Bataven, sceptici en weekbladen

De diverse Verlichtingen

De Nederlandse revolutie aan het einde van de achttiende eeuw kan niet worden afgedaan als een flauwe imitatie van Franse denkbeelden. De drijvende kracht achter het Nederlandse revolutionaire proces was een christelijke variant van de Verlichting

Het publicitaire strovuurtje dat eind vorig jaar plots oplaaide en met veel bombarie werd opgeklopt tot «het satiredebat», over de mate waarin de spot mocht worden gedreven met het koninklijk huis, was in verschillende opzichten lachwekkend. Iedereen riep maar wat, en van een fundamentele discussie over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting of de tolerantiedrempel met betrekking tot ranzigheid was geen sprake. Het meest bespottelijk evenwel was het volkomen gebrek aan historisch besef bij degenen die het «debat» hadden aangezwengeld: premier Balkenende en minister Donner. Van een historicus en een telg uit een regentenfamilie zou je immers anders mogen verwachten.
De stuitend amateuristische en hopeloos niet-leuke kleipoppetjes van BNN die de voornaamste steen des aanstoots vormden, zijn namelijk ongekend braaf en voorzichtig als je ze vergelijkt met de wijze waarop in de achttiende eeuw de Oranjes werden aangevallen. Tegen standers van het stadhouderlijk regime legden zichzelf toen absoluut geen beperkingen op. Zo verscheen bijvoorbeeld in 1786 het Gestoorde naaypartytje van Willem de Vde, van de hand van Pieter Vreede, waarin de impotentie van de stadhouder dient als metafoor voor de politiek-militaire onmacht en het zedelijk verval van de Republiek. In het satirische weekblad Janus dat een jaar later verscheen, werd de weinig ontzag inboezemende Oranjetelg onophoudelijk voor rotte vis uitgemaakt. In Pieter van Wissings Stokebrand Janus 1787 kunnen we lezen dat «malle» of «zotte» Willem werd afgeschilderd als een dik, dom en arrogant varken dat voortdurend dronken was en vreemdging. De satirici uit 1787 deinsden er zelfs niet voor terug de onderbroek van de stadhouder aan een inspectie te onderwerpen, om te constateren dat die er allesbehalve smakelijk uitzag.
Nu stond er in het laatste kwart van de achttiende eeuw, in tegenstelling tot vandaag, ook wel iets op het spel. Door de Verlichting aangeraakte critici uit de burgerij stelden de prins van Oranje verantwoordelijk voor de economische achteruitgang, het rampzalige verloop van de Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784) en een corrupt en inefficiënt staatsbestuur, waarbij oude rechten van steden en gewesten dikwijls met voeten werden getreden. Deze critici pleitten voor een regeneratie van de Republiek en beschouwden zichzelf als ware vaderlanders, en staan sindsdien dus bekend als de «patriotten». Het jarenlang slepende conflict mondde in 1786, toen de stadhouderlijke troepen de patriotse stadjes Hattem en Elburg belegerden, uit in een burgeroorlog, die alleen door het weinig krachtdadige optreden van beide zijden een niet al te bloedig karakter kreeg.
In september 1787 werd de patriotse revolutie de kop ingedrukt, niet door stevig ingrijpen van Willem V, maar doordat diens zwager, Frederik Willem II van Pruisen, met een grote legermacht orde op zaken stelde. Enkele tienduizenden patriotten vluchtten naar de zuidelijke Nederlanden en Frankrijk, waar ze moesten wachten totdat in 1795 de Franse troepen de stadhouder verjoegen en de Bataafse Republiek werd uitgeroepen.

