Een jarenlang roemrucht presentatieverleden bij de VPRO leidde niet naar de verlangde televisiecarrière, en ze maakte de overstap naar de Avro. «Opeens stond ik te boek als ‹die overloper›. Terwijl ik nooit van de VPRO ben geweest, altijd alleen van mezelf.» Het televisieprogramma dat ze niet zo lang geleden voor de Avro maakte, werd «te high brow» bevonden. Er kwam geen nieuwe serie. Wel liet de Avro weten haar niet kwijt te willen en werd ze ook zakelijk gezien keurig behandeld. «Ik ben razend geweest. Woedend. Het zou niet genoeg amusement zijn geweest. Op een gegeven moment heb ik toch maar weer m’n veters gestrikt en m’n big smile opgezet.» Nu zijn er andere plannen, want televisie blijft lokken voor Pijpers, ondanks haar enthousiasme voor de radio. «In Nederland heerst zo’n mentaliteit van ‹wij kunnen het echt niet›. Wij kunnen het wel!»

Met een groepje van radio 1 ging ze onlangs bij de BBC-radio op bezoek. «Wij zeiden tegen elkaar: ‹Als we hier hadden gezeten, waren we koninginnen geweest!› Het was heel goed voor ons zelfrespect.» De BBC heeft weliswaar het voordeel van de taal en heeft niet die moeizame geschiedenis van al die verschillende omroepen, maar als hét grote onderscheid ziet Pijpers toch vooral het verschil in status dat het medium daar heeft in vergelijking met hier. «De verschuivingen van mensen naar het ene of het andere programma worden op de voorpagina van The Guardian vermeld! De presentator is daar echt een anchorman, met alle vrijheid. Als je hier scherp bent, werkt dat tegen je. Hier heerst een poldermentaliteit. Altijd streeft men naar het gemiddelde. Ik erger me daar dood aan.»

Iemand als Harmke Pijpers zou men gewoon haar gang moeten laten gaan, vindt Djoeke Veeninga (48), sinds 1978 werkzaam bij de VPRO-radio. «Het radio 1-journaal klinkt nu als een nieuwsfabriek, goed en nuttig, maar wat eraan ontbreekt is pit, debat en onverwachte meningen.» Over haar eigen programma’s denkt Veeninga ook op die manier na. «Wij zouden er misschien wel iets meer losheid in mogen brengen. De tijd nemen voor een leuk, vals gesprek of een klein debatje.» Veeninga is behalve presen tator, voorheen van alle varianten op Villa VPRO en Het gebouw, tegenwoordig van De ochtenden op dinsdag- en vrijdagochtend (in afwisseling met Chris Kijne), buitenland redacteur. Ze maakte veel reportages in het buitenland, onder meer voor Standplaats Nl. Na de school voor de journalistiek kwam ze direct bij de VPRO-radio terecht, en deed daarnaast dingen voor de Vara, zoals samen met Hanneke Groenteman het roemruchte Hoor haar. Ze is volmaakt op haar plek bij de radio, heeft geen enkele aspiratie voor een televisieloopbaan. «Radio is een ontzettend leuk medium. Ontspannen en speels. Veel kan. Dat buiten we te weinig uit.» Wat niet wegneemt dat het ook een «raar stiefkindje» is. «De omroepen, met uitzondering van de VPRO, hebben hun radioafdelingen om zeep geholpen. Ze laten anderhalve man en een paardenkop de boel vollullen. Het heeft allemaal met geld te maken. Je zou je doodschrikken als je de budgetten zou bekijken. Van oudsher is de Nederlandse radio toch een beetje: plaatje, babbeltje, gezelligheid. Terwijl het juist een heel geschikt medium is voor bijvoorbeeld lange, inhoudelijke gesprekken. Je hebt veel meer tijd dan op televisie. Het is vreemd dat het zo veronacht zaamd is.»

Dat gevoel van veronachtzaming wordt gedeeld door Petra Possel (37) die de radio ook «het stiefkind» noemt. Maar terwijl Veeninga het tij nog wel eens ziet keren, is Possel ervan overtuigd dat het altijd zo zal blijven. «Er gaat hoe dan ook veel meer geld naar de televisie. De impact van televisie is ook niet te vergelijken met die van radio. Tien jaar lang was ik wekelijks op de radio te horen, en één keer verschijn ik op televisie en iedereen blijkt je te hebben gezien en er wat over te zeggen te hebben.» Na de school voor de journalistiek werkte ze voor De Effenaar in Eindhoven, een soort Paradiso. Ze organiseerde literatuur- en poëziemanifestaties en schreef stukjes voor de lokale literaire bladen. Ze werd redacteur van het Vara-kunstprogramma Ophef en vertier dat in die tijd werd gepresenteerd door Hanneke Groenteman en Berend Boudewijn. Toen Groenteman door ziekte was geveld, verving Possel haar gedurende een maand. Na drie jaar vertrok ze naar de Avro, om redactie én presentatie van het kunstprogramma Opium te gaan doen. Aanvankelijk presenteerde ze het samen met Matthijs van Nieuwkerk, later met Tonko Dop. Ongeveer drie jaar geleden maakte ze een uitstapje naar de televisie, voor het nieuwe kunstprogramma C-land, dat de opvolger was van Kunstmest. Met gemengde gevoelens kijkt ze terug op haar televisie-ervaringen.

