De dochter van de varkensfokker

Een boek van Thomas Hardy is altijd droevig. In De onbeduidende Jude lijken de personages alleen gelukkig als ze zich door hun negentiende-eeuwse Zuid-Engelse landschap bewegen.

Thomas Hardy schreef niet voor optimistische lezers © Culture Club / Getty Images

Over het hart van Thomas Hardy bestaat een merkwaardig verhaal. Na zijn dood was er onenigheid over waar hij begraven moest worden. Uiteindelijk werd besloten om, net als bij Chopin, hart en lichaam te scheiden. Het hart ging naar een kerkhof in Stinsford, Zuid-Engeland. Voor het lichaam werd een staatsbegrafenis georganiseerd. Het schijnt dat de dokter die de operatie uitvoerde, het hart in een handdoek wikkelde en opborg in een cakeblik. ’s Nachts tikte een kat het blik op de grond en verorberde het hart. De knecht van de buren was bereid om de kat dood te schieten, waarna de maag van het beest werd geopend en het hart alsnog de geplande bestemming kreeg.

Ik las deze anekdote in het voorwoord bij Cakes and Ale (1930), een roman van W. Somerset Maugham waarin Hardy enigszins belachelijk wordt gemaakt. Somerset Maugham keek altijd met plezier terug op dit boek. Op een avond stond hij in zijn villa aan de Franse Rivièra voor zijn boekenkast, zich afvragend wat hij in bed zou gaan lezen. ‘Het is jammer dat ik Cakes and Ale heb geschreven,’ verzuchtte hij, ‘want dat was nou precies waar ik zin in zou hebben.’

Iets dergelijks zal Thomas Hardy (1840-1928) nooit gedacht hebben over Jude the Obscure. Hij schreef het boek lang voordat zijn hart door de kat werd opgegeten, en toch was het zijn laatste roman. Hardy was uit het veld geslagen door de vernietigende recensies. De laatste 33 jaar van zijn leven richtte hij zich alleen nog op poëzie.

Die vernietigende recensies hadden niets met de literaire kwaliteit maar alles met de verderfelijk geachte inhoud te maken. Er wordt in het boek nogal wat kritiek geventileerd op het geloof en met name het huwelijk. De krant van de Church of England noemde de roman ‘a shameful nightmare, which one only wishes to forget as quickly and as completely as possible’. Een verbolgen Australische lezer verbrandde zijn exemplaar en verstuurde de as naar de schrijver. Dat schijnt Hardy dan wel weer geestig te hebben gevonden.

125 jaar na de verschijning van Jude the Obscure is het boek voor het eerst in het Nederlands vertaald, door Arie Storm. Die geeft in zijn nawoord een alternatieve verklaring voor Hardy’s besluit om geen proza meer te schrijven: door het commerciële succes van Jude (want het verkocht wél goed) kon hij het zich veroorloven om alleen nog maar te doen wat hij het liefst deed, namelijk dichten.

Hardy werd nooit veel gelezen in Nederland. In de twintigste eeuw verschenen slechts twee vertalingen van zijn romans. De eerste in de jaren dertig (van Tess of the d’Urbervilles) en de tweede eind jaren zeventig (van The Mayor of Casterbridge). Vasalis was wel een liefhebber: die herlas elk jaar een van zijn boeken. En Maarten ’t Hart schreef in De som van misverstanden (1978) een essay over Hardy. Jude vond hij diens beste roman, al zorgde ‘de optelsom van onwaarschijnlijkheden’ dat hij het toch geen perfect boek vond.

Omdat een paar jaar terug ook al Far from the Madding Crowd van Hardy werd vertaald, zou je kunnen zeggen dat deze Victoriaanse schrijver nu pas voor het eerst goed in de belangstelling komt te staan in Nederland. En dit terwijl hij in Engeland juist aan populariteit verliest. Een tijdje terug bleek uit een Brits onderzoek dat Dickens en Austen nog altijd veel worden gelezen maar Hardy steeds minder. Mogelijk komt dat doordat die eerste twee met zoveel meer humor en optimisme schreven. Als je een boek van Hardy openslaat, kun je ervan uitgaan dat het heel, heel droevig wordt.

Dat gaat met name op voor De onbeduidende Jude, zoals de Nederlandse titel luidt. De roman begint met een Ciske de Rat-achtige scène, waarin een schoolmeester – de enige die aardig is voor Jude – het dorp verlaat. De elfjarige wees kijkt verdrietig toe, terwijl de meester in de paard-en-wagen klimt. Even later staat de jongen te huilen bij de dorpsput.