Hoewel Willem V er in de traditionele geschiedschrijving nogal beroerd vanaf kwam, konden ook zijn tegenstanders op weinig genade van het nageslacht rekenen. Ze hadden immers de ideeën van de Franse Revolutie klakkeloos gekopieerd en hielden geen rekening met de historisch gegroeide verhoudingen in Nederland; ze waren wil loze marionetten van de Franse overheid, en dus helemaal geen goede vaderlanders; ze hadden geen oog gehad voor de historische betekenis van de Oranjes voor Nederland, en het waren radicale godloochenaars. Na de Tweede Wereldoorlog werden de patriotten dikwijls gelijkgesteld aan NSB’ers, waarbij het volgens vele nationalisten geen toeval kon zijn dat reeds onder de patriotten een voorvader van Rost van Tonningen werd aangetroffen.
Gaandeweg werd met een minder bevangen blik naar de patriotten gekeken en ontstond meer waardering voor wat steeds vaker werd gezien als een authentieke Nederlandse revolutie. De invoering van een constitutie, de scheiding van kerk en staat, de erkenning van burgerrechten en de afschaffing van privileges waren niet louter te danken aan de Franse bezetting, maar kwamen tevens voort uit een inheems politiek proces. In deze trend past ook de lijvige studie Bataven! van Joost Rosendaal. In dit helder geschreven en fraai uitgegeven boek gaat Rosendaal niet alleen in op de lotgevallen van de talloze vluchtelingen die van 1787 tot 1795 in ballingschap leefden, maar onderzoekt hij ook de relatie tussen de Nederlandse revolutie en de Franse.
Rosendaal laat zien dat de Nederlandse revolutie wel degelijk een eigen karakter had en dat de politieke taal van de patriotten was gebaseerd op een enigszins overspannen beeld van het vaderlandse verleden. Onder invloed van de Franse Revolutie onderging het Nederlandse radicalisme wel een verandering, maar kan het toch niet worden afgedaan als een flauwe imitatie van Franse denkbeelden. Volgens Rosendaal wortelt de Bataafse revolutie in de typisch Nederlandse variant van de Verlichting, die behalve door een obsessie met het verleden werd gekenmerkt door een christelijke geloofsovertuiging. Hoewel niet iedere Nederlandse representant van de Verlichting automatisch een patriot werd, was deze christelijke variant van de Verlichting de drijvende kracht achter het Nederlandse revolutionaire proces.
Voor een deel zagen de patriotten de godsdienst als een belangrijk bindmiddel van de maatschappij, en sommigen beschouwden religie als een noodzakelijk kwaad. Volgens de radicale patriot Gerrit Paape was negentig procent van het volk dom en barbaars en werd het met behulp van het speelgoed van de godsdienst nog enigszins in toom gehouden. Het volk bestond uit kinderen, en die kun je ook niet opvoeden door ze het speelgoed uit de handen te slaan. Geduldig onderwijzen in de geest van de rede is de enige manier om volwassen mensen van ze te maken, die aan speelgoed geen behoefte meer hebben. Andere Nederlandse revolu tionairen hadden een positievere kijk op de godsdienst, en waren van mening dat christendom en rede elkaar allerminst uit sloten.

Hoewel Rosendaal geen expliciete vergelijking maakt tussen de Verlichting in Nederland en Frankrijk lijkt hij ervan overtuigd dat er een aanzienlijk verschil was. De Nederlandse Verlichting week volgens hem in belangrijke mate af van wat wij over het algemeen verstaan onder «de» Verlichting, die we nog altijd in de eerste plaats asso ciëren met philosophes als Voltaire, Diderot en Rousseau. Nu wordt de laatste jaren echter steeds duidelijker dat er niet één Verlichting is geweest, die min of meer kan gelden als de standaard waar allerlei varianten aan kunnen worden afgemeten. Een historicus als John Pocock stelt dat eerder gesproken dient te worden van een reeks «Verlichtingen», die bijvoorbeeld in Engeland, Schotland, Duitsland en Italië niet alleen een eigen karakter maar ook uiteenlopende wortels hadden. Volgens Jonathan Israël moet de oorsprong van het intellectuele moderniserings proces worden gezocht in Nederland, en is vooral Spinoza verantwoordelijk voor deze revolutie in het denken.
Kenmerkend voor de meeste Verlichting-studies is dat ze zich in meerderheid concentreren op het werk van een kleine groep denkers, die zich steeds meer begonnen te verzetten tegen de dogma’s van de kerk en autoritaire pretenties van de absolute monarchie. Een typerend voorbeeld hiervan is de oorspronkelijk uit 1960 daterende History of Scepticism van Richard Popkin, waarvan vorig jaar een sterk uitgebreide en herziene versie verscheen. Popkin signaleerde in de Renaissance een herontdekking van het scepticisme uit de Griekse oudheid, dat vanaf de zestiende eeuw een enorme invloed uitoefende op het intellec tuele klimaat in Europa. Deze ontwikkeling zou culmineren in het werk van de in Rotterdam werkende Franse filosoof Pierre Bayle. Verlichtingsdenkers als Voltaire en Diderot borduurden hierop voort, en geleidelijk wonnen het rationalisme en de wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid veld, en werd de westerse wereld «modern».
Hoewel de toenemende secularisatie doorgaans wordt gezien als een van de belangrijkste kenmerken van dit moderniseringsproces schrokken veel intellectuele vernieuwers lange tijd terug voor een radicaal atheïsme. Dit was niet alleen omdat men, zoals Paape, bang was dat het gemene volk dan de boel kort en klein zou slaan, maar het zou tevens een complete breuk vormen met een maatschappij en een cultuur die na anderhalf millennium doordesemd waren met het christelijk geloof. Vaak wordt het deïsme — het geloof dat de wereld werd geschapen door God, maar dat Deze Zich sindsdien niet meer met de dagelijkse gang van zaken bemoeit — gezien als een soort tussenfase. Toonaangevende historici als Israël en Roy Porter gaan ervan uit dat er een omvangrijke deïstische beweging is geweest die allerlei radicale ideeën heeft verbreid en die een van de belangrijkste drijvende krachten achter de Verlichting vormde.