«Radio en televisie hebben niets met elkaar te maken. Bij de televisie word je ‹strak gezet›. Bij de radio kun je ontspannen reageren. Een goed gesprek is een lekker gesprek, zoals je dat voert in een café, maar dan zonder bijgeluiden. Als presentator moet je alert én ontspannen zijn. Op televisie bemoeien ze zich met je tot op het niveau van het interviewen. ‹Nee, dat is geen goeie openingsvraag.› Alles moet simpel worden gehouden. Persoonlijke grapjes worden niet aangemoedigd. Ik vind het wat dat betreft niet erg dat radio altijd wel dat stiefkind zal blijven. Het geeft een enorme vrijheid. Wordt het belangrijker, dan gaan ze zich meer met je bemoeien en voor je het weet kom je dan ook bij de radio strak in het pak te zitten.»

«Vroeger werkten er 25 mensen bij het Avro Radiojournaal», vertelt Marjolijn Uitzinger (53). «Kosten noch moeite werden gespaard, overal zaten correspondenten.» Uitzinger maakte deel uit van de eerste lichting die van de school voor de journalistiek afkwam, eind jaren zestig. In 1969 begon ze in de parlementaire journalistiek bij de Volkskrant en Het Vrije Volk. In 1981 richtte ze samen met collega-journalist Ank Benko een bureau op, Tendum, dat voor verschillende bladen schrijft en discussies leidt. Vanuit dit bureau werkte ze aan diverse politieke radio- en televisieprogramma’s van de Vara mee. Op de televisie Haagse bluf, Drie vrouwen (een satirisch programma met Ati Dijck meester en Dieuwertje Blok, later vervangen door Astrid Joosten), Welbeschouwd, nog iets met Maurice de Hond… Voor de radio staat met name het legendarische De rooie haan in het geheugen gegrift. «Ik denk niet dat er nu nog zo’n programma gemaakt zou kunnen worden. Politici spaarden hun primeurtjes op voor De rooie haan. Het nieuws werd via de radio gebracht. Iedereen luisterde daarnaar. De rooie haan was zoiets als Buitenhof nu. Maar dan leuker, zuigender, grappiger.»

Bij de Vara hield het werk in 1988 op. Marcel van Dam draaide alle politieke programma’s de nek om, op radio en televisie. «Ik denk dat hij dacht dat nu hij weg was uit Den Haag, de aardigheid er daar van af was.» Uitzinger is zich op radio gaan concentreren en wil absoluut niet meer op televisie. «Mensen op straat gaan naar je kijken, je aanspreken. Ik vind radio aardiger, leuker.»

Mieke van der Weij (44) daarentegen zou zo weer iets voor de televisie willen doen: «Een echt leuk kunstprogramma.» Dat programma presenteerde ze enige jaren geleden voor de NPS, Kunstmest, drie jaar lang. «Dan krijg je het wel voor je kiezen. Van de omroep moet alles toegankelijk zijn, terwijl sommige kunstenaars een dédain voor het medium hebben.» Van der Weij studeerde Nederlands en belandde daarna in de avonddienst bij Het Parool. Samen met haar zus schreef ze stukjes voor de jeugdpagina. De link met de radio ontstond toen haar stukjes werden opgepikt en voorgelezen als radio column. Aanvankelijk door iemand anders, tot haar ergernis. «Ik was niet naar de radio gegaan om m’n stukkies te blijven inleveren. Als ik ergens zit, grijp ik mijn kansen.» Voor de Avro begon ze, torsend met een twintig kilo wegende Nagra, zo’n onder alle omstandigheden stationair draaiende bandrecorder, programma’s voor de jeugd te maken, het ene nog inventiever en arbeidsintensiever dan het andere. «Zo leer je het vak wel.» Behalve de Tros nieuwsshow leidt ze op zondagavond voor de radio het journalisten forum, ook een Tros-programma. Van der Weij is freelancer die moeiteloos niet alleen van omroep, maar ook van medium wisselt. Voor de NCRV-televisie presenteert ze De rijdende rechter, niet zo voor de hand liggend maar volgens haarzelf erg leuk en bevredigend bovendien. «Het klinkt misschien heel braaf, maar je doet er ongelooflijk veel mensen een groot plezier mee.» Voor de televisiepoot van de Wereldomroep presenteert ze ook nog verschillende programma’s. «Televisie staat in de schijnwerpers en radio bevindt zich in de marge. Terwijl radio inhoudelijk een hoger niveau heeft. Ik ben echt een radiovrouw, of óók een radiovrouw. Maar het is heel simpel: als ik alleen radio zou doen, kon ik niet in mijn huis wonen. Er is een absurd verschil in beloning, echt met factor tien. Daaruit kun je het statusverschil afleiden.»