In hoofdstuk twee wordt de droefenis nog wat verdiept. Jude heeft een baantje als levende vogelverschrikker. Hij krijgt medelijden met de roeken die hij van het land moet jagen en besluit ze hun gang te laten gaan. Als de boer erachter komt, wordt Jude eerst afgeranseld en daarna ontslagen. Hij gaat naar huis en vertelt zijn tante dat hij geen werk meer heeft, waarna hij dan ook nog door haar wordt uitgefoeterd. De scène deed me denken aan hoofdstuk twee van Great Expectations, waarin Pip – ook een wees – al net zo onrechtvaardig de mantel wordt uitgeveegd door zijn voogd. Maar bij Dickens is deze droevige scène tegelijk erg geestig, waardoor je niet weet of je nou moet lachen of huilen. Bij Hardy is zo’n scène echter alleen maar droevig.

Het is Sue en niet de antiheld uit de titel die deze roman draagt. En het is ook Sue die het beste in Hardy naar boven haalt

Tijdens het lezen van dat tweede hoofdstuk is er ondertussen wel iets essentieels gebeurd. Hardy schrijft zo teder over Jude dat het haast onmogelijk is om hem niet in je hart te sluiten. Bovendien komen er om de zoveel regels verbazingwekkend mooie en fijnzinnige beelden langs, die verraden dat Hardy evenzeer dichter als romanschrijver was.

Jude droomt ervan om te studeren aan de universiteit in Christminster. Maar de lezer snapt al meteen dat dat nooit gaat lukken. Al op pagina 24 wordt hij namelijk omschreven als ‘het soort man dat was geboren om veel te lijden tot het gordijn neerdaalde na een overbodig leven en dat het dan pas goed met hem ging’. Het is fascinerend dat Hardy het nodig vond om dat laatste nog toe te voegen (‘en dat het dan pas goed met hem ging’). Het lijkt wel of hij zich in een zin als deze verkneukelde om zijn pessimisme.

‘Het lezen van Jude is als telkens opnieuw een klap in je gezicht krijgen’, schreef zijn biograaf. Hardy provoceert in dit boek de goedgehumeurde, optimistische lezer. Maar je zou ook kunnen zeggen dat hij de lezer juist bedient. Want lezers houden van drama. En Jude the Obscure barst ervan.

Als Jude volwassen is geworden, wordt hij zowel verleid als misleid door de dochter van een varkensfokker, een tang van een vrouw. Dat verleiden doet ze op een nogal wonderlijke manier: ze gooit het afgehakte geslacht van een varken tegen hem aan. Maar goed, het werkt. Ze raken met elkaar in gesprek en niet veel later zijn ze getrouwd.

Tot een gelukkig huwelijk leidt het echter niet. Als Jude door haar is verlaten, komt er een nieuwe vrouw in zijn leven: Sue Bridehead, zijn nicht. Vanaf dat moment gebeurt er iets in deze roman. De ene sterke dramatische scène volgt de andere op: Jude die op een avond Sue en zijn oude schoolmeester gearmd ziet lopen onder een paraplu; Jude en Sue die overnachten in een verlaten herdershuisje; Sue die via een rivier ontsnapt uit de kweekschool en drijfnat aanklopt bij het kleine kamertje van Jude; Sue en Jude die afscheid van elkaar nemen op het treinstation.

Er wordt vaak beweerd dat Hardy’s personages niet echt beklijven en dat het vooral de dramatische scènes zijn die in de herinnering achterblijven. De onbeduidende Jude is inderdaad niet een personage om te onthouden. Hij roept vooral medelijden op. Sue daarentegen lijkt me een van de interessantste vrouwelijke personages uit de negentiende-eeuwse literatuur.

Ze is intellectueel, kritisch, frigide, onconventioneel (aanvankelijk) en overgevoelig – en tegelijk blijft ze een mysterie. Juist omdat ze zo ongrijpbaar is, en gecompliceerd, raakte ikzelf in elk geval buitengewoon gefascineerd door haar. En ik kon daardoor goed begrijpen dat Jude en de schoolmeester allebei verliefd op haar worden.

Het is Sue en niet de antiheld uit de titel die deze roman draagt. En het is ook Sue die het beste in Hardy naar boven haalt. Ik vond hem het meest op dreef in deel vier, als Sue met de schoolmeester is getrouwd maar eigenlijk verlangt naar Jude. Dramatisch hoogtepunt in dit deel is de scène waarin Sue uit het raam springt omdat ze zoveel afkeer voelt voor haar echtgenoot.

De charme van de romanwereld van Thomas Hardy zit ’m misschien wel vooral in het decor: het Zuid-Engelse landschap. Hij gebruikt fictieve plaatsnamen die verwijzen naar bestaande dorpen en steden. In Thomas Hardy’s ‘Wessex’, zoals hij dit gebied noemde, spelen zich ook veel van zijn andere romans en verhalen af.

De personages van De onbeduidende Jude verplaatsen zich voortdurend door de groene weiden van Wessex van de ene naar de andere plek – en het lijkt erop dat ze alleen op die momenten gelukkig zijn.