Die opvatting wordt met verve bestreden door de eveneens Britse historicus S.J. Barnett, in zijn The Enlightenment and Religion. Die grootscheepse, radicale deïstische beweging is volgens Barnett een verzinsel van historici, die telkens weer hetzelfde handjevol vermeend deïstische auteurs opvoeren als «bewijs». Niet alleen is het aantal aangehaalde deïstische denkers zo klein dat je onmogelijk van een beweging kunt spreken, ook liepen de denkbeelden van deze intellectuelen zozeer uiteen dat ze onmogelijk onder één noemer te brengen zijn. Barnett erkent dat in zeventiende- en achttiende-eeuwse bronnen vaak wordt verwezen naar het deïsme, maar volgens hem kwam het de kerkelijke en wereldlijke autoriteiten heel goed uit om het publiek angst aan te jagen. Volgens de deïstische opvattingen zou immers de kerk overbodig zijn, en aangezien de kerk een centrale functie in de maatschappij vervulde, zou dat leiden tot sociale desintegratie en wanorde.
Uiteraard ontkent Barnett niet dat er enkele deïsten, en zelfs atheïsten waren, maar dat waren zeer zeldzame figuren die in hun radicalisme geen enkele aansluiting vonden bij het publiek. Volgens hem is het grote probleem van veel studies over de Verlichting dat impliciet wordt uitgegaan van een top-down-_model. De meeste historici hebben zich immers geconcentreerd op een kleine elite van radicale denkers, die geheel op eigen kracht allerlei revolutionaire denkbeelden heeft ontwikkeld, waarna die opvattingen gepopulariseerd raakten en geleidelijk doorsijpelden naar de rest van de samenleving. Het was deze intellectuele klimaatsverandering die werd aangeduid met «Verlichting» en die de voedingsbodem vormde voor de Franse Revolutie. Vaak gaat men er zelfs vanuit, in navolging van Habermas’ _Strukturwandel der Öffentlichkeit, dat pas in de loop van de achttiende eeuw iets ontstond als de «publieke opinie».
Volgens Barnett zijn historici bij hun bestudering van de Verlichting veel te veel uitgegaan van de geschriften van de Verlichters zelf. Alleen op die manier kan men namelijk tot de conclusie komen dat de publieke opinie en het openbare debat pas ontstonden toen de philosophes op het toneel verschenen. De zeventiende en achttiende eeuw werden geteisterd door politiek-religieuze conflicten, waarbij in de diverse landen verschillende godsdienstige stromingen in verzet kwamen tegen het bondgenootschap van staat en kerk. Zo vochten in Frankrijk onder meer de Hugenoten en de Jansenisten — vrome katholieken die terug wilden naar de pure, eenvoudige kerk uit de tijd van Augustinus, toen die nog niet was gecorrumpeerd door allerlei middeleeuwse flauwekul — de macht van de Bourbons en de gallicaanse kerk aan. In de felle twisten en polemieken hanteerden deze fanatieke gelovigen, die op geen enkele manier als «deïsten» konden worden beschouwd, argumenten die later door de zogenaamde Verlichters werden overgenomen. Zo was in de ogen van Barnett de door Popkin bejubelde Pierre Bayle helemaal geen scepticus, maar een militante calvinist wiens geschriften door Voltaire al dan niet moedwillig werden misverstaan. De denkers die worden beschouwd als fakkeldragers van de Verlichting waren volgens hem sterk beïnvloed door allerlei polemieken binnen de christelijke kerken. In dit opzicht lijkt de Nederlandse Verlichting dan ook niet zo sterk te verschillen van de Engelse of Franse.
De typische Verlichtingsdenkers hebben uiteraard een rol gespeeld in het verbreiden van bepaalde radicale denkbeelden, maar hun opvattingen kwamen niet uit de lucht vallen. Het zou daarom interessant zijn veel meer te kijken naar het totale intellectuele klimaat en de religieuze en politieke opvattingen die onder het, nog niet verlichte, brede publiek leefden. In plaats van de top-down-benadering te kiezen, zal men ook naar het omgekeerde traject dienen te kijken en de radicale denkers meer moeten zien als mensen die opereerden binnen bepaalde, nog niet volledig in kaart gebrachte, ideologische en religieuze kaders. Terwijl op andere terreinen van de geschiedenis de zogenaamde «grote-mannengeschiedenis» heeft plaatsgemaakt voor een nauwgezette bestudering van de sociale, economische, politieke en culturele verhoudingen, staren ideeënhistorici zich blijkbaar nog steeds blind op de even revolutionaire als briljante ideeën van een handvol intellectuelen, die op eigen houtje de westerse wereld zouden hebben gemoderniseerd.