Weliswaar zijn met name Clairy Polak en Harmke Pijpers beducht voor het zieligheidssyndroom van radiomensen, het is opvallend dat iedereen legio voorbeelden weet te noemen van de liefdeloosheid waarmee met radio wordt omgesprongen. Het frequentiedebacle is daarin wel een voorlopig hoogtepunt te noemen. Uitzinger: «Mensen kunnen radio 1 in de auto niet meer vinden. Tot in Zuid-Frankrijk kon je het ontvangen. FM is te zwak.» Achterliggende reden dat radio 1 van frequentie moest veranderen was dat radio 1 een dubbele ontvangstmogelijkheid had, zowel via de FM als via de middengolf, hetgeen gezien de schaarser wordende ruimte niet wenselijk werd geacht. Bovendien kon radio 5 wel een lift gebruiken en dus werd die verblijd met de oude, sterke radio 1-frequentie. Slechts één onvoorzien probleempje rees: er was nog geen goede vervangende frequentie voor radio 1 bedacht. Volgens Polak is dit Hilversums mismanagement ten voeten uit. «Je verandert iets en zoekt vervolgens oplos singen die nog slechter zijn.» Pijpers noemt het «amateurisme», Veeninga «domheid» en «die typisch Hilversumse compromis achtigheid». Uitzinger: «Jeltje van Nieuwenhoven zei tegen mij: in Den Haag heeft men niet begrepen dat het niet om een luxepositie van dubbele uitzending gaat, maar om dubbele ontvangst. Het was onwetendheid.»

En waarom er dan niet zoiets als een gezamenlijke opstand uitbreekt? De diverse presentatoren van radio 1 kennen elkaar wel en kennen elkaar niet. En dat is het tweede grote probleem: het wel en niet willen samenwerken aan één landelijke nieuws- en sportzender. Voor een deel zijn er onwil, gesputter en taaie tribale gevoelens bij de omroepen zelf, voor een ander deel is een begeesterende visie «van boven» afwezig. Polak: «Wij zijn met grote ruwe steken aan elkaar genaaid. Wij zijn niet één zender. Wij zijn een lappendeken. Een broddellap. Wat de BBC goed doet, is de zender als zender programmeren. Elk programma is op een bepaald tijdstip gezet met het oog op een bepaalde doelgroep. Als je het over zenders hebt, moet je een visie ontwikkelen op zenderprofiel en zenderkleuring. En moet je niet een zendercoördinator hebben die bezig is verschillende omroepen zoet te houden.»

Djoeke Veeninga vindt het weliswaar niet verkeerd dat er meer afspraken worden gemaakt over wie wat doet, maar gelooft in de kracht van de eigen groep. «Het komt de kwaliteit ten goede als je werkt met mensen met wie je iets ongrijpbaars deelt, namelijk smaak. Ik heb geen principiële bezwaren tegen werken met de EO. Het zou ook vrij belachelijk zijn om me als buitenlandredacteur die al te veel communale en religieuze conflicten heeft gezien op de wereld in een eigen club te gaan verschansen. Maar ik vraag me wel af: is het vruchtbaar om zo’n samenwerking aan te gaan? Misschien wel als die zender zich meer en meer ontwikkelt tot een echte nieuws- en actualiteitenzender, waar het meer gaat om rechttoe rechtaan informatie geven. Wij komen uit een traditie van bijzondere dingen bedenken.»

Of luisteraars op ieder uur hetzelfde soort informatie willen horen, vraagt Veeninga zich sterk af. «Met het oog op morgen wordt altijd als hét succes van horizontalisering genoemd, terwijl dat te maken heeft met het type programma en het tijdstip. Het NOS-journaal werkt ook, ja natuurlijk werkt dat!»

Marjolijn Uitzinger ziet evenmin het nut van horizontale programmering. Luisteraars willen volgens haar herkenbaarheid in zoverre dat ze ervan zijn verzekerd dat als ze ergens tussen twee en vijf de radio aanzetten, een gevarieerd pakket krijgen voorgezet, met meer achtergrond dan in het actualiteitenblok. «Het moet radio 1-achtig zijn.» Het verschil tussen de omroepen vergelijkt Uitzinger met een krantenprofiel. «De Volkskrant is ook duidelijk anders dan de NRC. Bij omroepen is dat lastiger, want radio is een massamedium en dan kun je niet veel met doelgroepen. Dus iedereen richt zich op ongeveer dezelfde manier op hetzelfde publiek.»

Alle presentatoren zijn het erover eens dat van de publieke omroepen de VPRO de enige omroep is die ook écht anders is dan de andere. Zou Possel twintig jaar geleden niet willen worden aangetroffen in het Tros-gebouw, en tien jaar geleden niet zo snel voor de Tros zijn gaan werken, nu denkt ze: «Waarom niet?» Uitzinger daarentegen heeft juist met de Tros nog steeds een probleem. «De Tros nieuws show vind ik heel leuk, maar verder, als je die programmering ziet, vind ik het toch oubollig. Een echt Hollandse omroep.» Van der Weij vond het «meteen prettig» bij de Tros nieuwsshow. «Alles kan gewoon wel.» Voor de televisie vindt de Tros haar echter, ook al, «te high brow».

Een «rare spagaat» noemen verschillende presentatoren het gevolg van de tegenstrijdige eisen die aan de omroepen worden gesteld. Pijpers: «Er moet worden geprofileerd, anders heb je geen bestaansrecht, én er moet worden samengewerkt. Idioot beleid is het.» Uitzinger: «Je ziet het aan Netwerk. Het moet een gezamenlijk product zijn, maar het is niet één product geworden. Elke omroep probeert toch zijn eigen identiteit hoog te houden binnen die samenwerking.» Polak: «Met al die zelfstandige redactietjes kunnen we nooit één zender worden. De omroepen hebben het primaat, terwijl de zender dat zou moeten hebben. Neem nu het feit dat sport voor alles gaat. Dat als Ajax tegen PSV voetbalt, wij opeens een uur moeten inleveren. Het is niet erg als er één iemand over zou gaan die de dingen tegen elkaar afweegt en als er consensus over is.» Veeninga weet dat stroomlijning een informatieve zender ten goede zou komen, maar ervaart het toch als een per soonlijk verlies. «Alsof we afstand moeten doen van een eigen geluid.» Pijpers: «Het komt nooit echt goed van de grond, die ene zender. Binnen de VPRO heerst van oudsher een enigszins elitaire stemming. Terwijl het erom gaat dat je mensen moet bedienen. Vijf jaar geleden dacht iedereen dat radio 1 een grote grijze middenmoot zou worden. Je kunt je echter heel leuk onderscheiden door de manier waarop je vragen stelt.»

In de spagaattoestand wordt de rol van de presentatoren steeds belangrijker. Uitzinger: «Ik schakel in op de presentator die mij ligt. Al zijn de gasten saai, ik weet dat hij of zij er wat van maakt. Ik denk dat mensen ook op mij inschakelen.» Voor deze presentatoren geldt dat ze alle zes geprononceerd aanwezig zijn, zowel in hun stemgeluid als in hun directheid. Pijpers: «Vroeger werd het van een vrouw niet gepikt als ze bijvoorbeeld doorvroeg. Dan was je de bitch. Inmiddels is men wel gewend aan pittige dames.» Van der Weij: «Ik ben wel direct. Maar dat is iets anders dan brutaal. Ik vind het altijd prettig als er een beetje gelachen kan worden.» Polak: «Te veel persoonlijkheid wordt vaak niet op prijs gesteld. Ik vraag gewoon door. Judith Bosch zei me tijdens een presentatiecursus dat al te laag op de radio niet goed is. Laag lijkt warm, veilig, zeker. Zij leerde me hoog in te zetten.» Uitzinger: «Ik moet mijn best doen mijn stem op te tillen. Als je laag begint, kun je niet meer omhoog.» Possel: «Ik streef ernaar net zo brutaal op de radio te zijn als in het dagelijkse leven. Vroeger sprak ik lager dan nu op de radio. Volgens Judith Bosch bromde ik me een weg door de wereld. Ik heb geleerd meer klankkleur te gebruiken in mijn stem.» Veeninga: «Men zegt dat ik het typische VPRO-geluid heb.»