Pieter van Wissing
Stokebrand Janus 1787: Opkomst en ondergang van een achttiende-eeuws satirisch politiek-literair weekblad
Vantilt, 600 blz., € 34,90

Joost Rosendaal
Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795
Vantilt, 736 blz., € 39,90

Richard Popkin The History of Scepticism: From Savonarola to Bayle
Oxford University Press, 407 blz., € 32,50

S.J. Barnett The Enlightenment and Religion: The Myths of Modernity
Manchester University Press, 244 blz., € 27,50

_______________________

Donald Kagan
De Peloponnesische oorlog
Nadat de Grieken, onder aanvoering van Athene en Sparta, aan het begin van de vijfde eeuw voor Christus de Perzen hadden verslagen, maakten zij een periode van ongekende economische en culturele bloei mee. Het waren ook de hoogtijdagen van de Atheense democratie. De toenemende macht van Athene wekte afgunst en agressie op, zodat de Peloponnesische staatjes onder leiding van Sparta trachtten die macht te breken. De oorlog die tussen 431 en 404 voor Christus in Griekenland woedde, was niet alleen ongekend bloedig en verwoestend, maar betekende ook een terugval in de barbarij. Van de door hedendaagse conservatieven veel geroemde «eerethiek» bleef weinig over. Ooggetuige en historicus Thucydides constateerde dit reeds: «Wie fraaie bewoordingen wist te vinden voor verfoeilijke daden, stond het hoogst in aanzien.»
Balans, 540 blz., € 27,50

De dood van koning Arthur
Bloedig en barbaars waren ook de talloze oorlogen van koning Arthur, al hebben hier de legendes de werkelijkheid zozeer overwoekerd dat beide nauwelijks meer uit elkaar zijn te houden. Oorzaak hiervan is het feit dat pas verschillende eeuwen na zijn dood over Arthur werd geschreven, en dat die verhalen steeds mooier en uitbundiger werden. Bovendien transformeerde de figuur van Arthur toen de verhalen het Kanaal overstaken. In de Franstalige Arthur-romans die vanaf de twaalfde eeuw op het vasteland verschenen, is hij niet de Keltische geweldenaar, maar een tragische, door vrijwel iedereen verraden vorst. Het uit 1230 daterende De dood van koning Arthur is het laatste deel uit een reeks boeken over Arthur, Lancelot, Walewijn en de andere ridders van de Ronde Tafel. Prachtig vertaald door Sander Berg.
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 233 blz., € 22,50
Bart Ramakers (red.)
Conformisten en rebellen
Maakten de Arthur-romans deel uit van een hofcultuur, al waren ze onder het volk zeer populair, de aan het einde van de Middel eeuwen opkomende rederijkers waren afkomstig uit de burgerij. Hun literaire productie was sterk verbonden met de opkomst van de steden, en vormt daar dan ook een spiegel van. In deze bundel wordt niet alleen aandacht besteed aan de literatuur die door rederijkers werd geschreven, maar ook aan de sociale, economische, politieke en religieuze verhoudingen die in dat werk worden weerspiegeld. Het aardige van deze sterk uiteen lopende artikelen is dat ze een fraaie combinatie vormen van sociale geschiedenis en cultuurgeschiedenis. Bovendien gaat het boek vergezeld van een cd, waarop het gezelschap Camerata Trajectina 25 rederijkersliedjes uitvoert.
Amsterdam University Press, 330 blz., € 28,50

Mary Laven
Vrouwenkloosters in Venetië
Tijdens de Renaissance had Venetië dezelfde reputatie als het oudtestamentische Sodom en Gomorra. Bezoekers verwonderden zich erover dat het in de stad niet alleen wemelde van joden en «ongelovigen», maar dat er ook nog eens «twintigduizend hoeren» waren. Veel Venetiaanse vrouwen uit de hogere klassen droegen namelijk extravagante kleren, hoge hakken en uitbundige make-up, en gedroegen zich in de ogen van vele buitenlanders als lichtekooien. Nogal wat van die dochters belandden overigens in vrouwenkloosters, om de versnippering van het familiefortuin te voorkomen. Met een toelage van hun familie konden ze daar meestal een prettig, luxe en soms zelfs wellustig leventje leiden. Met de komst van de Reformatie begon de katholieke kerk echter de teugels weer strak aan te trekken en dienden de kloosterregels weer streng te worden nageleefd. In dit boek heeft Laven dit proces op zeer boeiende wijze beschreven, waarbij ze zowel oog heeft voor de politieke en religieuze ontwikkelingen, als voor het saillante en amoureuze detail.
Contact, 320 blz., € 29,90

J.K. van der Korst
Een dokter van formaat
De katholieken van Venetië mochten het niet gemakkelijk hebben, daarbuiten viel het vaak ook niet mee. Zo zag de achttiende-eeuwse katholieke arts Gerard van Swieten, een veelbelovend leerling van Boerhave, zijn carrièremogelijkheden in de calvinistische Republiek ernstig beknot. Daarom vertrok hij naar Oostenrijk, waar hij niet alleen de lijfarts van keizerin Maria Theresia, maar ook een van haar belangrijkste adviseurs werd en bovendien optrad als censor. Van Swieten was een gematigd representant van de Verlichting, die zich genoodzaakt zag een boek van Voltaire te verbieden.
Bert Bakker, 356 blz., € 22,50

Huub Wijfjes
Journalistiek in Nederland 1850-2000
«Waarom drinken en roken journalisten zo veel?» Met deze interessante onderzoeksvraag opent het vuistdikke boek dat Huub Wijfjes heeft geschreven over de journalistieke cultuur en de beroepsorganisaties van Nederlandse journalisten. Gelukkig heeft hij zich niet uitgeput in een medisch en/of psychologisch onderzoek, maar heeft hij aan de hand van de geschiedenis van de organisaties van journalisten en de veranderende opvattingen over het vak een groots opgezet beeld geschetst van een beroepsgroep die zichzelf als vrij bijzonder ziet, maar door buitenstaanders niet zelden wordt uitgemaakt voor ratten, muskieten, bureaumoordenaars, mestharkers, inktkoelies, luizen en nog zo het een en ander. Die kritiek en het feit dat het vak in de ogen van journalisten zelf vrijwel volledige overgave eist, maken de journalistiek wellicht tot zo’n ongezond beroep.
Boom, 620 blz., € 29,50

Leo van Bergen
Een menslievende en nationale taak
Het oorspronkelijke doel van het internationale Rode Kruis — het zonder aanzien des persoons verlenen van medische hulp in oorlogs situaties — stond vanaf het begin op gespannen voet met de werkelijkheid. De organisatie kon alleen functioneren door middel van afdelingen in de verschillende landen, die dus onmogelijk neutraal konden zijn. Van Bergen laat zien dat ook het Nederlandsch-Indische Roode Kruis allesbehalve neutraal was en dat het een niet onaanzienlijke rol speelde in de koloniale en militaire politiek van Nederland.
Aspekt, 302 blz., € 27,-

Roland Dorgelès
Houten kruisen
Het oorlogsleed nam tijdens de Eerste Wereldoorlog een vorm en een omvang aan die tot dan toe ongekend waren. Dit oorspronkelijk in 1919 verschenen egodocument van een Franse poilu behoort tot de vroegste getuigenissen van deze oorlog en is nog altijd zeer lezenswaard. Meeslepend en aangrijpend schrijft Dorgelès over de waanzin, de ellende en de camara derie. Bovendien doet hij dat af en toe met humor, al heeft hij daar aan het eind van het boek een zekere wroeging over, «alsof ik uit het hout van jullie kruisen een fluitje heb gesneden».
Arbeiderspers (Oorlogsdomein), 339 blz., € 23,95